Maleachi

Maleachi 1:1-14

 

Israëls ondankbaarheid

    1. De last van het woord des Heeren tot Israel, door den dienst van Maleachi.
    2. Ik heb u liefgehad, zegt de Heere; maar gij zegt: Waarin hebt Gij ons liefgehad? Was niet Ezau Jakobs broeder? spreekt de Heere; nochtans heb Ik Jakob liefgehad.
    3. En Ezau heb Ik gehaat; en Ik heb zijn bergen gesteld tot een verwoesting, en zijn erve voor de draken der woestijn.
    4. Ofschoon Edom zeide: Wij zijn verarmd, doch wij zullen de woeste plaatsen weder bouwen; alzo zegt de Heere der heirscharen: Zullen zij bouwen, zo zal Ik afbreken; en men zal hen noemen: Landpale der goddeloosheid, en een volk, op hetwelk de Heere vergramd is tot in eeuwigheid.
    5. En uw ogen zullen het zien, en gijlieden zult zeggen: De Heere zij groot gemaakt, van de landpale Israels af!

 

Bestraffing wegens onheilige offers

  1. Een zoon zal den vader eren, en een knecht zijn heer; ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik een Heere, waar is Mijn vreze? zegt de Heere der heirscharen tot u, o priesters, verachters Mijns Naams! Maar gij zegt: Waarmede verachten wij Uw Naam?
  2. Gij brengt op Mijn altaar verontreinigd brood, en zegt: Waarmede verontreinigen wij U? Daarmede, dat gij zegt: Des Heeren tafel is verachtelijk.
  3. Want als gij wat blinds aanbrengt om te offeren, het is bij u niet kwaad; en als gij wat kreupels of wat kranks aanbrengt, het is niet kwaad! Brengt dat toch uw vorst; zal hij een welgevallen aan u hebben? of zal hij uw aangezicht opnemen? zegt de Heere der heirscharen.
  4. Nu dan, smeekt toch het aangezicht van God, dat Hij ons genadig zij; zulks is van uw hand geschied, zal Hij uw aangezicht opnemen? zegt de Heere der heirscharen?
  5. Wie is er ook onder u, die de deuren om niet toesluit? En gij steekt het vuur niet aan op Mijn altaar om niet. Ik heb geen lust aan u, zegt de Heere der heirscharen, en het spijsoffer is Mij van uw hand niet aangenaam.
  6. Maar van den opgang der zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt de Heere der heirscharen.
  7. Maar gij ontheiligt dien, als gij zegt: Des Heeren tafel is ontreinigd, en haar inkomen, haar spijs is verachtelijk.
  8. Nog zegt gij: Ziet, wat een vermoeidheid! maar gij zoudt het kunnen wegblazen, zegt de Heere der heirscharen; gij brengt ook hetgeen geroofd is, en dat kreupel en krank is; gij brengt ook spijsoffer; zou Mij zulks aangenaam zijn van uw hand? zegt de Heere.
  9. Ja, vervloekt zij de bedrieger, die een mannetje in zijn kudde heeft, en den Heere belooft, en offert, dat verdorven is! want Ik ben een groot Koning, zegt de Heere der heirscharen, en Mijn Naam is vreselijk onder de heidenen.

Maleachi 2:1-17

 

Strafprediking tegen de priesters

    1. En nu, gij priesters! tot u wordt dit gebod gezonden;
    2. Indien gij het niet zult horen, en indien gij het niet zult ter harte nemen, om Mijn Naam eer te geven, zegt de Heere der heirscharen, zo zal Ik den vloek onder u zenden, en Ik zal uw zegeningen vervloeken; ja, Ik heb ook alrede elkeen derzelve vervloekt, omdat gij het niet ter harte neemt.
    3. Ziet, Ik zal u het zaad verderven; en Ik zal drek op uw aangezichten strooien, den drek uwer feesten, zodat men u met denzelven wegnemen zal.
    4. Dan zult gij weten, dat Ik dit gebod tot u gezonden heb; opdat Mijn verbond met Levi zij, zegt de Heereder heirscharen.
    5. Mijn verbond met hem was het leven, en de vrede; en Ik gaf hem die tot een vreze; en hij vreesde Mij, en hij werd om Mijns Naams wil verschrikt.
    6. De wet der waarheid was in zijn mond, en er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid.
    7. Want de lippen der priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel des Heeren der heirscharen.
    8. Maar gij zijt van den weg afgeweken, gij hebt er velen doen struikelen in de wet, gij hebt het verbond met Levi verdorven, zegt de Heere der heirscharen.
    9. Daarom heb Ik ook u verachtelijk en onwaard gemaakt voor het ganse volk, dewijl gij Mijn wegen niet houdt, maar het aangezicht aanneemt in de wet.

 

De zonden des volks

  1. Hebben wij niet allen een Vader? Heeft niet een God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouwelooslijk de een tegen den ander, ontheiligende het verbond onzer vaderen?
  2. Juda handelt trouwelooslijk, en er wordt een gruwel gedaan in Israel, en in Jeruzalem; want Juda ontheiligt de heiligheid des Heeren, welke Hij liefheeft; want hij heeft de dochter eens vreemden gods getrouwd.
  3. De Heere zal den man, die zulks doet, uitroeien uit de hutten van Jakob, dien, die waakt, en dien, die antwoordt, en die den Heere der heirscharen spijsoffer brengt.
  4. Dit tweede doet gijlieden ook, dat gij het altaar des Heeren bedekt met tranen, met wening en met zuchting; zodat Hij niet meer het spijsoffer aanschouwen, noch met welgevallen van uw hand ontvangen wil.
  5. Gij nu zegt: Waarom? Daarom dat de Heere een Getuige geweest is, tussen u en tussen de huisvrouw uwer jeugd, met dewelke gij trouwelooslijk handelt; daar zij toch uw gezellin, en de huisvrouw uws verbonds is.
  6. Heeft Hij niet maar een gemaakt, hoewel Hij des geestes overig had? En waarom maar dien enen? Hij zocht een zaad Gods. Daarom, wacht u met uw geest, en dat niemand trouwelooslijk handele tegen de huisvrouw zijner jeugd.
  7. Want de Heere, de God Israels, zegt, dat Hij het verlaten haat, alhoewel hij den wrevel bedekt met Zijn kleed, zegt de Heere der heirscharen; daarom wacht u met uw geest, dat gij niet trouwelooslijk handelt.
  8. Gij vermoeit den Heere met uw woorden; nog zegt gij: Waarmede vermoeien wij Hem? Daarmede, dat gij zegt: Al wie kwaad doet, is goed in de ogen des Heeren, en Hij heeft lust aan zodanigen; of, waar is de God des oordeels?

Maleachi 3:1-18

 

Profetie over de zending van Johannes den Doper en de komst van Christus

    1. Ziet, Ik zende Mijn engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijk zal tot Zijn tempel komen die Heere, Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des verbonds, aan Denwelken gij lust hebt; ziet, Hij komt, zegt de Heere der heirscharen.
    2. Maar wie zal den dag Zijner toekomst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid, en als zeep der vollers.
    3. En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij den Heere spijsoffer toebrengen in gerechtigheid.
    4. Dan zal het spijsoffer van Juda en Jeruzalem den Heere zoet wezen, als in de oude dagen, en als in de vorige jaren.
    5. En Ik zal tot ulieden ten oordeel naderen; en Ik zal een snel Getuige zijn tegen de tovenaars, en tegen de overspelers, en tegen degenen, die valselijk zweren, en tegen degenen, die het loon des dagloners met geweld inhouden, die de weduwe, en den wees, en den vreemdeling het recht verkeren, en Mij niet vrezen, zegt de Heere der heirscharen.
    6. Want Ik, de Heere, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.

 

Vermaning God trouw te dienen

  1. Van uwer vaderen dag af, zijt gij afgeweken van Mijn inzettingen, en hebt ze niet bewaard; keert weder tot Mij, en Ik zal tot u wederkeren, zegt de Heere der heirscharen; maar gij zegt: Waarin zullen wij wederkeren?
  2. Zal een mens God beroven? Maar gij berooft Mij, en zegt: Waarin beroven wij U? In de tienden en het hefoffer.
  3. Met een vloek zijt gij vervloekt, omdat gij Mij berooft, zelfs het ganse volk.
  4. Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de Heere der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen.
  5. En Ik zal om uwentwil den opeter schelden, dat hij u de vrucht des lands niet verderve; en de wijnstok op het veld zal u geen misdracht voortbrengen, zegt de Heere der heirscharen.
  6. En alle heidenen zullen u gelukzalig noemen; want gijlieden zult een lustig land zijn, zegt de Heere der heirscharen.
  7. Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geworden, zegt de Heere; maar gij zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken?
  8. Gij zegt: Het is tevergeefs God te dienen; want wat nuttigheid is het, dat wij Zijn wacht waarnemen, en dat wij in het zwart gaan, voor het aangezicht des Heeren der heirscharen?
  9. En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen, worden gebouwd; ook verzoeken zij den Heere, en ontkomen.
  10. Alsdan spreken, die den Heere vrezen, een ieder tot zijn naaste: De Heere merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die den Heere vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken.
  11. En zij zullen, zegt de Heere der heirscharen, te dien dage, dien Ik maken zal, Mij een eigendom zijn; en Ik zal hen verschonen, gelijk als een man zijn zoon verschoont, die hem dient.
  12. Dan zult gijlieden wederom zien, het onderscheid tussen den rechtvaardige en den goddeloze, tussen dien, die God dient, en dien, die Hem niet dient.

Maleachi 4:1-6

 

Verschijning van de Zon der gerechtigheid

  1. Want ziet, die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de Heere der heirscharen, Die hun noch wortel, noch tak laten zal.
  2. Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren.
  3. En gij zult de goddelozen vertreden; want zij zullen as worden onder de zolen uwer voeten, te dien dage, dien Ik maken zal, zegt de Heere der heirscharen.
  4. Gedenk der wet van Mozes, Mijn knecht, die Ik hem bevolen heb op Horeb aan gans Israel, der inzettingen en rechten.
  5. Ziet, Ik zende ulieden den profeet Elia, eer dat die grote en die vreselijke dag des Heeren komen zal.
  6. En hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart der kinderen tot hun vaderen; opdat Ik niet kome, en de aarde met den ban sla.

img_20141221_154645112 223797_4089434323730_1417610401_n

English

1The oracle of the word of the Lord to Israel by Malachi.

The Lord‘s Love for Israel

2“I have loved you,” says the Lord. But you say, “How have you loved us?” “Is not Esau Jacob’s brother?” declares the Lord. “Yet I have loved Jacob 3but Esau I have hated. I have laid waste his hill country and left his heritage to jackals of the desert.” 4If Edom says, “We are shattered but we will rebuild the ruins,” the Lord of hosts says, “They may build, but I will tear down, and they will be called ‘the wicked country,’ and ‘the people with whom the Lord is angry forever.'” 5Your own eyes shall see this, and you shall say, “Great is the Lord beyond the border of Israel!”

The Priests’ Polluted Offerings

6“A son honors his father, and a servant his master. If then I am a father, where is my honor? And if I am a master, where is my fear? says the Lord of hosts to you, O priests, who despise my name. But you say, ‘How have we despised your name?’ 7By offering polluted food upon my altar. But you say, ‘How have we polluted you?’ By saying that the Lord‘s table may be despised. 8When you offer blind animals in sacrifice, is that not evil? And when you offer those that are lame or sick, is that not evil? Present that to your governor; will he accept you or show you favor? says the Lord of hosts. 9And now entreat the favor of God, that he may be gracious to us. With such a gift from your hand, will he show favor to any of you? says the Lord of hosts. 10Oh that there were one among you who would shut the doors, that you might not kindle fire on my altar in vain! I have no pleasure in you, says the Lord of hosts, and I will not accept an offering from your hand. 11For from the rising of the sun to its setting my name will be great among the nations, and in every place incense will be offered to my name, and a pure offering. For my name will be great among the nations, says the Lord of hosts. 12But you profane it when you say that the Lord’s table is polluted, and its fruit, that is, its food may be despised. 13But you say, ‘What a weariness this is,’ and you snort at it, says the Lord of hosts. You bring what has been taken by violence or is lame or sick, and this you bring as your offering! Shall I accept that from your hand? says the Lord. 14Cursed be the cheat who has a male in his flock, and vows it, and yet sacrifices to the Lord what is blemished. For I am a great King, says the Lord of hosts, and my name will be feared among the nations.

The Lord Rebukes the Priests

1“And now, O priests, this command is for you. 2If you will not listen, if you will not take it to heart to give honor to my name, says the Lord of hosts, then I will send the curse upon you and I will curse your blessings. Indeed, I have already cursed them, because you do not lay it to heart.3Behold, I will rebuke your offspring, and spread dung on your faces, the dung of your offerings, and you shall be taken away with it. 4So shall you know that I have sent this command to you, that my covenant with Levi may stand, says the Lord of hosts. 5My covenant with him was one of life and peace, and I gave them to him. It was a covenant of fear, and he feared me. He stood in awe of my name. 6True instruction was in his mouth, and no wrong was found on his lips. He walked with me in peace and uprightness, and he turned many from iniquity. 7For the lips of a priest should guard knowledge, and people should seek instruction from his mouth, for he is the messenger of the Lord of hosts. 8But you have turned aside from the way. You have caused many to stumble by your instruction. You have corrupted the covenant of Levi, says the Lord of hosts, 9and so I make you despised and abased before all the people, inasmuch as you do not keep my ways but show partiality in your instruction.”

Judah Profaned the Covenant

10Have we not all one Father? Has not one God created us? Why then are we faithless to one another, profaning the covenant of our fathers?11Judah has been faithless, and abomination has been committed in Israel and in Jerusalem. For Judah has profaned the sanctuary of theLord, which he loves, and has married the daughter of a foreign god.12May the Lord cut off from the tents of Jacob any descendant of the man who does this, who brings an offering to the Lord of hosts!
13And this second thing you do. You cover the Lord‘s altar with tears, with weeping and groaning because he no longer regards the offering or accepts it with favor from your hand. 14But you say, “Why does he not?” Because the Lord was witness between you and the wife of your youth, to whom you have been faithless, though she is your companion and your wife by covenant. 15Did he not make them one, with a portion of the Spirit in their union? And what was the one God seeking? Godly offspring. So guard yourselves in your spirit, and let none of you be faithless to the wife of your youth. 16“For the man who does not love his wife but divorces her, says the Lord, the God of Israel, covers his garment with violence, says the Lord of hosts. So guard yourselves in your spirit, and do not be faithless.”

The Messenger of theLord

17You have wearied the Lord with your words. But you say, “How have we wearied him?” By saying, “Everyone who does evil is good in the sight of the Lord, and he delights in them.” Or by asking, “Where is the God of justice?”
1“Behold, I send my messenger, and he will prepare the way before me. And the Lord whom you seek will suddenly come to his temple; and the messenger of the covenant in whom you delight, behold, he is coming, says the Lord of hosts. 2But who can endure the day of his coming, and who can stand when he appears? For he is like a refiner’s fire and like fullers’ soap. 3He will sit as a refiner and purifier of silver, and he will purify the sons of Levi and refine them like gold and silver, and they will bring offerings in righteousness to the Lord. 4Then the offering of Judah and Jerusalem will be pleasing to the Lord as in the days of old and as in former years.
5“Then I will draw near to you for judgment. I will be a swift witness against the sorcerers, against the adulterers, against those who swear falsely, against those who oppress the hired worker in his wages, the widow and the fatherless, against those who thrust aside the sojourner, and do not fear me, says the Lord of hosts.

Robbing God

6“For I the Lord do not change; therefore you, O children of Jacob, are not consumed. 7From the days of your fathers you have turned aside from my statutes and have not kept them. Return to me, and I will return to you, says the Lord of hosts. But you say, ‘How shall we return?’ 8Will man rob God? Yet you are robbing me. But you say, ‘How have we robbed you?’ In your tithes and contributions. 9You are cursed with a curse, for you are robbing me, the whole nation of you. 10Bring the full tithe into the storehouse, that there may be food in my house. And thereby put me to the test, says the Lord of hosts, if I will not open the windows of heaven for you and pour down for you a blessing until there is no more need. 11I will rebuke the devourer for you, so that it will not destroy the fruits of your soil, and your vine in the field shall not fail to bear, says the Lord of hosts.12Then all nations will call you blessed, for you will be a land of delight, says the Lord of hosts.
13“Your words have been hard against me, says the Lord. But you say, ‘How have we spoken against you?’ 14You have said, ‘It is vain to serve God. What is the profit of our keeping his charge or of walking as in mourning before the Lord of hosts? 15And now we call the arrogant blessed. Evildoers not only prosper but they put God to the test and they escape.'”

The Book of Remembrance

16Then those who feared the Lord spoke with one another. The Lordpaid attention and heard them, and a book of remembrance was written before him of those who feared the Lord and esteemed his name. 17“They shall be mine, says the Lord of hosts, in the day when I make up my treasured possession, and I will spare them as a man spares his son who serves him. 18Then once more you shall see the distinction between the righteous and the wicked, between one who serves God and one who does not serve him.

The Great Day of the Lord

1 “For behold, the day is coming, burning like an oven, when all the arrogant and all evildoers will be stubble. The day that is coming shall set them ablaze, says the Lord of hosts, so that it will leave them neither root nor branch. 2But for you who fear my name, the sun of righteousness shall rise with healing in its wings. You shall go out leaping like calves from the stall. 3And you shall tread down the wicked, for they will be ashes under the soles of your feet, on the day when I act, says the Lord of hosts.
4“Remember the law of my servant Moses, the statutes and rules that I commanded him at Horeb for all Israel.
5“Behold, I will send you Elijah the prophet before the great and awesome day of the Lord comes. 6And he will turn the hearts of fathers to their children and the hearts of children to their fathers, lest I come and strike the land with a decree of utter destruction.”
1918846_10207295592821384_8607552120496853911_n11112
Advertisements

Published by

Jakob_EGO

Jorn Jakob Albert Boor. (36) Ik heb mijn leven lang menselijke interactie, tegenstellingen en tegenstrijdigheden geobserveerd en hieruit een conclusie getrokken. Theorie, ervaring en ondersteuning vanuit de vele verscheidene vriendschappen en gebeurtenissen hebben het mogelijk gemaakt tot de kern van het menselijk bestaan en evolutie van het bewustzijn op individueel en collectieve zingeving en progressie. De verschillende specialisaties, hierarchische levels van behoeften (egoisme) en non verbale en verbale intentie's en communicatie eigenschappen (egocentrisch) zijn een fundamentele doelstelling en persoonlijke ontwikkeling die ik graag wil delen en ten dienste wil stellen zodat het de creatie en evolutie van ons natuurlijke zijnsvorm transcends in het geestelijke/spirituele zijnsvorm in ons aller belang en zoals het gedetaileerd in allerlei verscheidene historische takken van sport is benoemd en vastgelegd op feiten en profetisch onderbouwde geschriften. wijsheden en legacies. Defragmentatie van deze inzet, inzichten, kennis en opofferingen ten behoeve van ons aller belang en bestaansrecht. Via het informeren en verzamelen van kennis verwacht ik de chaos en verbroken connectie's weer samen te brengen en hiermee de macht over vrede, begrip, diversiteit en samenwerkings verbanden naar een resonerende en gebalanceerde bestaansrechtelijke fundering terug te brengen en mijzelf en mijn service van toegevoegde waarde te laten zijn. Vanuit mijn eigen ervarings deskundigheid en relatieve overzichten op globaal niveau. Creativiteit. Spontaniteit en Probleemoplossende eigenschappen en de bij behorende communicatieve vaardigheden zouden het varkentje moeten wassen. UNESCO onderschrijft een groot deel van de conclusie en bestaansrecht van deze theorie/evolutie model en symboliek voortgebracht via de grootheden en culturen en eerder bestaansvormen uit het verleden. Dit is de finishing touch en de start van een nieuw begin met rust. vrede en creatieve ontwikkelingen en rechtvaardige basis berustende op eenwording en ware identiteit van de mensheid. De overwinning welke onze wederzijdse verantwoordelijkheid in alle facetten van het bestaan vrijheid en zijn bevierd zal worden! # Het zal geschieden. # Mijn thuis is waar liefde zegeviert # Huis van Jakob / Rechtvaardigheid # Jakob 's Ladder / Vigilant. .. http://jornboor.blogspot.nl https://jakobinfo.wordpress.com @Jakob_EGO "Oil To The Fire Submitted In Respect For The Sacred Dance On Infinity. "

One thought on “Maleachi”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s