Koning David / Oranjes

Koning David / Oranjes

JORN JAKOB ALBERT BOOR·FRIDAY, 9 OCTOBER 2015

Beatrix: rechtstreekse nazaat koning David Bea de Grote

Wat boffen wij onderdanen met zo´n geniaal en ver boven alle partijen verheven staatshoofd als Hare Allerdoorluchtigste Majesteit Beatrix de Grote, koningin van Oranje-Nassau. Onze Beatrix is een rechtstreeks nazaat van de bijbelse koning David. Waardoor de Oranje´s ook familiebanden hebben met een andere beroemde telg uit het Huis van David, rabbi Joshua ben Miryam (7vChr-25nChr).

Deze Joshua zou na zijn dood nog roem verwerven als Jezus de Christus en door sommige worden aanbeden als de zoon van god. Aangezien hij kinderloos stierf, was deze rabbi van weinig belang voor het onderzoek dat Beatrix´ grootmoeder Wilhelmina destijds liet uitvoeren. Uitgebreid, zeer wetenschappelijk en onder strenge bepalingen betreffende geheimhouding over de uitkomsten. Voor Oranjologen waren deze uitkomsten echter overduidelijk. Hoe anders kon men de innige banden tussen de Oranjes en de keizers van Ethiopië verklaren. Ook deze claimden rechtstreekse afstammelingen te zijn van koning David. Helaas uit een in de ogen van de Oranjes uit de minder kiese affaire tussen Davids zoon Salomo (in de oriënt Süleyman genaamd) en de koningin van Sheba (Ethiopië).

Om begrijpelijke redenen hing de koninklijke familie de uitkomsten van het onderzoek niet aan de grote klok. Officieel bleef de faam van Oranje gebaseert op het stamland der Nederlandse monarchie, Orange in Zuid Frankrijk. In het jaar 800 verkreeg Guilhelm d’Orange dit gebied in leen van Karel de Grote.

DUBBELHEILIGE WILLEM VAN ORANJE I De latere Oranjes achtte het beter te zwijgen over deze stamvader van het Koninkrijk der Nederlanden. Als belangrijkste leden van de Nederlands Hervormde kerks was het al erg genoeg dat deze Willem van Oranje tot twee keer toe heilig was verklaard door het Vaticaan.

Buiten deze heiligverklaring was er meer aan de hand waar de Oranjes in die tijd niet mee naar buiten konden treden. De stamvader was niet alleen dubbelheilige katholiek, maar ook nog joods.

Dat concludeerde ook de Amerikaanse historicus Arthur Zuckermann in zijn A Jewish Princedom in Feudal France uit 1972. De eerste Oranje-Willem zou volgens algemeen aanvaarde overleveringen rechtstreeks afstammen van niemand minder dan de bijbelse koning David (1011-972 vChr). Deze David, een herder uit Bethlehem, versloeg de Palestijn Goliath en werd uiteindelijk de eerste koning van twee ministaatjes in het Palestijns gebied.

RELATIE ORANJE RASTAFARI De bloedlijn van de latere Oranje-heerses loopt via Davids verhouding met Bathseba, uit welke vereniging prins Salomo (972-933 vChr) wordt geboren. De basis van de banden tussen het Huis van Oranje en de Keizers van Ethiopië stammen uit deze periode. Prins Salomo neukt de koningin van Sheba tijdens een staatsbezoek. Zij wordt hierdoor de oermoeder van zowel het Ethiopische als Nederlandse vorstenhuis. Tot aan de laatste heerser van het Ethipische geslacht, Rastafari Haile Selassi, onderhielden beide families ´ebengeburtige´ contacten. De Rastafari was regelmatig te gast op paleis Soestdijk.

Helaas liggen de resultaten van het grootscheepse onderzoek van Wilhelmina zwaar verzegeld in de ´zwaarste kluis´ van het Koninklijk Huisarchief. Naar zeggen is men er destijds in geslaagd de dynastieke lijn tussen Salomo en de eerste Willem van Oranje aantoonbaar te maken. Het onderzoek van Arthur Zuckermann lijkt dit te bevestigen. Willem van Oranje in zijn A Jewish Princedom in Feudal France zou pas na zijn dood echt katholiek en heilig worden. Tijdens zijn militaire campagnes hield Willem nog trouw de joodse sabbat in ere. Hij sprak vloeiend Arabisch en Hebreeuws en tooide zijn wapenschild met de Leeuw van Juda. Wanneer hij zich tijdens zijn laatste dagen in een klooster terugtrekt, wordt hij volgens Zuckermann ingewijd in de hogere leerstukken van de joods-mystieke kabella.

ORANJES INTRODUCEREN HENNEPTEELT De nazaten van de eerste Willem van Oranje zullen ook van zich laten horen. Graaf Raimbaud II van Oranje was een van de leiders van de eerste kruistocht. In 1096 veroverd hij Jeruzalem. Als als hij terugkeert naar Zuid Frankrijk introduceert hij de hennepteelt in zijn gebied.

Als keizer Frederik Barbarossa in 1182 Orange bezoekt, staat hij Bertrand I van Baux toe zich Pince d´Orange te noemen. Door zijn huwelijk met de laatste gravin van Orange was hij al gerechtigd de titel Graaf van Oranje te voeren. Hierdoor werd Orange een twaalf kilometer lang en 25 kilometer breed vorstendommetje.

Klein maar dapper. Als paus Innocentius III in de dertiende eeuw de Noordfranse edelen oproept tot een kruistocht tegen het ‘rotte zuiden’ weren de Oranjes zich vanuit hun eigen staatje flink tegen de tempeliers- en kartharenvervolging.

Als op vrijdag 13 oktober 1307 alle tempeliers in Frankrijk worden gearresteerd en aangeklaagd wegens niet door de kerk toegstane seksuele praktijken en veronderstelde godslastering, weet tempelridder Hugo de Chalon uit Orange tal van waardevolle bezittingen van de Orde in veiligheid te brengen. Waarbij volgens sommige historici ook de geheimen van de graal en de heilige graal zelf-

ORANJETITEL IN HANDEN VAN NASSAU Als Philibert van Chalons in 1530 kinderloos sterft, erft de zoon van zijn zuster Claudia, René van Chalon, de titel prins van Oranje. Vader van deze René is Hendrik III van Nassau, Heer van Breda. Met René kinderloze dood in 1544 krijgt de oudste zoon van René´s oom van vaderszijde op 11 jarige leeftijd de titel Prins van Oranje.

Deze was geboren in het Hohes Haus Dillenburg te Duitsland. Vader van de nieuwe Oranjeprins bleef gewoon graaf von Nassau. Zijn moeder Juliana von Stoltenberg, laat als ze 18 juni 1580 sterft niet minder dan 123 treurende kinderen en kleinkinderen achter. Hetgeen nog van belang zou blijken als de rechtstreekse afstammelingen van haar zoon Willem de Zwijger in 1703 definitief uitsterven. De voorvaderen van Hare Majesteit Beatrix de Grote moeten teruggrijpen op Juliana von Stoltenberg om de Oranjefakkel brandend te houden.

De eerste Oranjeprins uit het Huis Nassau weet dat zijn Franse Orange geheel omsloten is door katholieken. Door de veronderstelde vrijheid van godsdienst stromen uit alle windstreken joden en protestanten naar het ministaatje. Tot er in 1572, op het hoogtepunt van de godsdienstoorlogen, alsnog duizenden protestanten over de kling worden gejaagd. Als Willems opvolger Maurits in 1620 in Orange aankomt, laat hij voor zijn eigen veiligheid een groot kasteel optrekken.

ORANJE VOORGOED VERLOREN VOOR DE ORANJES De Franse koningen Lodewijk de dertiende en veertiende bleven niettemin op het dissidente dwergstaatje loeren. In 1702, direct na de dood van koning-stadhouder Willem III, lijft de Zonnekoning Orange definitief in bij het Franse district Vaucluse. In 1713 werd deze actie bij het verdrag van Utrecht van een wettige grondslag voorzien. Orange gaat definitief verloren voor de erfgenamen van de titel Prins van Oranje. Slechts af en toe bezoeken de Oranjes het stadje waar ze hun titel aan ontlenen. In 1846 kwam onze Willem II langs om een beeld van voorvader Raimbaud II in te wijden. In 1952 was het de beurt aan Juliana, die de ruïnes van het door prins Maurits van Oranje gebouwde en door de Zonnekoning weer afgebroken fort bezocht. De moeder van Beatrix plantte een eikje. Het plantsoentje waar de boom staat heet sindsdien Square Reine Juliana. ‘Mijn beste wensen zullen Orange altijd vergezellen, dit door ontelbare eeuwen heen zo eerbiedwaardige deel van Frankrijk, dit deel van een oud en altijd jong Europa. Dit land, waar de geest der vrijheid zijn vurige woonplaats vond’, zo citeerde Le Monde haar bij die gelegenheid.

 

DNA Koningin-bloedverwanten




DNA Koningin-bloedverwanten
Hoe staat het met het DNA van de Oranjes?

Is het koningshuis gebaseerd op een Staatsrechtelijke dwaling dat zij afstammelingen zijn van Willem van Oranje?. De lijn van Willem van Oranje houdt op bij de achterkleinzoon van stadhouder Willem III tevens koning van Engeland. Willem III (1650-1702) had geen nageslacht,zodat na zijn dood de titel Prins van Oranje wettelijk naar zijn volle neef Frederik III koning in Pruisen ging. Na de dood van Willem III -1650-1702 (achterkleinzoon van Willem van Oranje),hield de lijn van Oranje op omdat deze Willem III geen nageslacht had en alleen de oudste zoon van de Prins van Oranje volgens de dynastie de titel erfprins van Oranje mocht voeren.

Maar in feite hield de Oranje lijn voor ons huidig Koningshuis reeds op bij Willem van Oranje (1533-1584)Dit omdat ons huidig koningshuis in een ander stamboom/bloedlijn tak loopt met als stamvader Willem Frederik van Nassau en wel via Jan van Nassau (1535-1606) naar Ernst Casimir I (1573-1632) naar Willem Frederik van Nassau-Dietz (1613-1664) naar Hendrik Casimir II (1657-1696) en vervolgens uitkomende bij Johan Willem Friso (1687-1711)-Willem IV (1711-1751), waarna men vervolgens graag wil doen geloven dat de bloedverwant lijn verder liep van Willem V (1748-1806), Willem I (1772-1843)-Willem II(1792-1849)-Willem III (1817-1890)-Koningin Wilhelmina en tenslotte Koningin Juliana en Beatrix. Echter dat zou zo geweest zijn ware het niet dat de man van Emma,Willem III (1817-1890) op latere leeftijd (hij trouwde op 61 jarige leeftijd met Emma) door syfilis onvruchtbaar was en geen kinderen bij Emma kon voortbrengen.

De natuurlijke vader van Wilhelmina was de bij Emma in dienst zijnde particulier secretaris S.M.S. de Ranitz(1846-1916),die als dank bij koninklijk besluit tot Jonkheer wordt verheven en later zijn neef Coen De Ranitz(1905-1983) burgemeester van Utrecht werd.(De achterneef van Juliana,die vervolgens Ridder in de orde van Oranje Nassau,Commandeur in de orde van Oranje Nassau,Erekruis Huisorde Oranje en Ereridder van de Johanitter Orde kreeg opgespeld)Het verhaal gaat dat Juliana en Coen zich tijdens hun studie in Leiden,neef en nicht noemden. Dit maakt Wilhelmina een buitenechtelijke bastaarddochter. Volgens Oranjekenner Kikkert leed Wilhelmina aan een zeldzaam erfelijke afwijking die ook in de familie de Ranitz voorkomt, n.l. zij kon geen verband in de muziek ontdekken.(het verschil tussen lage en hoge tonen)
Om deze reden houdt de bloedverwantschaps lijn via Emma op bij de zijtak van Willem IV ,n.l. diens dochter.

Vervolgens heeft men middels een gearrangeerd huwelijk tussen Wilhelmina(die ook geen nazaat is van de onder art.24 van de grondwet van 1917 genoemde Willem I) en Prins Hendrik (1876-1934) van de familie Mecklenburg Schwerin (ook geen nazaat van Willem I) die gepareerd was aan de Romanovs getracht één en ander te herstellen, maar ook deze Prins Hendrik was met grote waarschijnlijkheid door syfilis onvruchtbaar, wat ook Juliana in dat geval een buitenechtelijke dochter maakt.(maar latere informatie laat weten dat Juliana geen kind van Wilhelmina is, maar geadopteerd van een moeder uit Soest) Na de grondwet van 1917,waarin vermeld staat dat slechts de afstammelingen van Willem I gerechtigd waren tot de Nederlandse troon, werd op vragen snel vermeld dat Hendrik in 1918 bij Mien Abbo Wenneker een buitenechtelijke zoon had verwekt om aan te geven dat hij vruchtbaar was???Verwonderlijk is dat echter niet omdat in 1910 een nieuw (Giftig) medicijn genaamd Salvarsan werd ontdekt door Paul Ehrlich wat als medicijn tegen syfilis diende.Helaas hielp dit giftige medicijn Salvarsan NIET. Alles is echter te ontzenuwen door DNA voor onderzoek af te staan. Echter Juliana heeft dit pertinent geweigerd,zelfs toen de Russen daar in 1991 om vroegen voor onderzoek van de opgegraven botten van de Romanovs.Ook Beatrix weigert resoluut DNA af te staan en Margarita en haar advocaat ontkennen ten stelligste DNA materiaal af te hebben gestaan voor onderzoek.We vragen ons af wie is Juliana. Haar vader is onbeken,maar haar moeder ook. Wij komen hier later nog op terug.

In de geschiedenis boeken wordt vermeld dat Johan Willem Friso als achterneef van Willem III (1702) de titel van prins van Oranje als enig erfgenaam erfde. Dit vertegenwoordigt echter niet de waarheid. De wettige erfgenaam van Willem III (1702) was in eerste instantie zijn VOLLE neef Frederik III (1657-1713) en in tweede instantie Frans Lodewijk van Bourbon-Conti. Dat er meer aan de hand was met het testament van Willem III(1650-1702) blijkt uit het feit dat door het aanvechten van dit testament Johan Willem Friso slechts F.50.000,- (één zestiende deel) van het F.800.000,- vermogen van Willem III(1650-1702) kreeg toegewezen.
Op 14 juli 1711 verdronk Johan Willem Friso,onderweg naar Den Haag voor bespreking van de erfeniskwestie,in het Hollands Diep.
In Den Haag werd in 1711 alsnog besloten de erfeniskwestie te bespreken, de titel Prins van Oranje in te pikken en postuum te geven aan deze stadhouder van Friesland,Johan Willem Friso.

Staatsgreep.

 

Eind 1813 werd Willem Frederik,die geen nazaat is van de echte Willem van Oranje(1533-1584), na 18 jaar in Engeland te hebben verbleven per brief uitgenodigd door de Haagse Notabelen,Gijsbert Karel van Hogendorp,Frans Adam van der Duyn van Maasdam en Leopold van Limburg Stirum,om als soeverein vorst een regering op zich te nemen,echter dat was een excuus voor de staatsgreep die door de Engelse geheime dienst,aangestuurd door de Britse minister van binnenlandse zaken Castlereagh werd uitgevoerd om zo een bufferstaat aan Frankrijks noordgrens te vormen. Voor de Franse tijd bestond er geen Koninkrijk,dus van herstel van een koninkrijk kon geen sprake zijn,het was een ordinaire staatsgreep)
Na het vertrek van de Franse troepen eind 1813 werd in december 1813 de zoon van stadhouder Willem V uitgeroepen tot vorst en noemde zich Willem Frederik van Oranje-Nassau (Later Willem I / 1772-1843) Nog datzelfde jaar riep Willem Frederik een commissie in het leven die een nieuwe grondwet moest ontwerpen. Op 29 maart 1814 werd het voorstel van de commissie goedgekeurd door notabelen,door Willem zelf aangewezen. Een dag later werd Willem van “Oranje” ingehuldigd als soeverein vorst (toen nog niet de titel Koning). Daarop stelde Willem opnieuw een grondwetcommissie in. Echter veel notabele die door Willem zijn aangewezen wensen deze grondwet niet goed te keuren en blijven thuis. Resultaat is dat een meerderheid deze nieuwe Grondwet afkeurt. Willem telt de stemmen echter anders en voegt er een aantal onthouders aan toe en komt door deze beruchte Hollandse Rekenkunde toch nog aan een meerderheid.

Op 16 maart 1815 roept Willem zich uit tot Koning Willem I der Nederlanden en in augustus tot Koning der verenigde Nederlanden,zodat hij op 24 augustus 1815 de nieuwe door hem gewenste Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden kan afkondigen. In deze grondwet is duidelijk vastgelegd(zie Art. 14 t/m 23) dat troonopvolging naar de oudste zoon gaat of diens mannelijk erfgenaam of naar diens mannelijk erfgenaam,en in het allerlaatste geval pas na de dochters van de Koning.
Indien ook deze erfgenamen ontbreken,gaat het naar de mannelijke erfgenaam van Prinses Carolina van Oranje!

Gaan we weer even terug naar Willem III van 1650-1702 die geen nageslacht had waardoor de titel van Prins van Oranje wettelijk aan Frederik III koning van Pruisen moet worden toegekend, dan houdt in 1702 de lijn van Oranjes in Nederland op te bestaan.
De naam Oranje,ging rechtmatig /erfelijk over naar de wettelijke erfgenaam Frederik III koning in Pruisen. Hierna is overigens aansluitend het prinsdom Oranje (Orange) formeel overgegaan naar Prins Lodewijk Armand II van Bourbon Conti.(1696-1727)
Volgens de beschikbare gegevens was Emma via haar moeder een afstammeling van de bloedlijn zijtak van de eerdere Willem IV, n.l. diens dochter waarna de bloedlijn ophield. (dus is Emma geen nazaat van de latere Willem I (1772-1843) Via haar vader was zij afstammeling van Karel August van Waldeck Pyrmont (1704-1763). Ook als zij een afstammeling zou zijn (quod none) van deze Willem IV had zij via deze Willem IV geen enkel erfelijk recht op de naam Oranje,omdat in een erfelijke bloedlijn de Duitse Willem van Oranje van Nassau Dillenburg (1533-1584) deze nalatenschap erfde van Neef René van Chalon, zodat tenslotte de Oranje erfenis ophoud bij de achterkleinzoon van Willem van Oranje,de eerste Willem III(1650-1702){in een andere bloedlijn tak als onze pseudo Oranjes}Toen deze Willem III kinderloos overleed heeft tenslotte de Franse zonnekoning Louis XIV het Franse prinsdom doorgegeven aan Prins Conti.

In de latere grondwet van 1917 werd in Art.10 (eerste afdeling)vastgelegd dat de troon wordt bestegen door de wettige nakomelingen van Willem I (1772-1843) en ook in de grondwet van 1983 wordt in Art.24 vermeld dat het koningschap wettelijk wordt vervuld door de wettige opvolgers, “afstammelingen”, van Willem I (prins van Oranje-nassau) Hierbij is graag aangenomen dat Wilhelmina wettig kind is van Willem III (quod none)!!!!! Wel is Emma als echtgenoot erfgenaam van de bezittingen van Willem III (1817-1890). Wilhelmina en Juliana zijn bloedverwanten van Emma,doch zij zijn geen bloedverwanten van Willem III en Willem I en dus geen wettig opvolger van Willem I zoals in de grondwet aangegeven.
Door gevaar voor de Monarchie wilde men daarna graag doen geloven dat Prins Hendrik de natuurlijke vader van Juliana was,doch dit is tot op heden nimmer onomstotelijk vastgesteld.
De vraag blijft wie is de vader van de in 1909 geboren prinses Juliana,maar ook wie is de moeder.
Het toeval wil dat na het instorten van de Sovjet-unie, de Russen de botten hebben opgegraven van de Romanovs voor een herbegrafenis.
Om zeker te zijn van hun zaak vroegen zij een tweetal “nakomelingen” van de Romanovs om DNA en met name Koningin Elizabeth II en prinse Juliana (omdat de moeder van Willem III,Anna Pavlovna Romanov was.)

—————————————————-De Romanovs—————————–
Oeps dat kon een probleem worden voor prinses Juliana,immers deze Willem III (1817-1890) was op latere leeftijd door sifilis onvruchtbaar en had derhalve geen bloedlijn nazaten bij Emma van Waldeck-Pyrmont
Met behulp van het DNA van Elizabeth is vastgesteld dat het de botten van de Romanovs waren. Prinses Juliana weigerde DNA af te staan. Waarom? Gezien vorenstaande schijnt er geen jota Romanov DNA en erfelijk Oranje DNA (zelfs niet het gepikte Oranje) in Wilhelmina en Juliana te zitten en is ons huidig staatshoofd Beatrix afkomstig uit een familie van nieuwe rijken,de pseudo-Oranjes,terwijl de echte Oranjes tot keizer werden gekroond in Duitsland.
Niet alleen Juliana weigerde in 1991 DNA af te staan,ook Beatrix weigert dit en gelijktijdig ontkent prinses Margarita DNA materiaal te hebben afgestaan. Waar is men bang voor?
Volgens Roy van Zuydewijn heeft prinses Margarita destijds in onmin met haar tante Beatrix DNA materiaal (Speeksel,een haarlok en slipje) afgestaan om te laten onderzoeken of Beatrix een echte Oranje is en terecht op de troon zit.
De onderzoeker Peter Nugter (voorman van de Republikeinse socialisten)bevestigde dit verhaal en zegt hierover een schriftelijke verklaring te hebben afgelegd over de overhandiging van het Margarita-DNA materiaal. Ook advocaat mr. Pim de Vos bevestigt dit verhaal.
Prinses Margarita en haar advocaat ontkennen heden dat Margarita DNA materiaal heeft afgestaan. De onderzoeker Peter Nugter is van de aardbodem verdwenen,maar heel snel werd beweerd dat het laboratorium onderzoek naar Margarita’s DNA is afgerond en geen feiten heeft opgeleverd om te twijfelen aan de Oranje afkomst van Beatrix,maar dat is onder het mom van Staatsbelang in Nederland snel te regelen. En dat is op zich zelf weer vreemd omdat Nughter in dat verband sprak van een laboratorium op een geheime locatie in Rusland.

Wederom een vraag: Hoe kan het DNA worden onderzocht als Margarita en haar advocaat stellig beweren dat Margarita geen DNA heeft afgestaan en hoe makkelijk is het om alle mogelijke geruchten te ontzenuwen door juist wel DNA materiaal af te staan,of moet dit juist worden voorkomen,kostte wat het kost?

Hoewel met recht betwist kan worden of Willem IV zich prins van Oranje mocht noemen is deze kwestie bij de burgemeester van Amsterdam in de schouwburg besproken en in 1732 geschikt,waarbij tot op de huidige dag de nazaten van Frederik III als van Willem IV van Oranje – Nassau zich Prins van Oranje noemen.
Emma was(volgens oude onjuiste aanname) een zeer ver bloedverwant van Willem IV(1711-1715) via,langs vaders kant, haar betovergrootmoeder Carolina van Oranje-Nassau de zus van Willem V (1748-1806) en langs moeders kant was haar betovergrootvader Frederik I van Württemberg (1754-1816),zodat zoals in 1732 in Amsterdam werd geschikt zij zich als nazaat van Willem IV van Oranje-nassau formeel de dynastieke titel Prins(es) van Oranje mocht voeren.Dit is echter in tegenstrijd volgens de dynastie van Willem III (1650-1702) die bepaalde dat alleen de oudste zoon van Prins van Oranje de titel Prins van Oranje mocht voeren.Ook de grondwet van 1815 is er duidelijk in dat er slechts mannelijke erfgenamen in aanmerking komen.(Daarnaast blijkt uit onderzoek dat Emma niet van Willem IV kan afstammen,hierover later meer)
Volgens de grondwet van 1917 en1983 wordt de troon bestegen door de wettige nakomelingen van Willem I (1772-1843) en daar is Emma géén nazaat van.
Voor Wilhelmina als niet biologisch kind van Willem III(1817-1890) geldt hetzelfde.( Voor het redden van de dynastie fraudeerde Willem III bij de aangifte in het bevolkingsregister, door niet naar de strekking van de Grondwet etc. te stellen dat op dinsdag 31 augustus 1880 des avonds om zes uur, Wilhelmina Helena Paulina Maria,mitsgaders datzelfde kind een dochter is van Hem, Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk,koning der Nederlanden en Emma van Waldeck Pyrmont, terwijl hem bekend moet zijn geweest dat hij niet de biologische vader was en met die verklaring indruiste tegen de Grondwettelijke regels, Salische wet en Castiliaanse stelsel voor troonopvolging. Een buitenechtelijk verwekt kind,zijnde bastaard kind, kwam voor troonopvolging in 1890 wettelijk niet in aanmerking) Ook zij Wilhelmina, is derhalve geen nazaat van Willem I en daarom niet gerechtigd de troon te bestijgen.Hetzelfde geldt voor Juliana en haar Nazaten. [Wettig erfgenaam op Familierechtelijke grond was in 1890 nog NIET van toepassing.]

Omdat de rechtmatigheid voor het dragen van de titel Prins(es) van Oranje aanvechtbaar was heeft Wilhelmina dit vervolgens omzeild door in 1917 een grondwet te laten ontwerpen waarin is opgenomen dat de dynastieke titel Prins van Oranje verbonden aan het prinsdom Oranje (Orange) alleen wordt gedragen door de leden van het huis Oranje-Nassau en het huis Hohenzollern,waarmee en deze familie zich schaart in de nepprins-rij van Bram van Leeuwen,die zich Prins van Lignac liet noemen. Wanneer de troon door Wilhelmina onrechtmatig is bestegen is deze correctie ongeldig en is in ieder geval zeer ernstig geval van belangenverstrengeling.
Volgens de stellige overtuiging is ons huidig koningshuis géén echte nazaat van Oranje en tevens geen nazaat van het huis Romanov, tenzij onverwacht uit DNA onderzoek anders blijkt.

Hiermee is de rechtmatigheid van de troon en het dragen van de naam Prins van Oranje voor het “huidig Koningshuis” een zeer groot vraagteken en verlangt DNA onderzoek. Of is het politiek en met name het belang van het CDA dermate groot dat zij, zich bewust van deze “Staatsrechtelijke Fraude”, deze pseudo Oranjes op de troon wenst te houden en de bevolking nog een eeuw of meer voor de kosten laat bloeden tot een durfal of de bevolking ingrijpt. Op één onderdeel is men in Den Haag goed, ZWIJGEN !

—————————————————————————————————————————-
Bijlage:

Willem met de Hoorn veroverde de stad Orange in 793 op de Sarcenen en noemde zich graaf van Oranje.


In 1530 stierf Philibert de Chalon zonder nageslacht en het is zijn neef René de Chalon,Graaf van Nassau (zoon van Claude,de zus van Philbert de Chalon en Graaf van Henri van Nassau),die Prins van Oranje wordt.Na zijn dood laat hij al zijn bezittingen inclusief de titel Prins na aan zijn duitse neef Willem van Nassau Dillenburg (1533-1584),alias Willem de zwijger,die het huis Oranje Nassau sticht ( Dit is dus niet de stamboomlijn van ons huidig “Koningshuis”) Deze van Nassau’s hebben het Prinsdom van Oranje bestuurd tot 19 maart 1702,de dag dat Willem III kinderloos overlijdt. Daarna heeft Louis XIV het prinsdom in 1703 doorgegeven aan de Prins Conti.
In 1731 valt het Prinsdom definitief en wordt toegevoegd aan het Dauphiné onder Louis XV.
Heden is extreem rechts nu al elf jaar aan de macht in de zuid Franse stad Orange.
Het is dan ook merkwaardig waarom zo halsstarrig aan de titel “Prins van Oranje”wordt vastgehouden, terwijl de stad (Prinsdom) Orange reeds in 1731 door Frankrijk is ingelijfd en de Paus de annexatie in 1814 erkende.

DNA technieken:
In 1869 werd het DNA ontdekt.Eerst in 1944 werd de erfelijkheid beredeneerd. In 1953 kwam er verder schot in het DNA onderzoek en uiteindelijk in 1975 publiceerde Frederick Sanger een methode voor het bepalen van de volgorde van nucleotiden in DNA (sequecing genoemd)In 2001 werd de DNA sequenties van het humane genoom gepubliceerd.Anno 2010 is de DNA technieken dermate verfijnd dat met zeer grote zekerheid o.a. erfgenamen zijn te achterhalen.
Omdat men in 1890 er nog van uit ging dat Wilhelmina een wettig kind was van Koning Willem III (1817-1890) besloot men i.v.m. de afnemende gezondheid van deze Willem,waardoor hij zijn werkzaamheden niet meer kon uitvoeren, Emma aan te wijzen als Koningin moeder om zo de troonopvolging van Wilhelmina te regelen. Emma was slechts 3 dagen Koningin moeder en aansluitend werd in 1890 Wilhelmina op 10 jarige leeftijd Koningin van Nederland en werd Emma voogdes over deze minderjarige troonopvolgster.In die tijd stond DNA onderzoek nog in de kinderschoenen,zodat niet onweerlegbaar kon worden vastgesteld dat Wilhelmina als onwettig buitenechtelijk kind geen recht op troon opvolging had.
Nu er zeer sterke aanwijzingen zijn dat Wilhelmina als onwettig kind van Willem III(1817-1890) nooit rechtmatig de troonopvolger had mogen zijn,kan dit heden als onrechtmatig worden bestempeld.
Het door haar in 1937 genomen “Koninklijk”besluit gesteund op het verdrag van Nassau,welke haar nazaten het recht op de naam van Oranje-Nassau geven moet daardoor tevens als onrechtmatig worden gezien.
De rechtmatigheid van alle opvolgende “Koninklijke”besluiten door Juliana en Beatrix komen daarmee in een ander daglicht te staan.
Ook in 1948 bij de troonopvolging door Juliana stond DNA onderzoek nog in de ontwikkelingsfase en kon mogelijk niet worden vastgesteld of Juliana ingevolge de grondwet een afstammeling van Willem I (1772-1843) was en dus wel of niet gerechtigd was voor de troonopvolging.
Echter voor de troonopvolging door Beatrix in 1980 was het DNA zover gevorderd dat DNA onderzoek had kunnen uitwijzen of zij wel of niet een bloedverwant van Willem I (1772-1843) is en daarmee wel of niet gerechtigd was voor de troonopvolging.Waarom geen DNA onderzoek is uitgevoerd laat zich raden.
Vóór de eventuele troonopvolging door Willem-Alexander is men staatsrechtelijk verplicht op grond van Art.24 van de grondwet een meervoudig onafhankelijk DNA onderzoek te eisen om vast te stellen of Willem-Alexander wel of niet een afstammeling is van Willem I (1772-1843) Men heeft alle DNA mogelijkheden hiertoe en het zou ernstig verwijtbaar en nalatig zijn indien men dit achterwege laat.In dat geval stuurt men blijkbaar bewust aan op Staatsrechtelijke fraude en houdt men geen rekening met mogelijk ingrijpen van de bevolking.

Toen in 1702 Willem III (1650-1702) stierf had hij wel geprobeerd Johan Willem Friso van Nassau Dietz (1687-1711) aan te wijzen,maar in Engeland werd de Willem III,koning van Engeland opgevolgd door Anne de zuster van Mary,terwijl Koning Frederik I van Pruisen zich uitriep tot Prins van Oranje waarbij hij zich beriep op het testament van Stadhouder die bepaalde dat bij het uitsterven van de mannelijke lijn van Oranjes al zijn bezittingen zouden vererven op de nakomelingen van zijn oudste dochter Louise Henriëtte, die de moeder was van Frederik I van Pruisen. Het Prinsdom Orange ging echter over op het huis Bourbon-Conti en in hun naam verdreef koning Lodewijk XIV in 1703 alle protestanten uit de stad en lijfde de stad in.

In 1898 trof Wilhelmina het archief over “de Oranjes”aan en het is een algemeen bekend feit dat zij twee speciale “vernietigers”in dienst had . Hierna heeft Bernard nog eens heel wat open haarden gevoed met de inhoud van de nationale archieven om zo de archieven wederom op te schonen en deze geven daadoor een valse beeldvorming.

De Koninklijke familie is éen van de rijkste in Nederland met een voorzichtig geschat vermogen van 50 miljard,goed voor een minimale rente / dividend inkomsten van 2 miljard per jaar.
Na kritiek van Bernard op de rekenwijze van het Amerikaanse blad Forbes heeft Quote het vermogen van de “Oranjes”bijgesteld naar 1 miljard. Met een geschat vermogen van de Familie Brenninkmeijer van 30 miljard heeft Quote dit voorzichtigheid halve ook op slechts 10 miljard gehouden.
Echter de Koninklijke familie met 26% als groot aandeelhouder van de KLM heeft niets te klagen bij het miljarden vermogen van de KLM met als dochter Martinair,Transavia en Kenya Airways. En dan natuurlijk nog voor 12% {+14 % onder de familie}aandeelhouder bij de Royal Dutch (die splitsing is een truckje om niet op de lijst van aandeelhouders te komen, die geldt voor boven de 15%) met als gevolg dat de familie niet genoemd wordt in het Nederlandse jaarverslag van de Shell,maar wel in het buitenlandse als Major shareholder wordt genoemd.Shell die reeds in 2005 een eigen vermogen van 91 miljard en een totale activa van 220 miljard had. Laten we daarnaast niet vergeten dat het vermogen ook nog ligt in de ruime revenuen van de Opium handel in Nederlands-Indië (via Willem I verkregen,waar men erfelijk bezien geen enkel recht op heeft) en dit vermogen ligt vast in domeinen en aandelen,waarvan niemand zogenaamd weet hoeveel en hoe precies. Wel zijn domeinen in 1848 door Willem II tot Kroondomein gegeven aan de Staat,waarvoor de koning(in) jaarlijks een inkomen geniet uit ’s lands kas. Tenslotte heeft men nog wat zakgeld inkomsten uit divers betaalde commissariaten en als staatshoofd en lid van de Bilderberg groep,” de nieuwe wereld orde”, een ondemocratische invloed op de politiek.
Vaag zijn met de toelagen geeft heel veel vraagtekens. 39 miljoen/jaar 113 miljoen per jaar of zijn het er meer dan 220miljoen per jaar.Premier Balkenende hield het bewust vaag en zei:Koningin Beatrix 5,1 miljoen (inkomen 834.000, 4,3 miljoen voor de kosten van het personeel) Prins Willem-Alexander 1,4 miljoen (inkomen 248.000, 1,1 miljoen overige kosten) Prinses Maxima (inkomen 248.000, 376.000 kosten personeel en materiële uitgaven) Functionele uitgaven 27 miljoen (o.a. voor gebruik regeringsvliegtuig en andere luchtvaartuigen, onderhoud zeilschip de Groene Draeck, kosten departement van de hofmaarschalk) Onzin onzin!!!11 miljoen bin.zaken werkzaam voor het koninklijk huis,5,6 miljoen Verkeer en waterstaat werkzaam voor koninklijk huis, 8,5 miljoen Vrom, ambtenaren voor kon. huis, 78 miljoen ambtenaren/groene draak regeringsvliegtuig etc,werkzaam voor het koninklijk huis. Daar komt nog de jaarlijkse toelage bij, diverse betaalde commissariaten,Olympisch Comité en speciale declaratie voor officiële bezoeken in functie. Prins Maurits voor declareert €204.000 bij Verkeer en Waterstaat, voor 2 dagen werk per week. Hoezo de overige familieleden krijgen geen toelage!
Gesproken wordt er nog van Lockheed,Northrop,wapenhandel,doorsluizen van geld en buitenechtelijke relaties!
Het is vreemd ,als burger kun je een functie bij overheid of semi overheid vergeten,wanneer je één misstap begaat of zelfs maar verdacht wordt van criminele contacten,tenzij je zoals Mabel,de Marmot het koningshuis inrolt.
De kosten van Koninginne- en Prinsjesdag zijn hoog,maar daar staat tegenover dat deze unieke vermaaksdagen evenredig en meer oplevert voor o.a. de middenstand.
Staatsbezoeken van de koningin kosten veel geld,doch ook dit schijnt voldoende economische opbrengsten te genereren die worden toegeschreven aan de koningin. Dit moet echter niet worden overdreven,want het latere Nederland was,al voor de Bataafse Republiek, met de VOC een uiterst succesvol Nederlands handelsbedrijf. (zonder koningshuis) en ook de president van de Franse Republiek sleept de nodige opdrachten binnen.

Omdat de buitenlandse adel precies weet hoe de vork in de steel zit en neerkijkt op deze “pseudo Oranjes” (het laatste staatbezoek aan Engeland was in 1982) kon men slechts een niet adelijke partner met zeer twijfelachtige reputatie vinden,zoals Maxima Zorreguieta en Mabel / de Marmot. Het is schijnbaar om die reden dat Beatrix besloot bij koninklijk besluit in 2001 en tenslotte nogmaals aangevuld in 2004 dat alle met de naam van Oranje-Nassau van Amsberg de titel graaf of gravin of het predikaat jonkheer of jonkvrouw mochten voeren.Dat is riskant,want een DNA onderzoek moet uitwijzen of er uberhaupt een Oranje in de “Koninklijke familie”bestaat.

Juliana verkocht alle paleizen aan de Nederlandse staat,onder voorwaarde dat (1) alleen de “Oranjes” erin zouden mogen wonen,(2) de Nederlandse staat als eigenaar voor het onderhoud zou opdraaien en (3) mocht de monarchie ooit vallen,de paleizen terug geschonken (!) zouden worden aan de “Oranjes”(Angstig sluwe voorzorg?)

 

Alleen al paleis Soestdijk (gekocht voor 18.775,- gulden) werd in 1971 (-Tig jaren geleden) voor 1,9 miljoen aan de Staat verkocht.

Willem Alexander verkocht zijn huis aan het Haagse Noordeinde voor ruim 3 miljoen aan de Rijksgebouwendienst. Het pand bleek in 14 jaar tijd ruim 800% in waarde te zijn gestegen.

De plotselinge uitkeringsstijging (toelage) van de “koningin”werd door Balkenende verklaard doordat zij volgens hem te weinig had gekregen. Je moet inderdaad wel lef hebben.

Nee, dan Maxima. Die schenkt eerst 128.000,- euro (200.000 dollar)van haar staatsuitkering aan een katholieke Argentijnse aartsbisschop Jorge Bergoglio, met twijfelachtige politieke voorkeuren,om vervolgens aan Nederlandse minimalijders uit te leggen hoe zij moeten omgaan met hun krappe budget. In de troonrede had Beatrix het nog over de broekriem aanhalen, ja het volk,niet deze `Koninklijke familie.`Je verzint het niet.Maxima Zorreguieta die eens in een interview vertelde i.v.m. de veiligheid in Argentinië tijdens het Videla regiem elke dag een andere route te moeten nemen wist wel degelijk van de hoed en de rand.
En wat wij burgers niet mogen weten is dat de ouders van Maxima wel degelijk aanwezig waren bij haar trouw partij !
Jorge Zorreguieta en vrouw waren aanwezig in Amsterdam tijdens het huwlijk van zijn dochter.
Zij zaten verscholen in het Krasnapolsky hotel.
Je ziet Maxima zwaaien op het balkon naar de overkant waar haar ouders zaten.
Na het huwlijk reden WA en Maxima weg maar verkleedden zich en keerden terug naar Krasnapolsky (reden de ondergrondse garage in) om verder te feesten met de beide families.

Het hele hotel was overgenomen door het personeel van Beatrix en alle werknemers van Krasnapolsky waren naar huis gestuurd.
Deze inside informatie komt van iemand die bij de politie werkte.

Pater Rafael Braun, de Argentijnse priester die tijdens de huwelijksvoltrekking van kroonprins Willem-Alexander en Máxima een gebed uitsprak, was nota bene eveneens een Videla aanhanger.
Deze priester was in het verleden een bewonderaar van de Argentijnse ex-dictator Videla. Braun blijkt in de jaren 70 en 80 in het katholieke maandblad Criterio meerdere stukken geschreven te hebben waarin hij kritisch stond tegenover tegenstanders van de militaire junta. Videla werd door Braun als een ‘morele autoriteit’ beschouwd, die opkwam voor de ‘Argentijnse beschaving’. En in een brief van Videla aan Braun prees de oud-dictator de “getrouwe wijze” waarop Braun de werkelijkheid van Argentinië wist te interpreteren. Máxima zei tijdens het TV-interview Braun te beschouwen als “een vriend, een geweldige en heel inspirerende man”. Braun is een familievriend van Máxima haar ouders.
Rond de moeder van Máxima, de tweede vrouw van Zorreguieta, heerste er in Nederland totnogtoe geen controverse. Doch na onderzoek van archieven in Buenos Aires meldde RTL Nieuws dat de vrouw in 1987 een steunbetuiging aan het bewind van Videla heeft ondertekend.
Hiermee betuigen we onze erkentelijkheid en solidariteit aan de strijdkrachten en de politie die het land hebben verdedigd in de oorlog die uitgelokt is door gewelddadige guerrilla-strijders”, staat in de steunbetuiging. “De strijdkrachten hebben de terroristische organisaties verslagen, die een marxistisch regime wilden vestigen”.
De brief is in 1989 in drie landelijke Argentijnse kranten gepubliceerd. De publicatie was opgehouden door een rechtszaak, waarin werd beslist dat de naam van Videla niet in de steunbetuiging mocht worden genoemd. Ook een tante van Máxima, Alina Zorreguieta, zou de brief hebben ondertekend.
De datum waarop Máxima’s moeder openlijk haar steun aan de toenmalige Argentijnse junta betuigde, steekt opvallend af tegen de verklaring die vader Zorreguieta publiceerde. Naar aanleiding van de verloving van zijn dochter met de Nederlandse troonopvolger distantieerde hij zich van de gruweldaden tijdens het Videla-regime.

Mabel de marmot trouwde met Friso. Waarom Friso was immers vermeend homo te zijn. Naar aanleiding van de uitzending van Peter R. de Vries werd duidelijk dat Mabel het vriendje was van Klaas Bruinsma/ de Dominee.

Extra note bijlage:
Emma van Waldeck Pyrmont. (moeder van Wilhelmina?)
Men pretendeert dat deze Emma van twee zijde (moeder en vaders kant) afstamt van Nassau. Zelfs van die aanname klopt helemaal niets!
Ervan uitgaande dat tussendoor(ver voor de geboorte van Emma) géén “stand in” is gebruikt voor het verwekken van kinderen ziet de lijn er als volgt uit:

Via vaderskant van Emma: (George Victor van Waldeck Pyrmont 1831- 1893)
De grootmoeder van Emma was Emma van Anhallt-Bernburg-Schaumburg-Hoym(1802-1858)
En deze grootmoeder was een kleindochter van Carolina van (Oranje *) Nassau terwijl deze Carolina een dochter was (zegt men) van Willem IV.

Via moederskant van Emma: Helena van Nassau – Weilburg
De overgrootvader van Emma was Frederik Willem van Nassau Weilburg (1768-1816)
En deze overgrootvader was de zoon van Carolina van ( Oranje *) Nassau.,die dan weer een dochter van Willem IV zou zijn geweest. (Maar echt niet!)

Inderdaad is men primair geneigd te geloven dat zij van twee kanten zou afstammen van Oranje Nassau.
De vraag is echter waarom heeft Carolina maar één naam en droeg zij niet zoals gebruikelijk in die kringen de tweede voornaam Wilhelmine.
Heel eenvoudig men wist in die kringen dat zowel Carolina als haar broer Willem V een fake was,omdat Willem IV geen geslachtgemeenschap kon hebben door fimosis,waardoor de “stand in” stalmeester Douwe Idzard Sirtema van Grovenstins is gebruikt. PSP kamerlid Van der Spek (1980)noemde het huis van ”Oranje” altijd al een biologische kunstgreep en bedoelde daar met name mee dat Willem V geen zoon van Willem IV zou zijn.Onder anderen was Willem IV zowel homosexueel als de aandoening fimosis gepaard gaande met chronische ontsteking van het preputium van de micropenis.Echter voor troonopvolging heeft men wel doen geloven dat Willem V een echte afstammeling was. Carolina zou als meisje volgens de Salische aanvankelijk nooit in aanmerking komen.(opvolging volgens de patriarchale mannelijke lijn)

Ergo Emma is afstammeling van een stalmeester langs beide kanten,via de bastaard Carolina.

Het * geeft aan dat de naam Oranje in deze zijlijn ook nog eens gepikt is omdat deze reeds in 1702 is uitgestorven. Zie http://www.oranjedna.blogspot.com

Wanneer later blijkt dat de latere Willem III niet de vader is van Wilhelmina en Juliana een dubieuze vader en zelfs vraagtekens zijn bij de moeder, heeft moet worden geconcludeerd dat deze familie “fake” is en Beatrix géén Koningin genoemd kan worden,hetgeen alle koninklijke besluiten hun rechtsgeldigheid aanvechtbaar maken.

Wilhelmina en Juliana

De uiteindelijk vijf miskramen van Wilhelmina hingen samen met haar syfilis, naar buiten werd meegedeeld dat het tyfus was. Wilhelmina was in feite net als prins Hendrik tot na 1910 ook onvruchtbaar door haar syfilis. Na de “geboorte”(lees adoptie Juliana)probeerde Wilhelmina nogmaals ZELF een kind te krijgen.Dit werd de vijfde miskraam. Een effectieve behandeling van Syfilis was pas na 1910 mogelijk ,tenminste dat dacht men, middels het toen ontdekte middel Salvarsan. Wie is de biologische vader en nog belangrijker: Wie is de biologische (Soesterse) moeder van Juliana??

Diagnostisering van syfilis werd eerst 1906 wereldkundig gemaakt (August Wassermann) Eerst op 31 augustus 1909 werd Salvarsan 606 (Arsphenamine) op een konijn uitgetest.
In 1910 werd het zeer giftige en niet werkende middel Salvarsan op de markt gebracht,tot eerst 1928 de penicilline werd ontdekt.

De historicus Kikkert heeft zich wel eens laten ontvallen, dat na de zoveelste miskraam een kind werd geboren, met afwijkingen, ongeschikt als troonopvolger.De telg van Wilhelmina was bij de geboorte niet helemaal gezond en er diende een vervanging, middels ruil te komen en een familie in Soest voedde “gekke Klaartje”op waar de ouderen van Soest en Baarn nog over mee kunnen praten. Juliana zou zijn binnengebracht als baby van een burgervrouw uit Soest. Het toeval wil dat rond 1960 een oudere dame de gehele dag in bejaardentehuis Nijenstede te Amersfoort verkondigde dat haar dochter koningin Juliana was.Deze dame had vroeger in Soest gewoond.Is dat o.a. de reden voor weigering van een DNA onderzoek?
In dit licht wordt het duidelijk, hoe Bernhard von Lippe,die hiervan op de hoogte moet zijn geweest,ongestraft er tientallen maîtresses op na kon houden.

Zie: http://herstelderepubliek.wordpress.com/2011/08/13/bernhard-de-streken-van-een-schavuit/

Volgens de oranje bril van Cees Fasseur: (of zijn dit weer propaganda en leugens?)
Zelfs aan het Nederlandse hof is met verbijstering gereageerd op de onthulling dat prinses Juliana een oudere broer had kunnen hebben. Zeven jaar voordat zij ter wereld kwam beviel Wilhelmina van een zoontje. De baby werd bijna vier maanden te vroeg geboren en overleed tijdens de bevalling die twee dagen en een nacht heeft geduurd. Toch blijft ook nu nog een aantal vragen onbeantwoord. Zoals: waar werd dit kind begraven? En waarom heeft het Nederlandse hof de geboorte van Wilhelmina’s zoon ruim honderd jaar verborgen gehouden?
Wilhelmina’s lijfarts Roessingh maakt zich de grootste zorgen
Aangekomen in Apeldoorn zag dokter Roessingh door welke helse pijnen Wilhelmina werd gekweld. In de hoop de baby te sparen en de zwangerschap te redden liet hij onmiddelijk de Utrechtse gyneacoloog Kouwer overkomen, die echter ook niets Wilhelmina kon doen. Prins Hendrik, die aanvankelijk niet van de zijde van zijn vrouw week, kreeg het zo moeilijk dat hij de zorg voor de koningin helemaal aan de behandelende artsen overliet. Hij kon het niet langer verdragen zijn echtgenote zo te zien lijden! Een dag nadat dokter Roessingh zijn familiebezoek abrupt had afgebroken zette bij Wilhelmina de bevalling in. Om 22:30 uur ‘s avonds werd zij moeder van een doodgeboren baby. De dokter maakt in zijn rapporten melding van een flinke jongen, die ook na de geboorte aan Wilhelmina werd getoond. Pas nu blijkt dat slechts een handjevol mensen op de hoogte is geweest van het drama, dat zich op de vierde mei in 1902 op Het Loo had voltrokken.
Vermoedelijk is, om te voorkomen dat het trieste nieuws zou uitlekken, gekozen voor een intiem plekje in de tuin van Paleis Het Loo en aangenomen mag worden
De komst van haar dochter gaf Wilhelmina wat het moederschap betreft enorm veel zelfvertrouwen. Ze wilde graag dat Juliana nog een broertje of zusje zou krijgen en ruim twee jaar nadat haar dochter was geboren was Wilhelmina opnieuw in verwachting. Bijna twee maanden later volgde de vijfde miskraam. Steeds meer komen geluiden naar voren dat Juliana geen kind is van Wilhelmina,maar een “geruilde”dochter is van een moeder uit Soest.Een burger meisje dus zonder enig “blauw bloed” wat zou kunnen verwijzen naar het DNA van de Russische Tsaar. Zonder duidelijkheid van een DNA onderzoek ziet het er dus naar uit dat deze “koninklijke”familie niet alleen geen recht op de troon en vermogen heeft, maar heeft gefraudeerd over de afkomst.

Geplaatst door Pegasus op 09:17 

Hieronder brief gestuurd naar Koningin Beatrix


Pegasus

Blauw bloed DNA 

Koningin Beatrix
Paleis Noordeinde
Postbus 30412
2500 GK Den Haag.

XXXXXXXXX, 16 maart 2010

Geachte mevrouw,
Bij een steeds groter deel van de bevolking ontstaat ongeloof en onrust en verbaast men zich over de verhoging van o.a. de koningshuis toelage,terwijl u sprak over de broekriem aanhalen.

Met het kinderloos overlijden van Willem III (1702) is het huis van Oranje-Nassau in de republiek opgehouden te bestaan.Naar vigerend Salische wet is de erfopvolging overgegaan op de volle neef Frederik III (Frederik I Koning in Pruisen) en diens mannelijke nakomelingen.
U is genoegzaam bekend dat voor de Franse tijd van het Koninkrijk Holland de soevereiniteit berustte bij de Staten Generaal.
Eind 1813 is Willem Fredrik, aangestuurd door de Britse minister Castlereagh, uitgenodigd door Haagse notabelen om naar Holland te komen voor een staatsgreep.
In 1814 werd de eerste grondwet goedgekeurd door byzantinisme van de door Willem zelf aangewezen notabelen. Willem noemde zichzelf frappant Willem Frederik van Oranje-Nassau.
In 1815 werd de nieuwe grondwet van Willem afgekeurd door een meerderheid van de notabelen,doch met autoritair en beruchte Hollandse rekenkunde komt Willem toch nog tot een meerderheid van stemmen buiten de keuze van de notabelen om.

De Salische wet en het Castiliaanse stelsel bepaalde de volgorde van erfopvolging en verliep via de patriarchale lijn en hierop gebaseerd is de grondwet van 1815 tot stand gekomen. Pas sinds 1983 zijn mannen en vrouwen gelijk voor de erfopvolging. De mij ter beschikking staande gegevens geven de indruk dat u op familierechtelijke grond mogelijk aanspraak kunt maken op de erfenis van koning Willem III,maar dit toont geenszins een bloedverwantschap aan met koning Willem I, omdat dit nimmer onomstotelijk is vastgesteld zoals expliciet bedoeld en in opdracht is meegegeven in de grondwet van 1815. Ook in de grondwet van 1840 en 1848 is bepaald dat de kroon der Nederlanden in opdracht is meegegeven en opgedragen aan de wettige nakomelingen en wel het mannelijke oir, uit het tegenwoordig huwelijk met Hare Majesteit Frederika Louisa Wilhelmina.
Als wettige nakomelingen wordt hier naar mijn mening bedoeld bloedverwanten voortkomende of ontspruitende uit betreffend huwelijk,waarbij voor het huwelijk een geregistreerd partnerschap wordt aangemerkt.
In die tijd kwamen als wettige nakomelingen uitsluitend kinderen uit een geregistreerd partnerschap in aanmerking. Buitenechtelijke nakomelingen waren geen wettige bloedverwanten c.q. nakomelingen. Eerst ver in de twintigste eeuw kwam hier verandering in.

In tegenstelling met de strekking van de voorgaande grondwet is in 1917 dit artikel (zie art.10) onder goedkeuring van uw grootmoeder en een mogelijk staatrechtelijke dwaling, dit grondwetartikel veranderd in:
De kroon der Nederlanden is en “blijft” opgedragen aan zijne Majesteit Willem Frederik om door hem en zijn wettige nakomelingen te worden bezeten, om tenslotte in de huidige grondwet wederom te worden aangepast in: het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I,Prins van Oranje-Nassau.

Gelijktijdig staat artikel 24 van de grondwet op gespannen en tegenstrijdige voet met het in de grondwet genoemde artikel 1.Dit was reden(zie hiervoor nota Tweede Kamer der Staten Generaal vergaderjaar 2000-2001 onder nr. 27074) om de wet op de Adeldom te wijzigen juist omdat deze strijdig was met artikel 1 van de grondwet,de Algemene wet gelijke behandeling en diverse internationale verdragen waaronder het BUPO verdrag.

U is slim en verstandig en het voortbestaan van een monarchie is in uw belang en verantwoordelijkheid.
Ik ben er zeker van dat u niet de intentie heeft,wanneer u het stokje over geeft, Willem Alexander en zijn gezin op te zadelen met voor hem onoverkomelijke problemen.
Nu de indruk wordt gewekt dat uw vader in het keurslijf van een categorische leugenaar terecht is gekomen is duidelijkheid voor de bevolking een “must” en zou de uitkomsten van een DNA onderzoek de ongerustheid en speculaties weg kunnen nemen.
U is een bewonderenswaardig mens en erudiet en u wilt mij vast wel uitleggen op welke legitieme grond uw grootmoeder,uw moeder en u zelf, staatshoofd is geworden?

Hoogachtend,

__________________________________________________________________

Note 1 : Willem IV is vermeend impotent te zijn, zijn kinderen zijn een vraagteken. (Prinses) Carolina draagt
niet de naam Wilhelmina en het vermoeden bestaat dat zij en haar broer Willem V buitenechtelijk kinderen zijn van Anna van Hannover en Stalmeester Douwe Sirtema van Grovenstins!!

Note 2 : Wilhelmina is het buitenechtelijk kind van Emma en niet de dochter van Willem III.Haar biologische vader was S.M.S. de Ranitz een adjudant van Willem III en kamerheer van Emma,tenzij DNA onderzoek anders uitwijst.(Willem III was tijdens de conceptie in 1879 te oud en door syfilis onvruchtbaar)

Note 3: Tot op heden is niet onomstotelijk vastgesteld (DNA wordt geweigerd) dat Juliana een dochter zou zijn van Prins Hendrik.Deze Hendrik was biseksueel en ook hier zou sprake zijn van onvruchtbaarheid en blijft de vraag wie
Is de biologische vader van de in 1909 geboren Juliana. Nog groter vraagteken is wie de moeder is van Juliana.
 Steeds meer komt naar voren dat Juliana van een burgermoeder uit Soest zou zijn.Wilhelmina had 4 miskramen en “kreeg”toen plotseling Juliana ! Na Juliana probeerde Wilhelmina na twee jaar opnieuw een (eigen) kind te krijgen. Dit werd na twee maanden de vijfde miskraam. De vijf miskramen van Wilhelmina hingen samen met de door haar opgelopen syfilis. Naar buiten werd meegedeeld dat het tyfus was.Wilhelmina was in feite net als prins Hendrik tot na 1910 ook onvruchtbaar door haar syfilis.In ieder geval had zij 5 miskramen. Een effectieve behandeling van Syfilis was pas na 1910 mogelijk middels het toen ontdekte middel Salvarsan.

Staatsrechtelijke dwaling:
Door Willem I (waar het koningshuis zich op beroept) is in 1815 in de grondwet vastgelegd en IN OPDRACHT MEEGEGEVEN dat De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk.
In die tijd kwamen bij de adel als wettige nakomelingen uitsluitend in aanmerking, bloedverwanten uit het tegenwoordig huwelijk met Hare Majesteit Frederika Louisa Wilhelmina. Bastaards(buitenechtelijke) kinderen waren taboe en werden als niet wettige nakomeling gezien. De Salische wet is eene verzameling van wettelijke bepalingen der oude Franken, in de middeleeuwen; in het bijzonder, het tweeënveertigste artikel daarvan, krachtens hetwelk de vrouwen van de regering of troonsopvolging worden, uitgesloten. Eerst sinds 1983 zijn mannen en vrouwen gelijk voor de erfopvolging.

Wilhelmina veranderde dit in 1917 in art 10 van die grondwet in:
De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan zijne Majesteit Willem Frederik om door hem en zijn wettige nakomelingen te worden bezeten.
Als wettige nakomelingen kwamen toen ook geen Bastaard kinderen in aanmerking en tevens was middels deze Grondwet wijziging geen gevolg meer gegeven aan de opdracht die Willem I meegaf voor zijn opvolgers n.l. pure bloedverwanten uit een tegenwoordig huwelijk.
Derhalve en mogelijk “onrechtmatige” wijziging van de Grondwet met Staatsrechtelijke dwaling!
Wanneer dit artikel niet in de Grondwet was verankerd heette dit dicriminatie!

Bernhard van Lippe Biesterfeld 1911-2004
Een document bij de universiteit Berlijn laat zien dat Bernhard 27 april 1933 lid werd van de NSDAP en SA.Daaronder zie je de vermelding FLIEGERSTURM.Het document is ondertekend door Bernhard.
Dit document bestaat uit een linker- en rechterhelft (een tweeluik).Opmerkelijk is dat de linkerhelft(schoolresultaten)met een pen is ingevuld en de rechterhelft (lidmaatschap NSDAP/SA) met een potlood is ingevuld.Een ingeschakelde grafoloog kon niet vaststellen of beide helften door één persoon is ingevuld. Of deze grafoloog verstaat zijn vak niet of een oranje invloed c.q. hiërarchische ondergeschiktheid,byzantinisme, speelt een mogelijke rol.De grootste vijand van eerlijk en oprechtheid is de dwangmatige onderdanigheid voor authoriteit. Uit gegevens bij fam. van Bernhard blijkt deze streng anti joods te zijn opgevoed terwijl zijn lidmaatschap bij de NSDAP en SA in 1933 wordt gebagatelliseerd,doch wanneer de koninklijke familie in 1938op het geschonken schip Piet Heijn in de Duitse wateren vaart met de Nazi hakenkruis vlag in de mast krijgt dit gebagatelliseerde lidmaatschap een heel andere lading.(Verwijzende naar de TV/NOS uitzending d.d. 08 maart 2010). Bernhard komt naar voren als een categorische leugenaar.Zo ontkende hij stelselmatig lid te zijn van de NSDAP en loog hij als enig student naar school te gaan met een Maybach.Huize Bernhard zat financieel aan de grond en wel zo erg dat moeder Armgard uit haar villa werd gezet. Bernhard had tot 3 keer toe vergeefs, bemiddelde Duitse adellijke dames, een huwelijks aanzoek gedaan tot het met Juliana lukte.Vervolgens heeft hij voor zijn moeder Armgard 3 maal een schadevergoeding bewerkstelligd voor een totaal bedrag van f. 1000.000,- waarvoor hij haar in Diepenheim een villa kocht en met de centen van Juliana liet opknappen.

In 1937 had Bernhard al brieven aan Hitler geschreven. Deze zijn in Trouw gepubliceerd op 23 december 2004.Volgens Edwin de Roy van is De hele Hofmans-affaire een creatie van Bernhard en zijn Warmelo-clan ten einde te voorkomen dat de brieven die hij aan Hitler en Himmler heeft geschreven in de zomer van 1942 (drie in totaal, waarvan er twee mede ondertekend zijn door Juliana) het daglicht in de nationale en internationale pers zouden zien.

Nu naar voren komt dat Bernhard op valse grond de Duitse titel prins aannam{zijn opa was regent(bestuurder namens een ander)van het vorstendom Lippe en behoorde NIET tot het vorstenhuis Lippe}en tevens de indruk gewekt wordt dat ook Juliana op valse grond de naam en titel Nassau van Oranje aannam kan er niet langer gesproken worden van een koninklijk huwelijk,zelfs niet van een morganatisch huwelijk,maar slechts van een burgelijk huwelijk.Hiermee gaat het koningshuis als een sprookje uit.

In het verlengde zijn er nog een aantal onduidelijkheden:
1. Het geheime dagboek met de titel ‘MAAR MAJESTEIT” van Ritmeester A.W.P. Weitzel,minister van oorlog in het kabinet
Heemskerk van 1883-1888.
2. Waarom weigerde mr. J.Heemskerk , minister van Binnenlandse Zaken onder Willem III de Adelsbrief?
Willem III gaf Eleonore d’Ambre een adelsbrief als comtesse d’Ambroise,zonder ministerieel contraseign,dus ongeldig.
Hier een uittreksel uit het dagboek van Weitzel
Geheime dagboeken A.W.P.Weitzel.
pagina 5]
INHOUD
INLEIDING De merkwaardigheden van A.W.P. Weitzel. / 7

HOOFDSTUK 1 De landedelman van Het Loo. Mijn eerste ontmoeting met de koning. Majesteit is een verwoed Pruisen-hater. De ontplofbare kogel: een onmenselijk wapen. Met mijn benoeming tot generaal-majoor begint een reeks van onaangenaamheden met de koning. / 25

HOOFDSTUK 2 Mijn benoeming tot minister. Tussen conservatief en gematigd liberaal weinig verschil. De schoolstrijd. Waarom de vice-admiraal geen minister werd. Een wandeling op het Voorhout. Ontslag als minister; geen promotie tot luitenant-generaal. / 35

HOOFDSTUK 3 Karakterschets van de koning. Minister Jolles heeft slapeloze nachten. Onvolledige notulen: Majesteit mag niets weten. Duitsers doodschieten. Koningin Sophie en haar zoons. Angst voor rovers. Wilhelmus en Wien Neerlands Bloed. Geen geldgeschenk van de natie. Boos op Zwitserland. Mariniers naar Montreux? / 45

HOOFDSTUK 4 Amstel Hotel of paleis? Gevaren in het Haagsche Bosch en in Utrecht. Verspijck bevoordeeld. Majesteit is matig. Mademoiselle d’Ambre; het kabinet in opschudding. Het huwelijk gaat niet door. Schandaal in Franse en Nederlandse kranten. De koning bedroefd. Prinses Emma van Waldeck-Pyrmont. De Waterheid van ‘t Loo. / 67

HOOFDSTUK 5 Het huwelijk van prins Willem. De koning weigert. Jonkvrouw Mattie van Limburg Stirum. Overleg in de regering. Fransen van de Putte als pleitbezorger. Waarom de prins in Parijs bleef. Nieuwe Oranje-huwelijken. Brieven aan en van de kroonprins. / 93

HOOFDSTUK 6 Het karakter des konings – een zielkundige studie. Koningin Sophie overlijdt. Luxemburg doet verkeerd rouwbeklag. Een vergeefs beroep op het vaderlijk hart. Fransen van de Putte wordt geen minister. De prins sluit de vensters. Matties laatste brief. De dood van prins Willem. / 119

HOOFDSTUK 7 Opnieuw minister. Gesprekken met prins Alexander. Koloniën ad interim. Atjeh kan zo niet doorgaan. Majesteit wil Van Rees niet beëdigen. Verzoening met België: een luim des konings. Emma Regentes? Vrees voor demonstraties. Die ellendige socialisten! / 147

HOOFDSTUK 8 Een lief prinsesje. De koning ziek. Majesteit wil geen pamfletten zien. Zeventig jaar en Goddank gezond, maar geen luitenant-generaal. De conversie van 1886, het kabinet vraagt ontslag. De paarden van Wilhelmina op hol en doodgeschoten. Heemskerk weigert een adelsbrief. / 175

HOOFDSTUK 9 De Romanows en de Oranjes. Twee Keizers en de Laatste Stuarts. Russische karaktertrekken. De dood van de koning. Brieven aan het hof. Eenzaam maar niet alleen. Weitzel en de opvoeding van Wilhelmina. / 203

Vertaling van Franse teksten. / 213

Voor de erfopvolging is er een probleem volgens de Nederlandse Grondwet van 1848. Volgens de Grondwet van 1848 zou Adolf Willem Karel August Frederik, Prins van Nassau en Prins van Bourbon-Parma (de groothertog van Luxemburg) recht hebben gehad in 1890 op de Nederlandse troon en zelfs bij de huidige Grondwet (erfopvolging van Koning Willem I) zijn de afstammelingen van Adolf Willem Karel August Frederik, Prins van Nassau en Prins van Bourbon-Parma de rechtmatige troonopvolger(s) en dus zou Henri Albert Gabriel Félix Marie Guillaume, Prins van Nassau en Prins van Bourbon-Parma (de huidige groothertog van Luxemburg) nu Koning van het Koninkrijk der Nederlanden moeten zijn.

GRONDWET 1917
Artikel 11.
De Kroon gaat bij erfopvolging over op Zijne zonen en verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen bij recht van eerstgeboorte, met dien verstande, dat bij vooroverlijden van een rechthebbende diens zonen of verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen op gelijke wijze in Zijne plaats treden en de Kroon nooit in eene jongere lijn of een jongeren tak overgaat, zoolang er in de oudere lijn of den ouderen tak zoodanige nakomeling wordt gevonden.

Artikel 15.
Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der vier voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de wettige mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen van wijlen Prinses CAROLINA VAN ORANJE, zuster van wijlen Prins WILLEM DEN VIJFDE en gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Weilburg, op gelijke wijze als in artikel 11 ten opzigte van de nakomelingen van wijlen Koning WILLEM FREDERIK, Prins van Oranje-Nassau, is bepaald.

Salische Wet of Salische structuur zoals bij Adolf Willem Karel August en bij de overgebleven takken van het huis Nassau was overeengekomen in de ERNEUTER ERBVEREIN van 1783,bevestigd in 1815.

—————————-
Bron: Diversen.

BIJLAGE:
========

Landverraad.
Indien bij meerderen met steekhoudende argumenten onderbouwd, Bernhard, vóór en tijdens het Engeland Spiel als landverrader wordt bestempeld,kun je jezelf met de volgende informatie afvragen of niet de gehele “Koninklijke familie” hiervoor in aanmerking komt. Naar de feiten uitwijzen moet het contact tussen de de Regering in ballingschap te Londen en de collaborerende instanties en figuren tot stand zijn gebracht.De ‘Regering’ te Londen wordt uitsluitend waargenomen door de ongrondwettelijk en dictatoriaal optredende Koningin Wilhelmina. Bijgestaan door Prins Bernhard.
De algemene voorwaarden die aan de Parlementaire Enquêtecommissie zijn gesteld: “De handelingen van het Staatshoofd (Koningin Wilhelmina) kon en mocht de Commissie niet onderzoeken.” Gegrond op de absurde grondwet, dat de Koning onschendbaar is.

In 1933 wordt prins Bernhard lid van de NSDAP,SA en SS
In die hoedanigheid verkiest “Koningin Wilhelmina”deze Bernhard te koppelen aan haar dochter Juliana
Op 6 januari 1937 trouwen Bernhard en Juliana onder het spelen van het door Juliana aangevraagde Nazi Horst Wessellied,onder het uitbrengen van de Hitlergroet onder de gasten.

Zie de uitspraak van Wilhelmina, acht maanden na de Machtsübernahme van Hitler in Duitsland, in september 1933, waarbij zij sprak over de aanpassing bij de “gewijzigde wereldomstandigheden”, welke ons een “gelukkige toekomst” zouden brengen.

Nederland had op 14 mei 1940 gecapituleerd. De Nederlandse regering en koningin Wilhelmina vluchtten naar Londen, de secretarissen-generaal bleven achter als haar vertegenwoordiger bij de Duitse Rijkscommissaris Seyss-Inquart. Deze laatste constructie, die de werkelijkheid omschrijft – en die veel wonderbaarlijke zaken inhoudt en verklaart – wordt echter in de traditionele geschiedschrijving nooit zo voorgesteld. Als secretarissen-generaal zijn de collaborerende officiële vertegenwoor¬di¬gers van Wilhelmina in Londen bij Seyss-Inquart in Den Haag. De SS-generaal Rauter is Generalkommissar für das Sicherheitswesen (‘openbare orde en veiligheid’) en zur besonderen Verwendung, vorming van de openbare mening, en de uitvoering van bijzondere opdrachten van de Reichskommissar en de baas van het gehele SS-complex in Nederland. Seyss-Inquart had in juli 1940 aan Hitler al gemeld over de gedachte bij ‘enkele vooraanstaande lieden’ om in Nederland een ‘regent’ aan te stellen, waarbij het Reich de garantie zou geven Nederlands-Indië voor Nederland te behouden.

Het GROTE GEHEIM is, en moet blijven, dat koningin Wilhelmina en prins Bernhard, als de vertegenwoordigers van de multinational onderneming die ‘Huis van Oranje’ heet, hebben gecollaboreerd met Hitler, die de stroman van de Duitse en Amerikaanse multinationals was. In het Englandspiel was, in het vooruitzicht van de Duitse eindoverwinning, een Duits-Brits-Nederlandse collaboratie opgezet, waarbij de Kroon weer de beschikking zou krijgen over Nederlands-Indië, dat zou worden opgenomen in de Germaanse Nieuw Orde. Nederland zou dezelfde aparte positie krijgen toegewezen als die welke het in het Heilige Roomse Rijk had ingenomen.
Reeds in augustus 1940 schreef Wilhelmina aan Juliana over een “de kans” van en “regeling met de Duitsers, waarbij Nederland in een Duits Europa toch een zekere zelfstandigheid zou behouden, iets dat vooral speelde in de gedachte van de toenmalige premier in ballinschap De Geer,waarbij Wilhelmina hoopte vrij, zonder meer, met onbelemmerde mogelijkheden de noodzakelijke schoonmaak en opbouw tot stand te brengen.” En zonder Kamer om haar te hinderen “naar een zakelijke oplossing streven” .
Had koningin Wilhelmina niet al in de zomer van 1941 haar bewijs van instemming en aanmoediging voor die collaboratie geleverd? Aan H.L. Woltersom, de organisator van de collaboratie van het Nederlandse bedrijfsleven in zijn Commissie Woltersom. Zou Woltersom niet verklaren, dat hij het bewijs daarvan in zijn kluis had liggen? Waar Loe de Jong noch hem, noch Wilhelmina naar zou vragen?
Van alle concrete denkbeelden die aan de koningin voorgelegd werden, sprak haar op dat moment slechts één aan: dat prins Bernhard bij de bevrijding een belangrijke taak zou krijgen; zij meende (of wendde voor) overigens dat de taak van prinses Juliana nog belangrijker moest zijn en zond dienaangaande op 4 april 1941 aan haar dochter het volgende telegram: ‘Hier in overweging plan voor algemeen herstel bij thuiskomst. Wens jou en B(ernhard) leiding in handen te geven. Stel voor, jij voorzitter commissie van herstel op economisch en militair gebied’ (economisch èn militair: de door Gerbrandy voorgestelde combinatie). ‘B(ernhard) vice-president en commissaris-generaal, omgeven door deskundige werkkrachten. B(ernhard) ermee eens, met restrictie dat je je niet verplicht alle vergaderingen bij te wonen omdat anders geen tijd voor familie. Dit brengt mee dat jullie samen rondgaan om je op de hoogte te stellen van verwoestingen en leed en mij verslag uitbrengen.
Minister president Gerbrandy in ballingschap (opvolger van de Geer), die in die tijd bij zijn beleid voortdurend rekening houdt met de wensen van de koningin (men denke aan de geheime nota over het naoorlogs staatsbestel die hij haar in april voorlegde), kon niet voorbijzien aan het feit dat in januari vijf ministers zich voor de tweede maal uitgesproken hadden ten gunste van het onzalige denkbeeld, de regeringszetel naar Indië te verplaatsen.”

Bernhard zou op 24 april 1942 een brief aan Hitler hebben geschreven,waarin hij Hitler voorstelde namens hem als stadhouder Nederland te regeren (de stadhouders brief.)

In een telegram van Wilhelmina aan Bernhard en Juliana schrijft zij:wij moeten ons er goed van bewust zijn, dat aanvankelijk wordt gemikt en gehoopt op de Duitse eindoverwinning. En dat Hitler dan door een gematigder figuur zal worden vervangen. Volgens de opzet van Hess en Hitler zou Hess die figuur zijn.

In 2001 verschijnt van het boek Double Standards. The Rudolf Hess Cover-UP. Geschreven door Lynn Pichnett, Clive Prince, Stephen Prior en Robert Brydon.( Het boek Double Standards. The Rudolf Hess Cover-UP is in de herfst van 2001 in het UK juridisch verboden, door de uitgever uit de markt genomen en vernietigd) Nu is er weer een gekuiste versie in Engeland uitgegeven.

De omslag van dit boek is versierd met foto’s van Hess en zijn zoontje, van de Engelse koning George VI en de koningin Mary, van de hertog van Kent, van Hitler en van Churchill. Men begrijpt dus in een enkele oogopslag de gehele context.
Opvallend is, dat bij de Nederlandse uitgave van het boek elke binding met het koningshuis is vermeden. Slechts een nauwelijks herkenbare foto van Hess siert de omslag. Waarschijnlijk om elke gedachte aan een relatie van het Nederlandse koningshuis, Wilhelmina en Bernhard en de Hess-affaire, te kunnen ontlopen. Terwijl die mogelijkheid in het boek even wordt aangetipt.
In het boek is ontmaskerd hoe, en vooral waarom, Rudolf Hess naar Engeland was gekomen op 10 mei 1941 in de avond, in een vliegtuig bestuurd door hemzelf, een ster in de vliegwereld.
Hess was de ‘éminence grise’ van Hitler, en hij kwam in volledig akkoord met hem, om voorstellen te doen voor een afzonderlijke compromis-vrede. Het was niet de gek, zoals hij in de officiële geschiedenis wordt voorgesteld, maar een heel intelligente persoonlijkheid die heel goed wist waar hij mee bezig was, en dat goed wist uit te leggen aan zijn wederpartij – leden van de ‘vredesgroep’, en vertegenwoordigers van Churchill.
Hij legde het zo goed uit, en werd zo goed ontvangen, dat niet alleen de ‘vredesgroep’ die hem verwachtte en die zijn aankomst had voorbereid, maar ook Churchill er op hebben gereageerd.
In de ‘vredesgroep’ namen deel onder andere de koning George VI van Groot-Brittannië, zijn broer de prins George, hertog van Kent, de hertog van Hamilton (op wiens landgoed Hess had moeten landen op de verlichte landingsbaan), verscheidene directeuren van grote ondernemingen, met name de ‘Royal Dutch’/Shell – en (dus) koningin Wilhelmina en haar rechterhand prins Bernhard.

Extra:

NW 7 was de spionage-afdeling van IG Farben die onder leiding stond van Max Ilgner, een goede kennis van Bernhards moeder prinses Armgard. De Abwehr was de Duitse (contra-) spionagedienst onder leiding van admiraal Wilhelm Canaris. Prinses Armgard en haar huisvriend (”kolonel”) Pantchoulidzew golden als informanten van beide organisaties
Toevallig was Bernhard in dienst vanIG Farbe en NW7 sinds 1935 en het was deze “prins” Bernhard, die zelf onder de codenaam “Observator” inlichtingen naar Berlijn doorprikte voor en gedurende de oorlog ‘40-‘45.
Volgens Oranjehistoricus J.G. Kikkert, die als bron de geheim agent Pieter Brijnen van
Houten opvoert, bezocht Bernhard zelfs in 1943 Argentinië waar hij te gast was op het
landgoed van een zekere Juan Zorreguieta, de opa van Maxima.
Argentinië was in de Tweede Wereldoorlog en daarna onder het bewind van Juan en Eva
Perón een vriend van nazi-Duitsland. Perón en zijn vrouw zouden samen met Argentijnen
van Duitse afstamming na 1945 zorgen voor een veilige thuishaven in Argentinië voor de
vele Duitse en andere Europese nazi’s.
Hierbij speelde de KLM (in handen van “Oranje”)een sleutelrol als het ging om het vervoeren van de nazi-kopstukken en Bernhard was ook weer flink gelieerd aan de KLM destijds, als ook Hoogovens en Fokker. Bernhard was na de oorlog namelijk commissaris bij de KLM en had dus ook wetenschap van de nazi-vluchten. Er zijn zelfs geruchten dat hij zelf een keer aan de stuurknuppel van een vliegtuig gezeten zou hebben om een persoonlijke nazi-vriend over te vliegen.
Een ander interessant feit is dat de vrouw met wie prins Bernhard in 1952 een buiten-
echtelijk kind kreeg, de dochter is van Wernher von Braun (een belangrijke
raketwetenschapper in nazi Duitsland(sturmbannführer) en werkte na de oorlog o.a. bij het Amerikaanse leger en NASA) en Hannah Reitsch (een bekende nazi testpilote).
Maar de vrouw met wie Bernhard in 1952 een buitenechtelijk kind kreeg kan toch
niet de dochter van Wernher von Braun zijn? Of toch?
Verder onderzoek heeft geleid tot het juiste verhaal,wat geheim moest blijven
Op Wikipedia wordt vermeldt dat deze vrouw een onbekende Duitse pilote zou zijn.
Waarom kan dit niet de dochter van Wernher von Braun zijn?
Wernher von Braun, een zoon van Baron Magues von Braun en Barones Emmy von Quistorp trouwde in 1947 met Maria von Quistdorp (zijn nichtje) en kreeg 3 kinderen
2 dochters en een zoon en deze werden achtereenvolgens geboren in 1948/1952 en 1960.
Geen van de dochters kan dus de moeder zijn van het buitenechtelijk kind van Bernhard zijn. Wat nu?
Als we een stukje doorgaan met ons onderzoek….welke vrouw was een Duitse pilote in 1951….er was er maar één…namelijk Hannah Reitsch, deze was 1.54 meter groot en had rood haar.Hanna Reitsch was een bekende Duitse Nazi testpilote.
Reitsch studeerde voor arts toen zij in 1931 haar studies opgaf om tespilote te worden. ….ook dit is opmerkelijk te noemen…….of was er iets anders aan de hand ? Zij had zweeflessen in 1931 te Gruna waar een zweefvliegveld was…en ontmoette daar Wernher von Braun , die werd haar vriend…ze hadden een nauwe band samen en wel een heel nauwe….één jaar later was zij in verwachting………in 1932 is de geboorte van haar éérste kind.Deze zwangerschap en geboorte zijn allemaal geheim geweest.Nergens wordt er iets van vermeld.En vooral wie was de vader van het kind? U raadt het al Wernher von Braun.
In 1951 komt een Duitse jong meisje van 19 jaar, genaamd Alicia Webber???(een verbastering van haar vaders naam Wernher) en dochter van Hanna Reitsch naar Mexico City , die door haar vader naar de USA is gehaald ( haar vader Wernher von Braun dus )…dit meisje (Alicia Webber) ontmoet een zekere Prins Bernhard …en het Duitste meisje raakt zwanger….van een prins die haar imponeert…en met dollars smijt.
En op 21 juni 1952 wordt geboren …….Alicia de Bielefeld(aanvankelijk geboren met de achternaam Webber )…de buitenechtelijke dochter van Prins Bernhard.En wat een toeval dat meisje heeft ook weer dezelfde kenmerken als haar oma Hanna Reitsch(de Nazi testpilote dus) n.l 1.59 meter groot en rood haar.
Verhip was die Alicia Webber toch de dochter van Wernher von Braun en zo had Alicia Hala de Bielefeld geboren 21 juni 1952 te San Francisco plotseling twee beroemde en zeer bevriende Nazi’s in haar familie.
1. Wernher von Braun als haar Opa en Hannah Reitsch als haar Oma.
2. Bernhard von Lippe Biesterfeld als haar vader.

Toevoeging:
Wanneer blijkt dat de latere Willem III niet de vader is van Wilhelmina(maar S.M.S. de Ranitz) en Juliana een dubieuze vader heeft en er zelfs grote vraagtekens zijn bij de moeder, dan moet worden geconcludeerd dat deze familie “fake” is en Beatrix géén Koningin genoemd kan worden,hetgeen alle koninklijke besluiten hun rechtsgeldigheid aanvechtbaar maken.

Wilhelmina en Juliana
De vijf miskramen van Wilhelmina hingen samen met de door haar opgelopen syfilis. Naar buiten werd meegedeeld dat het tyfus was.Wilhelmina was in feite net als prins Hendrik tot na 1910 ook onvruchtbaar door haar syfilis.In ieder geval had zij 5 miskramen. Een effectieve behandeling van Syfilis was pas na 1910 mogelijk middels het toen ontdekte middel Salvarsan. Wie is de biologische vader en nog belangrijker wie is de biologische moeder van Juliana.Er is immers sprake dat Juliana zou zijn geadopteerd.
Is dit o.a. de reden voor weigering van een DNA onderzoek en is men daarom druk bezig met een statuut waarin de “erfelijke” troonopvolgers niet meer zoals in de Grondwet staat van Willem I moeten afstammen,maar van Juliana. (Let op: zelfs niet meer van Wilhelmina of Willem III)

1st March 2011 geplaatst door Pegasus

De Stamboom van “Oranje” ?
STAMBOOM_VAN_ORANJE

 

Hoe word je staatshoofd.

 

Laten wij in eerste instantie op een rijtje zetten op basis waarvan iemand staatshoofd van een land zou kunnen worden. Hieronder een aantal mogelijkheden:

Iemand wordt door volksraadpleging voor de functie gekozen;
Iemand wordt op een andere, veel mindere democratische wijze gekozen, bijvoorbeeld via een parlement of een staatscommissie;
Iemand is als gevolg van hoge intelligentie als enige in staat de functie te vervullen;
Iemand kan door buitengewone gaven als beste in staat worden geacht de functie uit te oefenen;
Iemand is door bijzondere managementkwaliteiten als beste in staat een land te besturen;
Iemand is door zijn bijzondere sociale kwaliteiten de aangewezen persoon staatshoofd te zijn;
Een schatrijk persoon zou door omkoping zijn doel kunnen bereiken;
Door middel van een staatsgreep zou iemand zich de functie kunnen toeëigenen;
Er is op democratische wijze een wet tot stand gekomen waardoor iemand tot staatshoofd kan worden benoemd;
Er is zonder volksraadpleging een wet tot stand gekomen, waarin een bepaalde familie is aangewezen om het staatshoofd te leveren.
Welnu, naar onze mening benadert de laatste “optie” het beste de realiteit in ons land. In de grondwet van 1848 is vastgelegd dat op basis van erfelijkheid de nazaten van Willem Frederik, de zoon van de door de Patriotten verjaagde stadhouder Willem V Batavus[i], uitsluitend recht op de troon hebben.

Maar dat houdt tegelijkertijd in, dat de familie die het staatshoofd mag leveren en de daaraan gekoppelde privileges geniet, een antecedentenonderzoek dient te ondergaan en op zijn minst de kandidaat te onderwerpen aan een psychologisch vooronderzoek. Bovendien moet onomstotelijk vast komen te staan dat de kandidaat aan de grondwetttelijk voorgeschreven eisen[ii] voldoet. In Artikel 26 Grondwet wordt bijvoorbeeld voorgeschreven, dat als de koning komt te overlijden voordat zijn opvolger is geboren, die nakomeling reeds automatisch is aangewezen als wettig troonopvolger. Geen twijfel bestaat er derhalve over, dat alleen een kind van de koning in aanmerking kan komen voor het erfelijk vervullen van het koningsschap en de functie van staatshoofd.

Dat betekent dus, dat aan de hand van de stamboom van de familie “Van Oranje-Nassau” kan worden bepaald wie grondwettelijk in aanmerking komt en/of is gekomen voor de functie van staatshoofd, uit hoofde van het erfelijk koningsschap.

De stambomen soep
Daarom komen wij nu terug op de vraag hoe het nu mogelijk is, dat gerede twijfels bestaan omtrent de “interpretatie” van deze stamboom en wij er vast van overtuigd zijn, dat de wetgeving gebaseerd op deze stamboom van nul en generlei waarde zal blijken te zijn, mits door technologisch onderzoek een en ander kan worden weerlegd. Bovendien moet in acht worden genomen, dat de afstamming diende te geschieden volgens de mannelijke lijn.(Salische Wet en Castiliaanse Stelsel)

De Lijn Willem van Oranje

 

Wat de Nederlanders psychologisch wordt aangepraat vanaf de eerste schoolklassen is, dat Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands, de stamvader is van de dynastieke Oranje-Nassau familie, tot en met de kinderen van W.A de Overbodige. Dit is een aanname, die vaak op zijn beloop wordt gelaten, maar die echter door simpel onderzoek eenvoudig is te ontzenuwen. De huidige familie die het staatshoofd mag leveren stamt NIET af van Willem van Oranje. Is dit belangrijk? Nee, dit is niet belangrijk, want er is geen wet die refereert aan Willem van Oranje. Het is alleen belangrijk voor het in stand houden van het sprookje, de mythe van de verbondenheid van de huidige familie via Willem van Oranje met Nederland. Eerder publiceerden wij reeds over de ware aard van Willem van Oranje, maar ook van zijn achterkleinzoon, Stadhouder-Koning Willem III, de laatste telg van de dynastie, die in 1702 uit is gestorven. De titel Prins van Oranje ging formeel over op Lodewijk Armand II de Bourbon Conti.De wettige erfgenaam van Willem III (1702) was in eerste instantie zijn VOLLE neef Frederik III (1657-1713)keurvorst van Brandenburg en in tweede instantie Frans Lodewijk van Bourbon-Conti. In de geschiedenis boeken wordt vermeld dat Johan Willem Friso van Nassau Dietz als achterneef van Willem III de titel van prins van Oranje als enig erfgenaam erfde. Dit is een aperte leugen, want zelfs het Huis ten Bosch en Paleis Noordeinde vielen in Pruisische handen. In Engeland werd Stadhouder-Koning Willem III opgevolgd door Anne de zuster van zijn overleden vrouw Mary Suart, terwijl Frederik III, ook bekend als Frederik I Koning van Pruisen, zichzelf uitriep tot “Prins van Oranje” met een beroep op het testament van stadhouder die bepaalde dat bij het uitsterven van de mannelijke lijn van Oranje al zijn bezittingen zouden vererven op de nakomelingen van zijn oudste dochter Louise Henriëtte en wel uitsluitend de mannelijke lijn. En deze Louise Henriëtte was de moeder van Frederik I, koning in Pruisen. Het prinsdom Orange ging echter over op het huis Bourbon-Conti en in hun naam verdreef Koning Lodewijk XIV in 1703 alle protestanten en lijfde de stad in.

Hoe duidelijk het testament van Stadhouder-Koning Willem III over de titel van Oranje naar Frederik III was, blijkt uit het feit dat door het aanvechten van dit testament Johan Willem Friso slechts Fl. 50.000,- (één zestiende deel) van het Fl. 800.000,- vermogen kreeg toegewezen.

De Lijn Jan de Zesde

Veel meer dan zijn broer Willem van Oranje is Jan de Zesde (vermeend)stamvader van het geslacht wat hier zo lang het staatshoofd heeft geleverd. De zoon de lijn van opvolging van Jan VI was Ernst Casimir die trouwde met Sophie van Brunswijk. Deze Ernst Casimir was het 12de kind en de 7de zoon van Jan VI en was van 1620-1632 stadhouder van Friesland. Dat is een vreemde situatie, want eerst in 1675 verklaarden de Staten van Friesland het stadhouderschap erfelijk voor het huis Nassau-Dietz. Daarnaast was Hendrik Casimir II Stadhouder in de republiek, maar hij liep over naar de Fransen in verband met een ruzie Willem van Oranje. Hij was dus naar toenmalige maatstaven een deserteur. Toen Stadhouder-Koning Willem III is overleden is na lang touwtrekken de lijn met terugwerkende kracht voortgezet over de enige link met Willem van Oranje, namelijk zijn kleindochter Albertine Agnes van Oranje. De juiste benaming van deze lijn is de Stamboom van Willem Frederik van Nassau Dietz. Deze lijn stopte bij de geslachtelijke afwijking van stadhouder Willem IV (hij leed aan fimosis), waardoor de dynastie genoodzaakt werd de hulptroepen in te roepen, n.l. Douwe Sirtema van Grovestins kon uitstekend overweg met de vrouw van de ongelukkige stadhouder. Is dit belangrijk? Nee, wettelijk gezien nog steeds niet, immers nergens wordt wettelijk gerefereerd aan Jan de Zesde of diens nakomelingen. Wel belangrijk is het om te weten dat de huidige vermeende “koninklijke familie” niet van Willem van Oranje afstamt, maar dus ook niet van Jan de Zesde van Nassau-Dillenburg, zijn jongere broer.

De Lijn Van Grovestins-Hannover


Willem V –

 

Door de huwelijkse ingreep van Douwe Sirtema van Grovestins, vrijmetselaar te Leeuwarden en een tweede vader voor de latere stadhouder Willem V met treffende gelijkenis, zijn we genoodzaakt de lijn te benoemen als hierboven. Het is belangrijk om te weten dat de kleinzoon van Anna van Hannover en Grovestins de latere koning Willem I der Nederlanden is. Met deze door een staatsgreep aan de macht geholpen koning Willem I, die zichzelf in 1815 tot “soeverein vorst” uitriep, begint ook het grondwettelijk regelen van de erfopvolging. Ook de strekking van de Grondwet van 1848 verwijst expliciet naar salische wetgeving, hetgeen inhoudt, dat erfopvolging door de mannelijke lijn dient te geschieden. Deze lijn Van Grovestins-Hannover wordt voortgezet tot en met koning Willem III, die wegens zwaar doorgezette inteelt zijn kinderen en vrouw overleeft en vervolgens met de 41 jaar jongere Emma trouwt.

De lijn De Ranitz-Waldeck Pyrmont

—————————————-S.M.S. De Ranitz ————————————-zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Sebastiaan_Mattheus_Sigismund_de_Ranitz 
Hoe belangrijk en invloedrijk de biologische vader van Wilhelmina(tenzijn DNA anders uitwijst), dhr. S.M.S. de Ranitz aan het hof was,blijkt uit de volgende gebeurtenis: Het betreft hier de opening van een expositie door Willem III.
Koning Willem III had een liaison gehad met een zekere Madelle d’ Ambre en wilde daar zelfs mee trouwen,wat hem werd verboden. Nu was de Koning met madelle d’Ambre in aanmerking gekomen door bemiddeling van Madm. d’Agoitini, de vrouw van de voorzitter van het tentoonstellingscomité. Toen Z.M. vernam, dat die M.d’Agoitini President van het comité was, werd hij woedend en zeide hij, dat hij het verdomde de expositie te openen. Daar zaten de lui met de handen in het haar. De gezanten en de leden der verschillende comités waren aanwezig en wachtten de bepaling van het juiste uur en toen moest het comité hun mededelen, dat hun was gemeld, dat Z.M. de plechtigheid niet wilde bijwonen en de expositie niet zou openen. Natuurlijk grote woede van de zijde der gezanten, die expres voor de gelegenheid waren overgekomen en grote verlegenheid van het comité. Verscheidene gezanten waren zo woedend, dat zij order aan de exposanten hunner landen gaven, om de boel weer in te pakken en zich van deelneming te onthouden. Wat dacht die Koning van een landje als Nederland wel, dat hij de vertegenwoordiger van Engeland en Frankrijk en andere grote landen voor de gek kon houden. Dan maar alles sluiten en weg. Het comité was geheel verslagen. Sluiten der expositie nog voor die geopend was of halve deelneming, betekende voor hen pure perte der gestorte gelden, die besteed waren om de zaak in orde te brengen. Er moest dus iets op gevonden worden. Het comité vergaderde permanent en eindelijk werd besloten een brief aan de Koning te zenden, om hem te verzoeken alsnog van besluit te veranderen en de expositie te openen. Aan M. Kappeyne werd opgedragen een brief op te stellen, die dan door de heren van het comité ondertekend aan Z.M. die reeds in Amsterdam was, zou worden gezonden; staande de zitting werd een brief door M. Kappeyne opgesteld, maar toen de heren die onder de ogen kregen, vonden zij de brief in zo kraane bewoordingen gesteld, dat zij bezwaar maakten hun naam er onder te zetten, waarop Kappeyne, die voor geen kleinigheidje vervaard was zeide: “dan zet ik, als de heren het goed vinden alleen mijn naam er onder, in kwaliteit van Secretaris. Dit geschiedde en Kappeyne en verzocht en verkreeg toegang tot Jhr. de Ranitz. Deze was het met het comité eens, dat er iets moest geschieden. Hij lachte wel even toen hij de woorden onder ogen kreeg, vond de uitdrukkingen ook wel wat kras, maar verzocht de brenger van de brief even te wachten en hij zou onmiddellijk vragen de Koning te spreken. Toen Z.M. de brief inzag werd hij woedend, frommelde het papier in een bal en smeet die in een hoek van de kamer. Kalm raapte de Ranitz de brief op, streek die glaad en legde hem weer voor de Koning neer. Nog eens dezelfde manoeuvre en weer herhaling van de handeling van het glad strijken. Eindelijk nam de Koning een potlood en met een woedend gelaat werd dwars over de brief geschreven “accoord”. Dat wilde dus zeggen, dat de Koning toegaf, de Ranitz had slechts de vorm te vinden.

 

Doordat deze koning Willem III aan syphilis leed, was hij niet in staat nageslacht te verwekken,althans niet meer op deze leeftijd, derhalve werd het tweede eskader hulptroepen ingeroepen, de ambtelijke secretaris van de koning S.M.S. de Ranitz.(Hiervoor is ook als biologische vader Jhr.mr.Joan Roëll {1844-1914} genoemd,doch dit is om meerdere bekende redenen volkomen ongeloofwaardig)de toondoofheid van Wilhelmina en de Ranitz is meer overtuigend) {Voor het redden van de dynastie fraudeerde Willem III bij de aangifte in het bevolkingsregister, door niet naar de strekking van de Grondwet etc. te stellen dat op dinsdag 31 augustus 1880 des avonds om zes uur, Wilhelmina Helena Paulina Maria,mitsgaders datzelfde kind een dochter is van Hem, Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk,koning der Nederlanden en Emma van Waldeck Pyrmont, terwijl hem bekend moet zijn geweest dat hij niet de biologische vader was en met die verklaring indruiste tegen de Grondwettelijke, regels Salische wet en Castiliaanse stelsel voor troonopvolging} Als gevolg van deze kunstgreep is Wilhelmina geboren en ontstond zo de lijn De Ranitz-Waldeck Pyrmont. Algemeen wordt aangenomen dat toondoofheid erfelijk is, Wilhelmina leed daar aan, De Ranitz ook, maar haar vermeende ouders niet. Wilhelmina huwde prins Hendrik, die bleek aan syphilis te lijden, als gevolg waarvan Wilhelmina vier miskramen op rij moest doorstaan, alvorens Juliana werd geboren.

Hier stopt de lijn De Ranitz-Waldeck Pyrmont, immers door haar syphilis kon Wilhelmina geen kinderen krijgen, bekend is dat zij het Hendrik bijzonder kwalijk nam, dat hij die overdraagbare aandoening bij zich had en na Juliana volgde de laatste miskraam. Vanaf het begin is de geruchtenmachine op gang gekomen, dat Juliana door Wilhelmina is geadopteerd van een moeder uit Soest. Deze hardnekkige geruchten houden nog steeds aan en slechts DNA onderzoek kan uitsluitsel geven.Maar er is meer: Volgens Mr. Carry Hamburger van Knoops & Partners [de juridische bron] zou Maria (Claire) Jacoba Roovers die volgens de Burgerlijke Stand van de gemeente Ginneken is geboren 11 maart 1927 een onwettige dochter van Juliana zijn,echter door prins Hendrik in februari 1926 verwekt en actueel in november 1926 geboren.


———————————-Maria Claire Roovers —————


———————————————Juliana 20 april 1926 3 maanden zwanger? ——————————

De overname van de Oranje-rechten.

 

Met het verschijnen van Bernhard zur Lippe Biesterfeld is definitief een einde gekomen aan de oranje-dynastie of wat daar voor heeft door moeten gaan. De vrijheden die deze op zichzelf al chantabele prins zich heeft kunnen aanmeten, zijn als volgt te verklaren:

de wetenschap van de adoptie van Juliana;
de wetenschap van de criminele, seksueel-pedofiele escapades van Hendrik en het afkopen van schandalen door Wilhelmina;
de wetenschap dat De Ranitz de vader was van Wilhelmina;
De zaken die hij heeft geregeld voor deze nieuw opgezette dynastieke lijn zijn eveneens opvallend te noemen:

desertie en landverraad, voorafgaande aan de collaboratie met Nazi-Duitsland tijdens de bezetting;
het uitroeien van zoveel mogelijk “links” verzet vlak voor de bevrijding in 1945;
het samen met schoonmoeder Wilhelmina uitvoeren van de staatsgreep van 1945 ten behoeve van Juliana;
door connecties met Rothschild/Warburg/Mellon/Dupont elementen organiseren van subversieve activiteiten, zoals de Bilderberg conferenties, de Gladio-organisatie en het Wereld Natuur Fonds;
het arrangeren van huwelijken, zoals van zijn oudste dochter Beatrix met die vreemde Klaasje I en zijn oudste kleinzoon Willem Alexander met een vreemde Argentijnse.
Tenslotte
Waar we nu mee hebben te maken is een familie die het staatshoofd levert, maar die niets meer met de Oranje-Nassau’s heeft uit te staan. Er hoeft wat ons betreft geen diepgravend onderzoek naar afstamming meer plaats te vinden. Er is nimmer bewijs geleverd door de huidige familie dat zij rechten kunnen laten gelden op ‘s lands hoogste positie. Grondwettelijk dienen zij af te stammen van koning Willem I. Zij hebben geweigerd het sluitende bewijs te leveren door geen DNA test ten behoeve van de identificatie van de Romanov Tsarenfamilie toe te staan. Alle twijfel kan op die manier worden weggenomen, maar men heeft het (heel verklaarbaar) niet willen doen..

Door de medeplichtigheid van de politieke kaste in dit land is het ondoenlijk om recht te halen via de normaal gangbare paden. Degene die de wetten tekent, zal geen wet tekenen die indruist tegen de (financiele) belangen van deze familie. Er is in dit land geen scheiding der machten. De grondwet is volledig verkracht door allerlei nood- en reparatiewetjes, waar het beruchte Koninkrijksstatuut er één van is. Er is géén Constitutioneel Hof , zoals in vrijwel alle andere landen ter wereld, om te waken over de grondrechten van de bevolking, de belastingbetalers, degenen die het circus financieren. Alle ambtenaren en bestuurders in openbare dienst zijn benoemd bij koninklijk besluit en dienen de eed van trouw aan de koning af te leggen. Nederland heeft geen regering maar een kabinet die slechts één familie ten dienste staat, op het moment dat hun belangen in het geding zijn. Er is nog nooit een wet getekend door het staatshoofd, die tegen het belang van hetzelfde staatshoofd in gaat.


Bij bezuinigingen wordt de werkende burger verder uitgemolken, de grote corporatieve multinationals betalen in dit land al geen belasting meer. Het staatshoofd met de vele petten dient de burger niet, maar slechts haar eigen belang.

Terug naar de stamboom-verzameling.

Met een stamboom zoals we die boven hebben omschreven is de kans dat honderduizenden Nederlanders met recht op de troon even groot mag worden ingeschat. Iedereen heeft een stamboom en gegarandeerd, dat we elkaar ooit eens ergens in de middeleeuwen tegen komen. Maar wij zouden ons er voor schamen om in één adem met deze kliek te worden genoemd. Ze hebben van hun stamboom door de eeuwen heen een machtige puinhoop gemaakt, er is mee gefraudeerd en er worden sprookjes aan opgehangen, tenzij onafhankelijk DNA onderzoek anders uitwijst

Wat ons betreft is die verzameling genetisch uit elkaar gefokte en administratief weer in elkaar gefrommelde verzameling “koninklijke” stambomen verworden tot………. een bosje kreupelhout, meer niet.

Note:
Wilhelmina kreeg voor 1909 vier miskramen die samen hingen met haar aannemelijk syfilis.(Op 4-5-1902 zou een zoon dood geboren zijn) Naar buiten werd meegedeeld dat tyfus de oorzaak was. Syfilis of Lues Venera had in die tijd een noodlottige afloop en door litteken weefsel onvruchtbaarheid. April 1909 was er volgens geluiden sprake van adoptie van Juliana. Diagnostisering van syfilis werd eerst 1906 wereldkundig gemaakt (August Wassermann) Op 31 augustus 1909 werd Salvarsan 606 (Arsphenamine) op een konijn uitgetest en in 1910 werd het zeer giftige en niet werkende middel Salvarsan op de markt gebracht en probeerde Wilhelmina nogmaals een “eigen”kind te krijgen. Dit werd de vijfde miskraam. Tenslotte werd eerst in 1928 het werkende middel penicilline ontdekt.
Een wederom ongeloofwaardig verhaal welke eerst nu, in 2011, de ronde doet moet ons doen geloven dat een dierenarts Dr. Poels, Hendrik van zijn syfilis heeft afgeholpen, zodat Juliana verwekt kon worden. Honderd en twee (102) jaar later,wanneer de roep om DNA bewijs groter is geworden, wordt de “koninklijke”propaganda machine in werking gesteld om alsnog te redden wat er te redden valt, terwijl het heel éénvoudig en snel kan worden aangetoond middels onafhankelijk DNA onderzoek. Waarom dit niet gebeurt kunt u raden.

In 1901 trouwde Wilhelmina met Hendrik van Mecklemburg Schwerin. Maar met dit huwelijk dreigde het element “Nassau” uit de naam “Van Oranje Nassau” verloren te gaan. Door (ten onrechte) een beroep te doen op een verdrag uit 1736 werd dit voorkomen. Dit verdrag was een soort convenant, afgesproken tussen de verschillende takken van het Huis Nassau, dat de naam te pas en te onpas mocht worden gebruikt door afstammelingen van dat Huis Nassau. Wilhelmina was echter geen bloed afstammeling(lees biologisch kind) van het huis Nassau,zoals we hierboven beschreven. Ook hier werd weer gekunsteld met namen als “van Oranje”en “Nassau”. Beide namen zijn derhalve onrechtmatig toegeëigend.

Door de volgende zaak met dit in het achterhoofd te interpreteren, moeten wij tot de conclusie komen, dat er alle mogelijke moeite is gedaan om de werkelijkheid bij ons weg te houden. Want bij koninklijk besluit( besluit 8 jan. 1937 No 5 en besluit 26 oktober 1937 Stb 5) heeft Wilhelmina in 1937, vlak voor het huwelijk van Juliana met Bernhard zur Lippe B. bepaald, dat alle kinderen van prinses Juliana de naam “Van Oranje Nassau” zou worden gedragen, “met en benevens den naam, welke Zij aan het Geslacht van Hunnen Vader ontlenen”. 

Maar hoe zat dat dan met Juliana? Moest zij dan niet de naam Harer Vader dragen? Moest zij dan niet de naam hebben “Prinses” (“van Oranje Nassau Von Mecklemburg-Schwerin”?) M.a.w. wie is de vader van Juliana en misschien nog belangrijker, wie is de moeder. De rechten van geadopteerde (bastaard) kinderen werden eerst na de geboorte van Wilhelmina en Juliana en zelfs Beatrix van kracht. De huidige familierechtelijke betrekkingen genoemd in artikel 197 van het Burgerlijk Wetboek werden door Juliana in een overgangsWet bekrachtigd op 3 april 1969 in het nieuw Burgerlijk Wetboek. Eerst in een WET van 14 maart 2002, houdende regeling van het conflictenrecht inzake de familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming (Wet conflictenrecht afstamming) werden naast de strekking van de Grondwet nadere regels toegevoegd,welke voor betreffende datum dus NIET van kracht waren.


In 1983 werd de erfopvolging tevens (wederom in eigen belang) aangepast in:
Het koningschap gaat over op de wettige nakomeling van de koning, waarbij het oudste kind voorrang heeft. Sinds 1983 wordt er geen onderscheidt meer gemaakt tussen zonen en dochters. (Vóór deze datum dus duidelijk wel)

Extra note:
Er wordt nog graag geschermd met de stamboom van Emma van Waldeck Pyrmont (moeder van Wilhelmina) Deze Emma zou zowel via de bloedlijn van haar vader als via die van haar moeder van Willem IV afstammen via diens dochter “prinses”Carolina (van Oranje). We onderzoeken die bloedlijn en constateren het volgende;
Inderdaad is men primair geneigd te geloven dat zij van twee kanten zou afstammen van Willem IV (1711-1751)
De vraag is echter waarom heeft Carolina maar één naam en droeg zij niet zoals gebruikelijk in die kringen de tweede voornaam Wilhelmine.
Heel eenvoudig men wist in die kringen dat zowel Carolina als haar broer Willem V een bastaard was, omdat Willem IV geen geslachtgemeenschap kon hebben door fimosis, waardoor de “stand in” stalmeester Douwe Idzard Sirtema van Grovenstins is gebruikt. PSP kamerlid Van der Spek (1980)noemde het huis van ”Oranje” altijd al een biologische kunstgreep en bedoelde daar met name mee dat Willem V geen zoon van Willem IV zou zijn.Onder anderen was Willem IV homosexueel en had de aandoening fimosis gepaard gaande met chronische ontsteking van het preputium van de micropenis.Echter voor troonopvolging heeft men wel doen geloven dat Willem V een echte afstammeling was. Carolina zou als meisje overigens volgens de Salische Wet nooit in aanmerking kunnen komen.(opvolging volgens de patriarchale mannelijke lijn en daarnaast werden bastaard kinderen volledig uitgesloten).
Tijdens een interview gaf de ECHTE oranje kenner Jan Kikkert reeds te kennen dat de familie van Amsberg GEEN nazaat zijn van Nassau noch van Oranje
Emma was niet meer dan een afstammeling van een stalmeester langs beide kanten,via de bastaard Carolina, die men voor het gemak maar Carolina “van Oranje” noemde.Daarnaast zou Emma naar de strekking van de Grondwet indien zij wel van de juiste bloedlijn was voorzien als vrouw geen enkele aanspraak op de troon kunnen maken. Zelfs niet als regentes.

Omdat er in 1890 nog geen mogelijkheid was voor DNA onderzoek in de huidige vorm,was het schijnbaar mogelijk middels fraude Staatshoofd te worden en is er sprake geweest van een onbewuste Staatsrechtelijke dwaling die in de huidige tijd op grond van artikel 42 lid 2 G.W. en in het verlengde artikel 119 resp. 178, DNA onderzoek vereist.

Naschrift
Prins Henrik moest slechts dat doen waarvoor hij was ingehuurd, er voor zorgen dat Wilhelmina kinderen kreeg .Dit inhuren wordt nog eens verduidelijkt als opmerkelijk en tevens veelzeggend is dat Wilhelmina vlak na de oorlog het huwelijkscontract (waarschijnlijk een morganatisch huwelijk) tussen haar en Hendrik terug kreeg van een hoge Duitse Militair. En daar schortte het hem nu juist aan, zo bleek. De eerste periode van het huwelijk leek zo hoopvol. Wilhelmina bleek al gauw in verwachting te zijn, maar ze kreeg een miskraam als gevolg van een besmettelijke ziekte. Tyfus, liet men “naar buiten” weten.(aannemelijk is dat het hier ging om syfilis) Haar vroegere minister-president hoorde van de gebeurtenis in de “zijlijn” en schreef in zijn dagboek er over: “… 13 April 1902. De Koningin schijnt ongesteld te zijn, althans de prins die naar IJmuiden zou gaan, heeft dit afgezegd en zijn broeder Paul, die bij hem logeerde, laten vertrekken. Wat kan dat wezen?…”. Tyfus dus, maar er werd gefluisterd dat er iets heel anders aan de hand was. De prins zou voor zijn huwelijk “op reis” een “galante ziekte” hebben opgelopen. Er komt als er enige jaren verstrijken en er geen kinderen uit hun huwelijk worden geboren, een heel geruchtencircuit op gang. Immers, van de komst van kinderen hangt de voortzetting van de dynastie, van het “Huis van Oranje-Nassau” af. Bovendien heeft Wilhelmina in die kritieke eerste periode van haar 50-jarige regering een eerste minister die zij hooglijk wantrouwt. Hoewel in het openbaar een vurige aanhanger van de koningin, is deze man, de alwetende, arrogante Abraham Kuijper, van mening dat met koning Willem III het Oranjehuis is uitgestorven en dat na hem het land eigenlijk een republikeinse staatsvorm had moeten krijgen en dan natuurlijk met hem als eerste president.


In interne kring van Dr.Kuijper is dat bekend en men schijnt het Wihelmina overgebriefd te hebben. “Hij is een tegenstander van mijn Huis”, heeft zij zich eens laten ontvallen en tegen intimi zo wordt verteld, heeft zij zich nog anders geuit: “Ik haat die man!”.

 

Dat hierna de Carière van Abraham Kuiper in 1905 een halt wordt toegeroepen en niet meer in de Tweede Kamer verschijnt om daarna in 1909 nog eens in opspraak kwam door de zogeheten lintjesaffaire, waarmee werd voorkomen dat Kuiper nog eens een openbaar ambt ging bekleden zal duidelijk zijn.
Troelstra heeft tevergeefs geprobeerd om politieke munt uit deze zaak te slaan.
Intussen krijgt in die eerste jaren van de twintigste eeuw ook de internationale diplomatie belangstelling. Toen er na die eerste van april 1902 nog een paar miskramen volgden, werd er ten eerste hevig geroddeld over de “gezondheid” van de prins en ten tweede werd er hevig gespeculeerd over de troonopvolging, mocht de koningin kinderloos blijven. Reeds in 1902 hield men rekening met een onverhoopt overlijden van de koningin. De toenmalige vice-president van de Raad van State, de Nederlandse “onderkoning” van dat moment, Jhr.mr. Johan Willem Meinard Schorer pakt in een brief aan minister Kuijper de koe bij de horens als hij hem schrijft dat in dat geval onmiddellijk krachtens artikel 45 1-ste lid van de grondwet, de Raad van State collectief alle bevoegdheden van het staathoofd toevallen. De jonkheer lijkt er niet zeker van te zijn dat minister Kuijper dat ook weet, of wel wil weten.
Wel werd de ernst van de gezondheidstoestand van de koningin zoveel mogelijk verzwegen en is nooit officieel melding van haar ziekte gemaakt voor ze “hersteld” was, maar dat hield het roddelcircuit niet tegen, integendeel!
Vooral de Duitse familieleden die volgens de toenmalige troonopvolgingswet – die van 1887 – rechten op de troon hadden, kwamen in beweging. Toen er jaren verstreken werd een kinderloos huwelijk steeds waarschijnlijker. Koningin Wilhelmina en prins Hendrik waren 7 jaar en bijna drie maanden getrouwd toen hun eerste en enige kind werd geboren.
De geboorte, maar aannemelijker de adoptie van Juliana Louise Emma Marie Wilhelmina, maakte aan alle speculaties over een troonopvolging door wie van de verre of minder verre Duitse familieleden dan ook, een definitief einde. Want, in 1922 werd de troonopvolging, nu zonder ongewenste Duitse inmenging, zodanig veranderd dat alle personen behalve Juliana en haar eventuele afstammelingen, van troonsopvolging werden uitgesloten.
Opmerkelijk is het volgende, hetgeen aansluit bij een onvruchtbaarheid van Wilhelmina en adoptie van Juliana:

 

De historicus Kikkert heeft zich wel eens laten ontvallen, dat na de zoveelste miskraam een kind werd geboren, met afwijkingen, ongeschikt als troonopvolger. Juliana zou zijn binnengebracht als baby van een burgervrouw uit Soest.
Het toeval wil dat rond 1960 een oudere dame de gehele dag in bejaardentehuis Nijenstede te Amersfoort verkondigde dat haar dochter koningin Juliana was. Deze dame had vroeger in Soest gewoond en werd vervolgens van de buitenwereld afgeschermd, net zoals De huisgynaecoloog van de “oranjes” juni/juli 2011 door politie, advocaat en deurwaarder van zijn bed werd gelicht en per ambulance naar een psychiatrische inrichting afgevoerd om volledig afgeschermd van de buitenwereld te voorkomen dat hij uit de school zou klappen, naar wij aannemen. 

zie ook de volledigheid op: http://www.jacobusderoma.blogspot.com Klik hier

(Volgens de Prophetische Landbeschryving, die op de
Laafte Tyden des N. T. ziet,) na de Plaats, waarin de
Koningen der Aarde en der Waereld met hunne Me-
nigte, voor den aanvang van het Ryk der Heili-

gen, zullen verzameld en omgebragt worden. 

Y N DE E E N V E R K L A R IN G 

O V E R 

O P E N B A R I N G E XVI: I 6. 

Voor de welke, in de Voorreden, eene korte Verantwoording
tegen Profeffor P. Jansfen; en agter de welke

A A R ON S IN W Y J IN G;
– O F – – – – – – – – – –

L E E R R E D E N
X :

[ocr errors]

V A N D EN
Wel Eerwaarden Godzaligen en zeer Geleerden Heer

H EN DRICUS vAN HE R WERD EN, 

Tot gewoon Leeraar der Gemeinte J. C. te Thaam aan den Uithoren, gevoegd is,
D O O R –
J. V. HERWERD EN, Phil. Doct. en Predikant te JISP.

[ocr errors]

[ocr errors]

[graphic]

[graphic]

Uytgegeven met Aprobatie van het Eerwaarde Clafis van Haarlem.

a dat ik de vriendelyke Zintwift, over de laaste Tyden, die de Kerke N aanstaande zyn, met den Wel E. Heer Jungius begonnen, door het my fmertende toeval van zyn Wel E. heb moeten afbreken, wierdt my eenige hoop geboren, dat ik dezelve hervatten, en met een ander Beminnaar van dat foort van Studie minnelyk zoude konnen ten einde brengen, als Profeffor P. Jansfen zich daartoe : ! In het geen ik tegen zyn H. E. in myn wikkend oordeel heb ingebragt, heb ik, om dien vriendelyke weg te behouden, zoo ik niet beter weet, alles gemydt dat de belgzugt en bittere nyt konde gaande maken , en een menigte Aanmerkingen, die men anders gewoon is over Tegenfchriften te maken, zorgvuldig wederhouden, zoo ver dat met den ernst, die een Verdedigerder Waarheid niet verliezen mag, bestaan konde. Maar hoe ben ik van den Profeffor behandeld, y:k in de Voorreden van het tweede Deel zyner behandeling over deze Stof? zonder wederom op verscheidene dingen, die in een Tegenfchrift niet zonder afkeurin worden voorby gezien, agt te geven, vindt men hier een famenloop van allerlye Tergingen, die in plaats van de Heilige Waarheid, die wy behandelen, te bevorderen, by velen gelegentheid zouden geven, om dezelve aan zyne oplopendheid geheel op te offeren, Uit meer dan vyftig zulke staaltjes zal ik mynen Lezer ‘er eenige mededeelen: De Inleiding neemt zyn aanvang p. 3. met te zeggen, dat ik wapens smeed tegen eene zekere en verzekerende Wetenschap der groote dingen, die in de Kerke te gebeuren staan. Om myn Rol voor het Gemeente spelen (zegt hy) heb ik hem het woord Onfeilbaar toegedigt. p. 54. l Myne v: ondermynt genoegzaam de waarheid aller Bybelfche Uitegging. p. 62. :::: of de Geest Gods met vlyt en toeleg myne bevatting hadt willen te keer gaan. p. 1o2. Myne Uitlegging, waarop hy doelt, p. 131, 132. en die ik met Jungius en onze geagte Kanttekenaars gemeen heb , en uit Dan. 7: 25. ontleend is, f: tegen God en zyn heilig Woord. p. 131. e G. heeft door de :::::::::::::::: vanDan. 12: 7. met Dan. 7: 25.& c. aan de Nafpeurders een diversie willen maken, en heeft de Uitleggers verblind, en van het regte fpoor of te rug gehouden, p, 15o, en bygevolge ook my, en alle die het met onze Kanttekenaars houden, ‘ – Voorts Voorts wordt ik uitgemonstert, van die eengoet en eenvoudig oog hebben, en een degelyk en bedaard gemoet, p. 202, 203. van de befchaafjle en gematigfte Verflanden. p. 213. • Ik zeg in myn Wikkend Oordeel, dat de Rekening van den Profeffor ons by toeval tot het jaar 1866. gebragt heeft; hierop ontziet hy zich alleen niet my het woord blind toeval toe te digten, p. 232, 234, 236, maar hy kan van zich verkrygen, dit myn zeggen te vergelyken met de taal der Vyanden van de Waarheid, de Godlochenaars, die hiermede de kragt der Bybel-Waarheden, en het beleid van Gods Voorzienigheid ontkennen. Hy behandelt my als of ik, uit lust om hem tegen te spreeken, myn Confcientie bezoetelde. p. 252. En op dat ‘er niets aan dit bittere Opstel zoudeontbreken, zal hy deze afgewerkte Webbe , met zoo veel Tergingen doorweeven, aan de Kender der harten opdragen, als wel afgewerkt, en die hem daartoe blymoedigheid hadt verfchaft, zeggende: Hier leg ik myne Pen aan de voeten van myn Heer en Meefter neder; hem opentlyk lof en danktoebrengende voor de blymoedigheid, die ik in het opftellen dezer Verdediging heb ondervonden. p. 27 5. – Zoo myn Leezer dit zeggen vergelykt met p. 3., daar hy zyn en myn oogmerk (zoo hy meent) tegen elkander overstelt, zal hy daarin alles vinden, wat in staat is, om met bedaart stilzwygen den Profeffor het Gefchil te laten winnen, of door eene gelykäartige brutaalheid tegen te gaan. God beware my evenwel voor het laaste ! en leedt ‘er de Waarheid geen fchade by, ik zoude het eerste omhelzen. Zullen twee Leeraars der Hervormde Kerke, die over de laafte Onderdrukking van Gods dierbare Volk handelen, die haar overkomen zal om haar Verderf in Godsdienst en Zeden , die met elkander hooftzakelyk in den tyd niet verschillen, met zulke wapenen elkander te keer gaan? Zal dat tot onderregting van Eenvoudige, Gemoedelyke of meer bevestigde Christenen; tot behoud van zulken, die de Verborgentheid des Satans niet kennen, en die nog uit Babel moeten worden uitgelokt, zal dat tot overtuiging van een Ongodistische en Deïstifche Eeuw verstrekken? Behagen God harten en monden, waarin de geest van haat, nyt en bitterheid, met den geeft van vertrouwen, op- en bemoediging in God vereenigd en gepaard gaat? Maakt ons dat niet voor God en Menschen bespottelyk en verwerpelyk ? Ik oordeel het daarom (en elk bedaard Christen zal my dat toestemmen) beter, dat ik, om myn Tegenfchryver van zyne onbetamelyke handeling in dezen te overtuigen, tot nog toe met stilzwygen, en eene onnozele bedaarde grimlach, zyne Tergingen beantwoorde; in hoop dat hy in ‘t vervolg daar door zal geleerd zyn, zyn fchryfstyl, ten minsten, met de waardigheid van de ftof te doen o: Hem in ‘t byzonder vriendelyk verzoekende, en te gelyk ernstig vermanende, my op zulke wyze nooit weer aan te vallen, alzoo ik my anders voor de allertederfte Waarheid en de bedaarde Verstanden vry ken, als ik my genootzaakt zal vinden, de hulpmiddelen by de hand te nemen, die my de geöorloofde Eigeliefde, tot myne verdediging, val toereiken! Ook denk ik niet, dat de Privilegie van myne Hoge Overigheid zich zo ver uitstrekt, dat men een Onderdaan van den Staat, o: – – l’O-Protexie van deszelfs Zegel, regt heeft te mishandelen! En op dat aan myne zyde daartoe geen, gelegentheid gegeven worde, beloof ik plegtig, dat ik niet anders als gedwongen met Profeffor Jansfen tot de Pennestryd zal wederkeren.

[ocr errors]

Daar blyft nogtans nog iets voor myn rekening, dat ik de Waarheid en de waarheidlievende, die in het Prophetische Woord na gegronde Vertogen zoeken , en die geen Ankers, om er aan vast te leggen, begeren, zonder rond, waarin de bladen hegten en houden konnen, om dit toeval niet te ort doen. Niemant denke nogtans, dat ik de Bewyzen voor zyne en de Tegenwerpingen tegen myne : , zoo als ze door het Werk van myn Tegenfchryver verspreid zyn, in order van de Bladzyden, en in hare vermeerdering, herhaling en verbetering zal beantwoorden ; ik zoek myn Leezer door de dikte van myn Gefchrift zo min in myn gedagte over te halen, als van het leezen af te schrikken, en myn Drukkers op kosten te jagen, die hen geen intrest doen. Ik heb daarom de moeite voor my willen nemen, (in hoope dat het de laaste reife zal zyn ) om de Tegenwerpingen van eenig belang te verzamelen, tot de foers te brengen, daar ze uit voortkomen ; en ze niet afzonderlyk, maar in eene aan-een-gefchakelde Redenering over het stuk, waarop ze zien, te beantwoorden. De Leezer, die voor deze ftof vatbaar is, zal ze uit de wyze van voorstellen ligt bemerken konnen. De Hooftzaken, waar over difpuet is, raken de berekening van het jaar der

laafte Kerkbezoeking, en de Ontcyffering van het Getal van den naam des Beefts.

Openb. 13: 18. A. Aangaande het eerste zal ik tonen: N. Dat het ons, volgens Gods beleid, niet gegunt is het zelven, voor den tyd des Eindens, naauwkeurig tot een jaar of tien te bepalen. :]. Dat Profeffor Jansfen, uit Dan. 12., niet regtschapen het jaar 1866., als het ontwyffelbare Valjaar van den Antichrift, aanwyft; a. Om dat dit opgenoemde Hooftstuk , op zich zelve beschouwt, ons nooit in de Tydrekening, in opzigt van het beloop der waereldfche zaken, kan te regt brengen. b. En om dat des Profeffors Verklaring over het zelve zonder grond, en onregelmatig is. J. Dat nogtans waarschynelyk na dat jaar kan gegifcht worden, zelf uit Dan. c. 12., als men dat Hooftstuk met Dan. c. 7. Openb. 11. 12. 13. vergelykt. B. En wat het twede belangt, daarin zullen wy, na een kort voorstel en vernieuwing onzer meening, de tegenbedenking met een Letter onttakelen,

[merged small][ocr errors]

[ocr errors]

Volgens Gods beleid in zyn Woord, is het ons niet gegund de laaste Bezoeking over de Kerk onfeilbaar tot een jaar of tien te bepalen. (a) Dat blykt; om dat God, als Hy een zekeren tyd of tydvak net wil geweten hebben, het zelven altoos of met uitgedrukte bewoordingen, of by billyke gevolgen zoo voorstelt, dat men het duidelyk verstaan kan; vooral in. zaken, waarna de Menfch zich te gedragen heeft, en die hem anders, zoo hy, ze verzuimt, onverantwoordelyk stellen. Van die natuur waren de duidelyk opgegevene 12o jaren Gen. 6; 3. de 4oo jaren, Gen. 15: 13. Hand. 7:6. (met Gen. 21: 2. 8. vergeleken) de 70 jaren der Joodfche Gevangenis, Jer.25: 11, 12. c. 29: Io. (met Dan. 9: 2. Zach. 1: 2. vergeleken) de LXX. Weken, Dan. 9: 25. de 34 jaar der laafte Bezoeking, Openb. 11: 7-11. (waarvan nog nader.) Alfchoon nu het jaar der laafte Bezoeking van dat zelve gewigt is, zoo handelt God daaromtrent als met een zaak, die Hy niet naauwkeurig wil geweten hebben; alfchoon ‘er eenige omstandigheden bykomen, die op de wyze zyner toekomst zien enz., Hy : nogtans met opzet den tyd zelven, in verband met het beloop der waereldfche dingen. 6o: 22. belooft de Heer de Bekering van Israël, het onmiddelyke gevolg van deze laafte Kerk-Orkaan, en maakt geen andere bepaling van tyd als: Ik de Heer zal zulks tot zyner ::::::::::::: doen komen; dit woord te zyner tyd kan niet zien op het gehele N. Teft., als men vs. 21. met Rom. 11: 25. vergelykt, maar het ziet (gelyk de Nederduitsche Kanttekening N. 98. te re voorgeeft) op den bequamen en beftemden tyd,die God in zyn raat befloten en die het ons niet betaamt te weten. Ziet Hand. 1: 6, 7. De laaste Kerkbestorming wordt Joël 2: 30-32. c. 3: 18.Zach. 14: 1. (daar de naauwkeurige bepaling van den tyd wanneer , tot troost der Kerke zoo wel als ooit :: te pas quam) alleen beschreven door de daden die dan zullen gebeuren; het is maar te dien tyd, te dien dagen, zonder meer ! Spreekt God tot onze hedendaagsche Kerkstaat, (die volgensP. Jansfens Uitrekening dien tyd al net weten moest) en wil Hy dezelve omzigtig maken, om op zyn komst tot verloffing uit deze Verzoeking te wagten, Hy vooronderstelt niet dat zy den tyd der laafte Bezoeking al weet, maar stelt ze in het onzekere voor, hoewel ze naby was; Openb. 3: Io, 11. en 2o. Zoo zal ik ook u bewaren uit uure der verzoekinge, die over de gehele waereld komen zal, enz. Ziet ik kome baaftelyk: ziet ik fta aan deDeure, en ik kloppe; zonder meer ! Konde men wel ooit beter verwagten, dat de Geest ons het begin en einde van de 126o Regeringjaren in het beloop der waereld, zoo God die wilde geweten hebben, zoude opgeven, als wanneer hy dien zevenden Koning opnoemt, Openb. 17: 1o, 1 1. onder wiens gebiedt de Antichrift moest opryzen ? Evenwel verbergt God dat met omzigtigheid, zeggende alleen: dat die zevende Koning eenweinig tyds zoude blyven. (b) Paulus en Petrus beamen deze Goddelyke Verzwyging, 1 Theff. 5: 2. 2 Petr. 3: 10, als zy hunne Lezers verwittigen, dat de dag des Heren (die

[ocr errors]

[merged small][graphic]

[merged small][ocr errors][merged small][ocr errors][merged small]

Korte VERANTWOORDING tegen Profefför P. JANSSEN. v.

1335 jaar van het einde der laafte Kerkbezoeking af is, Dan. 12: 9-11.) zal
komen als een Dief in den nagt; zoo dat zy. (volgens den Eersten) niet no-
dig hadden van de tyden en gelegentheden (dezelve woorden als Hand. 1: 7.)
onderregt te worden. Zoo nu de Heer gewilt hadt, dat dit voor den tyd des
Eindens van zulke Menschen, die in de laaste Bezoeking , of by Christus
komst ten Oordeel niet leven zullen, moest geweten worden, of kon geweten
worden; en zoo Daniël dat al hadt geöpenbaart, waarom hadt de Gemeente
van Theffalonica dit minder nodig te weten als wy, die ook voor den tyd der
Verdrukking leven?
By deze : W: komt nu geene eene duidelyke Godfpraak,
die ons onttwyffelbaar en zonder gifching aanwyft, wanneer in ‘t beloop der
waereldfche zaken de Regering van de Antichrist, of die laaste Beproeving
zal beginnen en eindigen.
(c) Doet ‘er by, Matth. 24: 36. Marc. 13: 32. Hand. 1: 7. daar de onfeil-
bare Leermeester Matth. 24: 36. zegt: Dog van dien dag ende uur en weet nie-
mant, ook niet de Engelen der Hemelen ; Marc. 13: 32. ook niet de Zone, dan
myn Vader.
Ik beöordeel deze twee Plaatsen afzonderlyk , en leide er voor als nu dit
gevolg uit, dat dus in Daniëls 12. Cap. het jaar der laaste Bezoeking, in op-
zigt op het beloop der waereldfche dingen, of duidelyk, of ingewikkeld niet
kan vervat zvn.
Zoude de Zoon des Menschen anders dien : niet geweten hebben, die
zoo direct zyn Koninglyk bestier op Aarde raakt? die door zyne inwonende
Godheid van een Wezen en Wetenschap met den Vader, van zyn twaalften
jaar tot een Uitlegger der : voor de Joodfche Leeraars bequaam ge-
maakt was? Wie is, boven dit, de Man met Linnen bekleed, die dit ge-
heim aan Daniël Cap. 12: 7-12. geleerd heeft? Is het de Zoon Gods (gelyk
ik liefst geloof volgens Dan. Io: 5., Openb. 1: 13, 14, 15. Cap 1o: 5.) of de
H. Geest? Of een geschapen Engel? Verstond die zelf de Tydrekening niet,
die hy Daniël leerde? hoe zal men dit bewyzen? En verstond hy ze? hoe
is het dan te bevatten, dat nog de Zoon, nog de Engelen des Hemels, maar
alleen de Vader dit verstaan? zoo Daniël het al door een van deze uitgeflo-
tene Voorwerpen : is ?” —
Hand. 1: 6, 7. bekragtigt dit :: de vraag is na de : van het
Koningryk aan Israël, een onmiddelyk gevolg van de verloffing der Kerke uit
hare laafte Verdrukking; de Heiland antwoord: Het komt u niet toe te weten
de tyden of de :::::::::::::::::: die de Vader in zyne eigene magt gefteld heeft 4
Ik vraag of iemand die zegwys: welke de Vader in zyne eigene magt gefteld
heeft, anders kan uitleggen, als de H. Christus zelfs doet, als Hy het zelf-
de beöogt: Van dien dag en uur weet niemant als myn Vader. Matth. 24: 36-
Marc. 13:32. ?
Maar leg ze eens uit: het komt u als Apoftelen niet toe dat te weten; (ook
ftaat het in myn magt niet u dat te openbaren, maar) myn Vader zal het dien
bekend maken dien by wil, en als hy wil; ja daar zal eens een tyd zyn, dat by
dat ook ook doen zal. Wat volgt daar nu uit ? Vooreerst dient ze niet ter zake,
voor zoo ver ik mede geloof dat er eens een tyd zal zyn, waarin de Kerk
dat weten zal! Maar bewyft die U:ng ook, dat God dat doen zal :
3 den

den tyd des Eindens, als de Kerk die Wetenschap niet zal konnen ontberen? Openbaart ze ook het geen God anders met zoo veel omzigtigheid verzwygt, zelfs als Hy onze Kerkstaat aanspreekt? Leert ze ook wanneer die zevende Koning, waar onder de Antichrift beginnen zal , geleeft heeft ? En in het hoeveelste jaar zyner Regering de Antichrift is begonnen? Neen! Wat dan? Zy bevestigt, dat in Daniëls Godfpraak dit geheim niet ontdekt is, en dat God dit alleen wift; en te gelyk, dat God de Openbaring van die juiste tyd omzigtig agter houdt, tot dat die tyd kome, waarin hy Daniël beloofde dat ze zoude geweten worden, dat is de tyd des Eindens.

(d) En deze bepaling van het Goddelyk bestek, by Daniël te vinden, is ons vierde bewys; dat die nette tyd der laafte. Bezoeking in het beloop der waereldfche Tydrekening niet zal geweten worden, voor den tyd des Eindens. Dan. 12: 4, 9. Twee dingen zal ik hier ophelderen; eerst wat detyd des Ein

dens zy, en dan wat het woordje “ly tot betekend. (2) Wat het eerste betreft, nooit heb ik door den tyd des Eindens verstaan: dat laafte jaar, dag ofuur, waarin alle Gods Oordelen over de Kerke en byzonder het laaften, onder den Antichrift zullen afgelopen zyn ; als of dan : Wetenschap dier dingen geboren zoude worden, als ze voorby waren allCCn. Neen, de tyd des Eindens is dat laaste tydvak, waarin de laaste Bezoeking over de Kerke bepaald zal zyn , en waarin die zal aflopen. Even als het N. T. de einden der Eeuwen, de voleinding der Eeuwen, 1 Cor. 1o: 11. Hehr-9: 26. geheten wordt, om dat de laaste aller verwiffelende Tyd-Eeuwen daarin eindigen, en daarmede doorgebragt zal worden. Zoo wordt het Dan. 12: 9-11. ook opgegeven, als dat tydvak, waarin de Godlozen godlozelyk zullen handelen, de Verstandigen het verstaan zullen en niet de Godlozen, waarin velen door het vuur der Bezoeking zullen gereinigd en wit gemaakt worden, waarin de Grouwel der Verwoesting zal gesteld, en het Geduurig (Offer) zal ophouden. Gelyk ik het zoo, en niet anders, in myn wikkend Oordeel, p. 8. 9. 10. 12. 17. 18. &c. heb opgenomen. (é) Het twede Sp TV W moet gelezen worden tot den tyd de: Eindens, om aan te wyzen, ‘dat dit Boek verzegeld was tot dat die tyd des Eindens daar zoude zyn; zoo dat men voor dientyd geen vaste wetenschap dier verzegelde dingen zoude konnen hebben, en niet tot aan of by den tyd des Eindens, als hadt de mening geweest, dat dit omtrent of by, dat is nog voor den tyd des Eindens zoude konnen geweten worden. (1) Dat blykt, uit het volstandig gebruik van dat voorwoordje “Ty; dat, – als het gebruikt wordt om een beoogden tyd te bepalen, altoos betekent tot dien tyd toe, en niet voorondersteldt dat er een onbepaalde tyd moet voorgaan, Gen. 8. 5. Exod. 12: 6. &c. gelyk wy zeggende: wagt tot morgen, daar door geen tyd verstaan, die den dag van moren voorgaat. (2) Die zelve fpreekwys gebruikt onze Propheet zoo Cap. 11: ## En van de Leeraars zullen er fommigen vallen tot den tyd des Eindens toe, NB. tot dat die zal daar zyn. * * * — -(3) Dit vloeit uit het oogmerk van den Spreker tegen Daniël,Hy wil im– ” – InCTS

v

[ocr errors]

mers een zekeren tyd bepalen, in welken al, en voor welken niet, deze wetenschap gegund zal zyn; maar welke bepaling is er, als dat

woord “y tot by betekent, en dat tot by 70 jaren lang kan zyn ? Waarom geen 7oo jaren? En waar blyft dan de bepaling ? Waarom dan niet liever een ander woord gebruikt ? en waarom mogt Daniël het dan niet weten? Daar moet in dien tyd des Eindens eene noodzakelykheid leggen, om deze wetenschap dan te hebben, die te voren zoo nodig niet was, en daarom tot denzelven alleen bepaald blyft. (4) Ook blykt het daar uit, dat de wetenschap van dat geheim volgens vs. 1o. dan aan den Verstandigen zal gegunt worden, als de reiniing en witmaking daar is, dat is in dat eindvak des tyds, zonder ‘er een blyk in dit Hooftstuk voorkomt, dat zy het eerder zullen weten; dat geen plaats konde hebben, zoo de Vertalingtot voor of by den tyd des Eindens doorging.

[ocr errors]

Hier tegen strydt niet Dan. 12: 4. Gy Daniël verzegelt dit Boek tot den tyd des Eindens. Velen zullen het mafpeuren en de wetenfchap zalvermenigvuldigd worden: als wierdt hier de : des Eindens nader bepaald, wanneer velen het zullen naspeuren, enz. om daar dan uit af te leiden, dat dit naspeuren voor den tyd des Eindens zal zyn; nadien het naspeuren geen plaats heeft als de dingen daar zyn, en dat dan niet velen, maar allen het moeten weten. Want die Uitlegging, door het woordje wanneer , eens toegestaan zynde, dan volgt niet dat ‘er geen naspeuring gefchieden kan als de dingen daar zyn, of dat allen het dan weten moeten. Niet het eerfte; immers zullen de Verftandigen, die tot den tyd des Eindens na de zekere wetenschap van deze dingen gewagt hebben, eerst regt beginnen na te speuren, welke de tyd des Eindens is, als de ongehoorde Wonderen beginnen, die daarin moeten voorvallen. Gelyk de Zaligmaker deze tydkennis, of wyze om den tyd te kennen, door de dingen, die in dien tyd gebeuren zullen, ook aan den hand geeft. Matth. 24: 3. – Ook niet het twede; want, dat by de gebeurtenis dier dingen, die groot en verbazende zyn , elk hooft voor hooft daar door niet wordt aangezet, om op de Tydrekening, die God bepaald heeft, (en waarop hier wezenlyk gedoelt wordt) te letten, en daar uit eene vaste wetenfchap te vormen, is nog in ‘t gemeen, nog in opzigt van de zaak, waarop by Daniëlgeöogd wordt, waaragtig. Niet in ‘t gemeen, gelyk de fprekende wondertekenen van Christus, nog de dadelyke Verwoesting van Jeruzalem, al de Joden niet hebben gebragt tot een regte kennis van het begin en einde der LXX. Weken. Dan. 9. Ook is dit niet waar in opzigt van de zaak, die wy behandelen: als deze grote zaken in den tyd des Eindens de Waereld zullen verbazen, zullen ze de Godlozen niet verftaan, Dan, 12: 10. dat is , dezen zal niet vergund worden een naspeuren , dat de wetenschap

ter zaligheid vermenigvuldigt. En dus bewyft deze invulling, door wanneer,

niet dat dit alles voor den tyd des Eindens gebeuren moet.
Maar ik meen geen regt te hebben, dit wanneer in de Text Dan. 12: 4 in

[ocr errors]

te laffen; (heel anders als vs. 10, wanneer velen zullen gereinigt worden; daar is de inhoudt van vs. 10. een wezentlyke beschryving van de dingen, die in den tyd des Eindens, alleen niet eer of na dien zullen gezien worden) daar is hier geen reden toe ; de woorden, konnen zoo blyven als ze zyn. , Zy konnen zeer gevoegelyk dezen zin hebben: Gy Daniël fluit deze woorden toe, en verzegelt dit Boek: velen (onder de Zoekers na verborgene dingen) zullen met moeite daar na onderzoek doen, en de weten/chap daar over, op hunne wys, vermenigvuldigen, zonder ze namelyk regt te erlangen. Als twee dingen die tegen elkander overstaan: Gy moet ze op myn bevel fluiten! Anderen zullen ze navorfchen, en de wetenschap daar over by hem zelven, elk voor zich, opmaken. En dan zoude het woordje alfcboon hier alleen te pas komen; verzegelt dit Boek, alfcboonveele door hunne ongeöorloofde weetlust dingen onfeilbaar zullen bepalen willen, die ik verzegeld heb. De reden van dit zoo op te vatten, is: (1). Om dat de zin der woorden zeer wel zoo kan genomen worden: de wetenfchap beduidt meermaal een loffe ongegronde kennis, die tegen Gods oogmerk strydt; Jef 47: 1o. het vermenigvuldigen van een zaak sluit veeltyds geen nut in; Job 27: 14. c. 35: 16. Jef. 1; 15. c. 9: 2.57: 9: Jer. 46: 11. het mafpeuren kan zelfs een ongeöorlooft onderzoek en een rusteloos omlopen be:: gelyk de Satan hadt gedaan Job 1: 7. daar het zelve woord voorOmt. (2) Ook is deze afgetrokkene fpreektrant in de H. Schrift niet ongewoon, Jef. 17: 11. In den Morgen/tondt zult gy het zaat doenbloeijen; ‘t en zal maar een boop van ‘t gemaaide zyn : dat is, alfchoon het maar een hoop enz. zal’Zwn. (:”Dit voegt alleen in dit Vers. ,,Het zoude zeer oneigen zyn, dat God in het eerste deel volstrekt de wetenschap aan elk zoude ontzeggen tot den tyd des Eindens, en daarop eensklaps die voor den tyd des Eindens beloven, zonder nader byvoegfel. (4) Het fluit beter dat Daniël gewaarschouwt wordt, waarom dit Boek moest fluiten tot den tyd des Eindens; dat is, om dat God zelf van de fynste Verstanden dat niet wilde geweten hebben. . :: God is tot vs. 4. nog niet bezig te tonen, van wien hy dit geheim wil geweten hebben, dat doet hy eerst vs. 1o.; de vraag van den Onbenoemden vs. 6. of van Daniël vs. 8. hadt ‘er nog geen aanleiding toe gegeven, maar hy leert allen vs. 4. dat het tot den tyd des Eindens niet zal geweten worden. (6) Het woordvermenigvuldigen toont ook, dat het de regte wysheid en wetenschap niet kan zyn; die is over deze geheimenis niet veel, maar een. ::) De ondervinding heeft het ook bevestigt, dat God reden heeft gehadt deze waarschouwing by de verzegeling van dit Boek te doen; alzoo, gelyk de Heer Jungius in zyne Voorreden heeft gezegt, het getal der vrugteloze Opspoorders tot vierhonderd kan begroot worden. Alfchoon nu desOnbenoemdens vs. 6. en Daniëls oogmerk, in zyn vraag vs. 8., – al mogt g: zyn dit geheim ten nutte van de Kerk voor den tyd des Eindens teweten, hy krygt antwoord op weetlust vs. 9. en 1o. Die woorden zyn toegefloten en verzegeld tot den tyd des Eindens, en by de reiniging en w: Kling,

[ocr errors]

king, enz. dat is in den tyd des Eindens, zullen de Verstandigen en niet de

:: die verstaan, en dat zonder dat het hen uit Dan. 12. behoeft bekend

te worden, – – – :
De Verstandigen zullen het verstaan uit eene nadere bevinding der zaken,

die aan dien tyd alleen verknogt zyn; door eene nadere opheldering van alle

die Godspraken, die dezen tyd bedoeld hebben, door eene zekere kennis van
het tydstip des begins van het beloop van die 126o jaren, en al zulke wyze
meer, die God dan tot nadere kennis, en tot vervulling van deze belofte, zal aan
de hand geven. Altans, uit Dan. 12. is het nooit te weten, zoo veel ons nu
nog blykt ! En legt het daar nog in verborgen, zoo zal dat voor den tyd des
Eindens daar niet uit te halen zyn ! De Godlozen zullen het niet verstaan, en
daar over te veroordeelen zyn, om dat zy, willig en door eene toegezondene
verharding des harten, op geen van alle de Prophetiën, nog op alle de Won-
deren, die dan gebeuren zullen , zoo zullen letten, dat zy daar door van
Gods bestek en den verloffingstyd zyner Kerke wys gemaakt worden, zonder
dat het 12. Cap. van Daniël hen juist veroordelen zal; ten zy daar wederom
een geheim inlegge, dat zy in den tyd des Eindens zullen konnen kennen, en
niet eerder. –
Altans, 7o of 1oo jaar voor dien tyd zal het niet geöpend zyn, dan was
het tot dien tyd niet verzegeld! Zegt men: als het maar gevonden is, dan weet
men hoe lang of kort hot voor den tyd des Eindens moet gevonden worden; dat is
zoo veel gezegt als: zoo het voor dien tyd ontdekt wordt, dan verliezen de

duidelyke woorden des H. Geeft hunne eenvoudige betekenis, dan is de ver

zegeling niet tot, maar tot voor of tot by den tyd des Eindens. En daarom zal
men te vergeefs na die praemature verklaring wagten.
Ook is 70 of 1oo jaar voor den tyd des Eindens zoo een geringe tyd niet,
dat men die met oogluiking kan tuffchen in laten loopen, even als Joannes
Openb. 22: 7, 12, 2o. den tyd van de Opstelling van de Openbaring tot Chris-
tus komst een kleinen tyd noemt. Want dat God tot den tyd des Eindens be-
aald heeft, mogen wy geen 7o of 1oo jaren vervroegen. En de bygebragte

Gelykenis (die ik nu niet in haar ware grond onderzoeken wil) doet niets uit.’

Al zyn 7o jaren nog 43 maal korter als 3oco, zoo zyn ze nog te lang, om
voor een tydstip te plaatsen dat God tot een jaar bepaald heeft!
Ik staa ook eens toe, dat Daniël vs. 8. vraagt na den laaften tyd, en na de
zaken die in den laaften tyd gebeuren zullen, dan volgt niet dat de weten-
fchap van dat tydvak voor den tyd des Eindens bekend zal zyn, of dat an-
ders de Man, met Linnen bekleed, zoude gezegt hebben, als de zaken ge-
beuren dan zal men ze kennen. Neen! want (1) men moet de zaak van den tyd
niet afscheiden. Zoo ik die opvatting toestaa, wil den Spreker zeggen: In
den tyd des Eindens zullen de Verstandigen die droevige Lotgevallen, als ze
daar zyn, verstaan, en met dezelven zullen zy ook een regt bezef vormen
van dat gehele tydvak, dat ons Joannes Openb. 11. tot 34 jaar begroot, dan
zullen zy weten waar de Regering van de Antichrift, dat is de gehele Uitsto-
ting van de hand des H. Volks, begonnen is, en wanneer die in ‘t beloop der

waereldfche dingen eindige zal. En dat zal een voorregt, niet voor allen,

maar voor de Verstandigen zyn.
Zegt men, dat Dan, 12: 4 belooft w:, een byzondere wetenfchap van eeni-

ge

ge Nafpeurders van den tyd des Eindes; en vs. 10. die algemeene wetenfchap,
die in den tyd des Eindens alle Verftandigen zal vergund worden? Het eerste
heeft geen grond; beide de Verfen leeren ons, dat de belofte zal opgehouden
worden tot den tyd des Eindens. (Hoewel ik vs. 4. geen belofte vind, als
gezegt is) zoo dat men onmogelyk vs. 4. kan lezen tot by, en vs. 9. tot in den
tyd des Eindens. En het twede verheugt ons zeer, om dat dus met regt en
reden wordt toegestaan, dat vs. 1o. een egte beschryving is van den tyd des
Eindens, waarin die kennis den Verstandigen zal gegund zyn; op welke Uit-
legging wy ons beroepen hebben. –
En op deze wyze leiden wy geen meer, maar net zoo veel troost voor de
Kerke uit Dan. 12. af, als er uit afgeleid kan worden. En vraagt zy in ‘t
gemeen door den mond van den Onbenoemden vs. 6., wanneer er een einde
van al die Kerkwonderen zal zyn? De Man met Linnen bekleed laat zich dit
: voor zoo ver hy dat aan den ondergang van de Antichrift ver-
bind. vs. 7. Maar wil ze meer weten als dat gemeene wanneer vs. 8., om het
Einde in het beloop der waereld netter te bepalen? dan krygt ze de bestraf-
fing vs. 9.
De Eet vs. 7. bevestigt wel de opgegevene gewone Tydrekening, dat er na
dien balven tyd geen tyd meer zyn zal; (Openb. 1o: 6.) maar zy bevestigt niet,

dat tot troost der Kerke de wetenschap tot een jaar in het beloop der waereld.

voor den tyd des Eindens kan bepaald worden. W. V.

(e) Ik wil my niet beroepen op het aantal der geägtte Bybeltolken, die

deze roekeloze bepaling voor de laaste Bezoeking, met my afkeuren, maar onderzoek met my nog eens kortelyk: of God geen billyke reden heeft, het eigentlyke beginjaar van die bittere Bezoeking te verzwygen? En of er zoo. eene volstrekte noodzakelykheid, nut en troost voor de Kerke in legt, dat voor den Bezoekingstyd zelf te weten? En men zal op het eerste Jaa, en op het twede Neen moeten antwoorden. Jaa zeg ik op het Eersten: God heeft, na de rykdom zyner ontferminge, hiërin willen handelen; dat Hy zyne Kerke met eene nette bepaling van dien allernaarste Bezoekingstyd, die zyn weerga in de waereld niet gehad heeft, voor den aanvang niet heeft willen bedroeven; haar liever alleen lydfaamheid en geloof aanpryzende, tegen dat het ‘er op aan zal komen. En als ze in de Bezoeking zelve is, door de Bezoeking zelve het einde daarvan te leren kennen.

Ook zal zoo de getergde Godheid, als een Dief in de nagt, zyn opgezamelde toorn te onverwagter over zyne en zyner Kerkehaters konnen uitstorten. Neen zeg ik op Tweede: zoo God zyne Kerke door de aankomst van de laaste Bezoeking van haar gelukkig einde onderrigt, en onderwyl haar troost en fterkt, heeft ze immers iets dat haar voor de Bezoeking niet nodig, en in de Bezoeking genoegzaam is. – –

Is zulke onderwerping aan Gods openbaring of verzwyging niet beter, als dat men zich voor Ongodiften bespottelyk maakt, door uit de Prophetien iets af te leiden dat ‘er niet in legt? , & – *

Zal men de Kerk tegen den Afval versterken, door byzondere bepalingen van den tyd harer bezoeking, daar die in Gods Woord niet gegrond is? en zy aan de altydduurende vermaning, van zich naby God te bouden, genoeg heeft, tot dat haar laaste beproeving daar is. •

Is er een beweegreden nodig om de Kerke menfchelyke hulp te beschikken, en om het einde harer verloffing te bewerken, als ze in de verdrukking is ? (Ik verstaa niet regt, wat des Profefors Voorreden p. 274. daar mede zeggen wil.) . Wie twyfelt of dat hulpmiddel zal in dien tyd opryzen; daar wy nu, door onze onzekere Tydrekening, geen oorzaak toe verfchaffen konnen. –

Ook is het niet nodig de Goddelozen voor den tyd des Eindens, door deze onzekere ontdekking van de verharding hunner harten, te overtuigen, en voor God onverantwoordelyk te stellen! De gemeene waarschouwing, die hen nu gefchiedt, om op Gods wegen te letten, en zyn Volk niet te verdrukken, is voor den tyd des Eindens daartoe genoeg. En als zy dit tegen deze vermaning in den tyd des Eindens doen, het woord der Prophetiën veragten, en Gods Volk verteren, zal dat over genoeg zyn om hen onverantwoordelyk te stellen. Immers God geeft ons geen regt, om anders en zekerder met hen te handelen. Wy konnen niet zeggen dat iets nuttig is, waarin God zelf, door zyn ftilzwygen, geen nut ftelt. Het blykt dan dat het ons, naar het Goddelyk oogmerk en beleid in zyn Woord, niet gegunt is den tyd der laafte : der Kerke, in het beloop der waereld, tot een jaar of tien te bepalen. Of dit nu en hoe ver dit tegen myn eigen doen strydt, als ik den tyd der laafte Bezoeking op zich zelven 34 jaar stel: en waarschynelyk meen te konnen gifichen na het Valjaar van

den Amtichrift, daar over zal ik $. X. en XI. fpreken, S. VI.

:). Het twede dat ons te bewyzen staat, is: dat de Profeffor uit Dan. Iz: niet regtschapen het jaar 1866, als het ontwyffelbare Valjaar van den Antichrift, aanwyft. En dat wel – – a. Om dat dit opgenoemde Hooftstuk, op zich zelven beschouwt, oms nooit in de Tydrekening, in opzigt van het beloop der waereldfche zaken, kan te regt helpen. – Kortelyk zullen wy dat bewyzen. . De vyf eerste Verfen van dat Hooftstuk zien niet direct op die aan-een-geschakelde Tydrekening, die ons moet te regt helpen, maar die neemt haar aanvang met vs. 6., daar vraagt de Onbenoemde: Tothoe lang zal het zyn, dat er een einde van deze Wonderen zal wezen? Deze Wonderen zyn , de wonderlyke ontmoetingen der Kerke , door dit ganfche Boek verfpreid, die hun einde in dat laaste wonder vs. 1, 2, 3. zul

ler vinden. Wanneer zal het einde daarvan zyn? zegt: Zullen er na die nog

meer komen, of zullen die de laaste zyn? En wanneer zal de Kerk dien tyd

beleven : Hierop wordt geantwoord vs. 7., en dat antwoord met een Eet gestaaft: Dat na eenen bejtemden tyd, beftemde ::” en een helft, en als, ofdan, als by 2. zal zal voleind hebben te verftrooijen de hand des H. Volks, alle deze dingen voleind. zullen worden. Dat is in ‘t gemeen, het einde van de Verstrooijing van de hand des H. Volks zal een Einde maken, en het laaste zyn van alle deze Wonderen. Dit antwoord hoort de Propheet,maar by verftond het niet, zoo als hy het liefst wilde verstaan, namelyk, zoo als hy meende dat het moest zyn en pasfen op de vraag, die vs. 6. gedaan was, want hadt Daniël alleen gezondigt in zyn gehoor en begrip, zoo zoude op de vraag, van hem gedaan, vs. 8. Myn Heer wat zal heteinde zyn van deze (dingen)? dat antwoord vs. 9. Gaat heen Daniël, want deze woorden zyn toegefloten en verzegeld tot den tyd des Eindens! niet gepast hebben; de eens gegeven woorden mogten wel herhaald worden tot zyne onderregting. Maar hy moet door deze vrage gemeent hebben, een nadere kennis te konnen ontfangen van het nette einde dier dingen in het beloop der waereldfche zaken, en dat wel voor dat dezelven in de waereld oprezen, dan slaat het antwoord regt op de vraag, en behelst een weigering: dat Daniël dit niet weten mogt, alzoo het tot den tyd des Eindens zoude verzegeld zyn; maar dat in dien tyd, waarin de inhoud van vs. 1o gebeuren moest, de Verstandigen het verstaan zouden. En vandien tyd af, (voegt er de Spreker vs. 11-13. by) dat het geduurig (Offer) zal weggenomen, en de verwoeftende Grouwel zal gefteld zyn, zullen zyn 129o dagen. Welgelukzalig is hy, die verwagt en raakt tot 1335 dagen. Maar gy gaat heen tot het einde, want gy zult ruften, en zult opftaan in uwlot , in ‘t einde der dagen. De vraag is hier, of deze drie laaste Verfen verbintenis met de Tydrekening, vs. 7. vermeld, hebben of niet? Ik meen voorzeker jaa, want het geen vs. 8, 9, 1o. voorkomt, is zekerlyk een tuffchenreden, door de vraag van Daniël veroorzaakt ; nu dient de vraag vanDaniël , nog het antwoord op zich zelf niet, om die aan-een-geschakelde Tydrekening, vs. 7. voorgesteld, te volmaken, door enig byvoegfel, dat zich verder uitstrekt als de voleinding van de Verstrooijing van de hand des H. Volks. Maar dat wordt hervat in het 11de Vers, en van dien tyd af,enz. dat is van dien tyd, die met de voleinding van de uitstoting van de hand des H. Volks zal afgelopen zyn vs. 7.; van dien tyd, die met den tyd des Eindens vs. 9. zal verlopen zyn ; van dien tyd of dat tydvak, waarin er velen zullen wit #: worden enz. vs. 1o van dien tyd, nog nader ; waarin niet alleen de Kerke haar droevig deel, in hare reiniging enz. zal hebben vs. 1o., maar waarin ook, op het slot, de Vyanden der Kerk haar portie zullen vinden, als het geduurig (Offer) zal weggenomen, en de ::::::::::: Grouwel zal gefteld zyn. Dat is, (gelyk ik het liefst begryp) als door het wegnemen van het Offer der Miffe de Antichrift zal uit hebben, en door het stellen van de Grouwelder Verwoesting de Kerk getugtigd, of de hoop der laafte Kerkbestormers zal verdaan zyn; dat is met een woord: van dat tydvak, waarin de Kerk door een naar en rampspoedig toevalhaare uitstoting uit de hand Gods zal voltooid zien, waarin de Antichrist zal verdelgt, en de hoop zyner Medehelpers zal verdaan zyn , zullen zyn 1290dagen. Daar is dog geen fchyn of blyk, dat de Propheet in het 11de of 12de Vers een nadere bepaling zoude gegeven worden van de lengte van dat laaste tydvak, dat VS. 7.

[merged small][ocr errors]

vs. 7. genoemt wierd: En als by zal voleind hebben te verftrooijen van de hand
des H. Volks! Als men al moest toestaan, dat dit het vierde tydvak was, van
den beftemden tyd, tyden, en een helft onderscheiden; als Daniël daar al na vroeg,
om dat net in zyn lengte te weten vs. 8., zoo wordt hem dat evenwel ge-
weigerd te weten. vs. 9. (Nu zal hem met woorden niet geweigerd worden,
dat hem met ‘er daad gegeven wordt!) Evenwel wordt hem niet geheel ge-
weigert te weten, wat er in dien tyd in ‘t Ë gebeuren zal vs. 1o. ; het
welke in dien tyd des Eindens voor elk Verstandigen, als zy het nader bevin-
den, een middel zal zyn, om het begin van dat eindvak te leren kennen;
terwyl de andere Godfpraken, die de lengte van dit tydvak hen hebben op-
gegeven, hen zullen doen opmaken , wanneer het einde daar van zyn zal.
Van dien tyd dan, als die tyd-order vs. 7., als die gebeurteniffe vs. 1o., en
het slot daarvan, het wegnemen van het geduurig (Offer), en het stellen van
den Grouwel der Verwoesting, zal daar zyn , dan zullen zyn 129o dagen.
Zonder te zeggen waar die eindigen zullen; in het onbepaalde. Evenwel niet
zoo, dat men daarin het einde der waereld zoeken moet, want als onze afge-
trokkene gedagten, door deze uitroep: daar zullen zyn 1290 dagen, gebragt
en geleid zyn tot het einde van die 1290 dagen, en men dus stil staat om te
horen wat er volgen moet, voldoet de Man met Linnen bekleed aan deze
begeerte, en toont dat er na die 129o nog 45 dagen volgen zullen, in wel-
ken men iets verwagten kan , en tot welkers einde als men geraakt, men
welgelukzalig is; vs 12. Welgelukzalig is by, die verwagt en raakt tot 1335 dagen.
Niets moet ons billyker voorkomen, als dat de Geeft Gods hier een rede-
lyke taal voert, en dat hy in deze duidelyke woorden alles niet door elkander
gooit, als of er stond: Na dien laaften balven tyd, vs. 7. vermeld, zal een
tydvak volgen van 45 jaren, en dat zal voltooid zyn met het stellen van de
Grouwel der Verwoesting; in dat zelven zal men konnen verwagten en ge-
raken tot het begin van 1290 dagen, en als men dat begin bereikt heeft, dan
zal men welgelukzalig zyn; en het einde van 1290 dagen, die daar op vol-
gen, zal dus het einde van 1335 dagen zyn, na dien laaften balven tyd, en te
gelyk het einde der waereld.
Zoude men zoo een samenweefsel wel ooit in zyn verbeelding konnen
brengen, zoo men niet met opzet zyn hupothese wilde begunstigen ? Men
moest hier de lengte van de laaste Bezoeking weten , waarna Daniël ook,
volgens vooronderstelling, vroeg, en welke hem evenwel geweigert wierd te
weten! Daartoe moesten de allerduidelykste woorden een onnavorfchbaren zin
krygen, even als of ik zeide: Na de Verwoefting van Jeruzalem zullen zyn
243 jaren, hy zal gelukkig zyn die verwagt en raakt tot 313 jaren. Zou ie-
mand daar ooit uit besluiten konnen, dat : zeggen wilde: B: zal na Chris-
tus geboorte tot de Verwoesting van Jeruzalem een tyd van 7o jaren zyn,
waarin men verwagten zal na zeker heil, en in welkers einde men gelukkig
zal zyn; en dit einde zal men bereiken in ‘t begin van de 243, en die 7o met
die 243 maken de 31 3 jaren uit, waarin de Kerke door den eersten Christen Kei-
zer is beschermd geworden.
Zal men die 129o en 1335 dagen, die beide volgen na de beschryving van
den laaften tyd vs. 9, 1o., van onderscheide beginfels aanvangen ? Zal het
tydvak van 129o, dat het eerste in : is, het laaste in begin zyn ? w:
3 – net

het wagten niet eerst voorgesteld, als er reeds van 1290 dagen gesproken was ? Is het verwagten niet na 1335 ? Is het geraken niet tot 1335 dagen betrekkelyk gemaakn? Heeft de Zaligspreking geen betrekking alleen tot de 1335 dagen ? Moest anders het verwagten na, bet komen tot en betwelgolukzalig zyn wel anders als tot den aanvang van 1290 dagen bepaald zyn zonder dat dit zyn toezigt direct op 1335 dagen heeft; regt tegen de Uitdrukkingen van den Geeft gekand. Doet er nu by , dat de oorzaak, waarom deze wonderlyke Verklaring wordt bygebragt, zonder grond is, en men zal onze opvatting moeten billyken; dat is, dat de Man met Linnen bekleed wil zeggen : na het aflopen van dien laaften tyd, zullen er 129o jaren verlopen, waarin de Kerk van alle fmertelyke Oordelen zal bevrydt zyn , maar dan zal er nog een reeks van

45 jaren volgen , die van die 129o vredejaren zullen onderscheiden zyn,

waarin de Kerke stof zal vinden om naar iets beters te verlangen en te verwagten; (de Openbaringe Cap. zo, leert ons, dat na het duizendjarige Ryk van Christus de Satan zal losgelaten worden; dat hy den Gog en Magog zal verleiden. Ezecbiel fpreekt (gelyk de Profeffor wil) ook van een Bekering na dien tyd; en dat is my genoeg, om een voorbeeld te hebben, dat de Kerke na dien vredestyd reden van verwagting tot iets beters zal hebben, zonder dat ik nodig heb in deze duisterheid te bewyzen, dat daar juist 45 jaren toe vereifcht worden) en als ze het einde van die 45 jaren bereikt heeft, en geraakt tot 1335 jaren, dan zal ze welgelukzalig zyn; en zonder te sterven, zal ze levendig in een ogenblik des tyds veranderd, en in den Hemel opgenomen worden; dat is fchriftmatig (1 Cor. 15: 51, 52.) : zoo behouden de woorden in ‘t gemeen hunne enkelvoudigste betekenis, en het woord welgelukzaiig zyn verhevenfte kragt. Tot zoo ver kan de verklaring van Dam. 12: 6–13. goet gemaakt worden op zich zelven. Maar hoe ver brengt ons de opgegevene Tydrekening in opzigt van het beloop der waereldfche dingen? Zoo men zyne gedagten van andere gelykluidende Godfpraken a trekt, waar van daan moet men beginnen, en waar moet men eindigen in het rekenen ? Hier zwygt de Propheet. Daar is in de woorden zoo wel als in de gevolgen, die men daar uit trekt, eene onbetoogbare onzekerheid, die ons de zekere bepaling ontzegt. Men vrage eens: (1) Hoe lang zal de eerste beftemde tyd zyn ? Wordt dit ook in dit Hooftdeel, of in Daniëls gehele Godfpraak (uitgenomen Dan. 7: 25. dat men hier, volgens den Profefor, niet raadplegen mag) bepaald ? Of is het geöorlooft, buiten de geöpenbaarde Woorden Gods, daarna te gifchen, om ‘er een onwankelbare Conclusie uit te trekken? (2) Hoe veel beftemde tyden zullen er zyn? twee of zeven, of meer ? Of is dat ook al niet nodig; als

men zyne onderstelling maar voldoen kan? (3) Is ‘3/T, dat de onzen door helft vertalen, een nette balve tyd in vergelyking met den eersten, of is het onbepaald een deel van een tyd ? Een Taalminnaar zal zeggen ik weet het niet! (4) Moeten de volgende woorden van vs. 7. vertaald worden:En als by zal voleind hebben, om er dan nog een vierde Tydsverdeling uit op te delven? Of dan wanneer by zal voleind hebben, om maar drie Tydsverdelingen te behouden? (welke laaste Vertaling wy hierna zullen billyken). Op al die Vragen antwoord het 12de Cap, van Daniël ons niet een woord! Zo

– – — o

Zoo men nu geen begin, midden of einde van een Tydrekening, nog de hoegrootheid van de delen, die haar afmeten, weet aan te wyzen , zoo is dezelve ydel; en bygevolg is het eerste deel van ons betoog zeker: De Tydrekening by Daniël Cap. 12, brengt ons op haar zelve, in het beloopder waereldfcbe dingen niet te regt.

[ocr errors]

b. Laat ons dan tot het tweede: dat des Profeffors Janssens Verklaring, over dit Hooftftuk, zonder grond en onregelmatig is, overgaan. Hooftzakelyk komt zyne Verklaring hierop uit: Het einde van de Uitsto* ting van de hand des #. Volks zal zyn Ao 1866. na Christus geboorte, en van. daar zullen zyn 129o jaren tot de voleinding der waereld Ao. 3156. De byzondere delen, die deze hooftfom uitmaken, zyn: (1) De beftemdetyd van Christus geboorte tot Ao. 606. (2) Beftemde tyden, onbepaald hoe veel; of twee , en dat zeer ongelyk , van Ao. 606, tot de Hervorming Ao. 1518. (3) Dat deel noemt hy de helft van den eersten bestemde tyd, dat is 3o3 jaren; dat ons brengt tot Ao. 1821. (4) De woorden: En als byzal voleind hebben te verftrooijen de hand des H. Volks, neemt hy op voor het vierde tydvak; dat zoo lang zal zyn als het onderfcheid van die 129o en :: Prophetische jaren (vs. 11, 12.), dat is 45 jaren, als de tyd der laafte Bezoeking; die nu gevoegt by 182 1. brengen ons tot Ao. 1866 , de Verloffingstyd der Kerke; en dit alles leidt ons met het by voegfel van 129o jaren tot het einde der waereld Ao. 3156. De beweegredenen tot deze Uitlegging zullen wy by elk deel voegen, en de ongegrondheid en onregelmatigheid daarby aantonen. (1) Hy begint dan den eerften beftemdentyd van Christus geboorte , en eindigt ze met den tyd der aanstelling van Bonifacius III. Ao. 6o6. Hierop vraag ik, tot bewys van de ongegrondheid van deze Stelling, waarom wordt die tyd daar begonnen? Ik heb in des Profeffors Verantwoording niets konnen vinden als dit: j. Om dat de tyden, hier vermeld, moeten lopen onder den Antichrift, dat is, tot hem en zyn bestaan betrekking hebben, ff. Die tyd van 606 jaren iseen beftemde tyd. flf. Zoo beslaat deze gehele Tydrekening het beloop tuffchen Christus eerste en twede komst. Maar f, zoo Daniël Cap. 12 met geen andere Godfpraken mag vergeleken worden; hoe is het den Profeffor in den zin gefchoten, om den eersten beftenden tyd te doen zyn, die tyd, die van Christus geboorte tot Bonifacius III. loopt? Moet de : be/temde tyd een tyd zyn, die voor den opkomst van den Antichrist al daar is, en debeftemde tyden terwyl hy in de waereld is? Waarom behoren zy niet alleen tot zyn bestaan en leeftyd in de waereld? En moet de eerfte tyd voor zyn aanvang en opkomst beginnen ; waarom rekent men dan niet van den tyd der Openbaring aan Daniël gefchiedt ? daartoe dog is de eigentlyke en eerste betrekking. De Onbenoemde vroeg het in dien tyd, en hy krygt het antwoord in dien tyd vs. 7. , dat na een beftemde tyd alle deze dingen geëindigd zullen wezen. Daar ‘er in Daniëls gehele Godspraak geen spoor is om deze Tydrekening van Christus geboorte te beg: – – A31

Waarom moet men dan van Daniëls leven tot Christus komft een vak van omtrent 420 jaar overslaan ? ff. Die 606 jaren zyn wel een beftemde tyd,maar dat zyn de LXX. Weken ook; dat is de tyd ook van Daniëls leven tot Bonifacius III aanstelling. fff. Dit tydvak loopt dus wel van Christus eerste tot zyn twede komst ; maar wat is de aanleiding tot deze vinding ? Vraagt de Onbekende vs. 6. daarna ? of behoort dat tot kennis van deze Tydrekening? Volgens Jungius loopt de Tydrekening van Daniëls leven tot het einde der waereld, maar wat doet dit uyt ? Als de Geest er ons geen aanleiding toe geeft, is het een loffe allusie, die niets om het lyf heeft. En zoo, boven alle die onoplofelyke Vragen, de eerste beftemde tydloopt voor de aanstelling van Bonifacius III., zoo is ze maar 6o5 jaar lang: om dat dit jaar 606, tot het bestaan van Bonifacius III. als Algemeen Biffchop behoort, en dus is de belft 3024 jaar. Het komt hier dog niet voor als eene giffching, daar eenige jaren aan ontbreken mogen , maar als een wiskonftig betoog, dat een onfeilbare Conclusie medebrengt. Zoo dat het eerste deel van deze Rekening zonder grond en onregelmatig 1S. (2)En het tweede niet minder. De beftemde tyden behoeven niet bepaald te worden, zegt hy ; men kan ze evenwel tot twee brengen. Vraagt men of elk dan niet even lang is als de eerste beftemde tyd ? Dat behoeft niet, zegt de Profeffor! De eerfte loopt van 6o6 tot 1073, als Gregorius de VIIPaus wierd, en beloopt dus 466 of 467 jaren. De twede van 1 o73 tot 15 18, en beslaat 445 jaren. De redenen zyn: f. Het woord “Ty:) beduidt een tyd, die door jaren bepaald is, maar een beloop van zaken, die een Ë: tyd uitmaken. , ff. Gods Woord draagt ons meermaal zulke tydvakken voor, die door de zaken onderscheiden worden, zonder dat de jaren gelyk zyn: gelyk de VII. Bazuinen in de Openbaringe, de zeven dagen der Schepping, (gelyk Vitringa wil) en van het Feest der Loofhutten, die de VII. Tydperken des N. Teft. hebben afgebakend, gelyk ook Kalees en xeeves. Hand. 1: 7. fff. Als men ze dan maar verdeelt door merkwaardige Gefchiedeniffen, doet men genoeg. Maar ik vraag: waarom moeten dattwee en geen meer tyden zyn? daar het woord in het meervoud staat! En zoo het twee moeten zyn , waarom zynze niet gelyk ? Zoo de eerstebestemde tyd 6C6 is, de helft daar van 303 , waarom zyn zy in het meervoud geen twee tyden van 6ó6 en vier van 303 jaren ? Is God meermaal gewoon het woord tyd of beftemde tyd in een en dezelve tydsbeschryving zoo te gebruiken, dat het dan eens tweehondert jaren langer en dan eens zoo veel korter is? Zoude dat geen middel zyn om ons volslagen te verwarren, en elk van de Prophetiën te doen maken wat hy wilde ? Is het woord tyd Dan. 7: 25. niet eens zoo klein als tyden, en eens zoo groot als de balve tyd? Waren de zeven tyden, waarin Nebucadnezar van de Menschen verstoten wierdt, niet gelyk aan elkander ? Zoude ‘er anders wel een bewys van Gods vreefchelyke Voorzienigheid, en eene bepaling van den tyd zyner Verstoting, die net moest uitkomen, in gelegen hebben. f. ‘t Is waar Typ, buiten eenige Connexie met andere tyden of zaken,

beduidt geen tyd, die altoos even lang is. Evenwel als men uit het verband, Waarin A

waarin dat woord voorkomt, eens heeft leren kennen hoe groot het is, zoo behoudt het in die gehele Periode altyd die betekenis; gelyk blykt uit alle plaatsen, waarin het in de H. Schrift voorkomt. En dus moet het vooral hier zyne constante beduidenis houden, daar de Tydrekening er op steunt. ff. De Here Christus spreekt van tyden en gelegentheden, Hand. 1: 7, maar om dat ik niet weet wat de Heiland daar door verstaat, gelyke of ongelyke tyden en gelegenheden, begryp ik de kragt van die objectie ook niet. Mogen de zeven Feestdagen van het Loofhutten-Feeft by het N Teft. vergeleken worden , dat is buiten twyffel uit hoofde van de Vreugdestof, die in beide de tyden zoude voorvallen , zonder op de gelykheid van tyd te zien. Ook weet ik niet, dat ooit de zeven dagen van dat Feeft by de zeven Tydperken des N. Teft vergeleken worden, om ze afzonderlyk op elk van die toe te paffen. De zeven Bazuinen zyn wel afbeeldfels van het geen fuccesfive onder het N. Teft gebeuren zoude, maar dat woord brengt geen betekenis mede van een beftemde tyd; of dan zoude elk Bazuin uit kragt van den naam aan de eerste die reeds bekend was, moeten gelyk zyn. Ook weet ik niet, dat ooit de zeven Perioden des N. Teft zeven tyden, of zeven beftemde tyden genoemd worden Hoe nu deze Bazuinen den tyd des N. Teft. afmeten, hoop ik by eene andere gelegendheid te tonen. Dat Vader Vitringa de zeven dagen der Schepping als afbeeldfels van de VII. Tydkringen des N Teft. aanziet, geef ik hem toe, als hy de zaken, die op elk dag geschapen zyn , verge ftelykt vindt in de Tyd-ordens des N. Teft.; maar zoo hy de Scheppingsdagen als Taferelen neemt van alle de Tydkringen des N. Teft. zelf, dan gaat hy te ver. Dan is de gedagten van fommigen over 2 Petr. 3: 8, gegronder, dat namelyk elk Scheppingsdag by God is als 1ogo jaar in het beloop der waereld, maar dan komt de rekening net uit, als de waereld 7ooo jaar staan zal. fff. ‘t Is dus wel evenveel hoe lang men die beftemde tyden rekend; het woord heeft hier al eens een vaste betekenis gekregen, en die moet het behouden, zoo het 606. is; zoo wy den Geeft niet verward willen doen fpreken, en dus ons zelf verwarren. Want als het er maar op aan komt om merkwaardige gevallen in de Kerke op te speuren, zoo zullen wy de beftemde tyden zoo wel voor als onder den Antichrift konnen aanwyzen. En onder den Antichrift zal iemand , na dat zyn oogmerk is, dat getal vergroten, veranderen en vermeerderen konnen. Dat is evenwel Gods weg niet, die laat nooit de tydvakken aan de keufe van een Uitlegger, als Hy hem door dezelven te regt wil brengen. Spreekt Hy op de eene plaats in de Prophetiën duister , Hy heldert het in de anderen weer op; gelyk wy in diergelyken toestandDan. 7: 25. door Openb. 11, 12, 13, zullen opgehelderd zien. (3) Het derde tydsdeel ‘on houdt de Profesfor voor een halve tyd, en dat wel de helft van den eersten, dat is 303 jaren. Maar waarom betekent het woord een helft ? dat is zyn eigene en vaste beduidenis niet. De Profeffor zegt: anders kan men de Tydrekening ‘er niet uit opmaken , en anders is het antwoord niet voldoende. Maar w:om moet het juist de helft betekenen, Omn om er de Tydrekening en het antwoord uit goet te maken ? Als het eens een vierde deel of een agt/te deel beduide, was dan de rekening ook niet goet?” Ziet myn Lezer niet, dat de nootzakelykheid van ‘ST door een balven tyd te moeten vertalen, op enkelde loffe Vooronderstelling uitkomt ? Als de Profeffor gezegt hadt, zoo ‘ST niet betekent een helft, dan kan ik myn rekening niet goet maken, dan hadt ik het aanstonds gelooft, om dat dit Hooftdeel zonder andere Godfpraken hem nooit te regt kan helpen. Maar het antwoord is volledig, als men Dan. 7: 25. en Openb. 11, 12, 13. hiermede gelyk stelt. En geeft men al toe, dat het vertaald moet worden door de belft; waarom is het dan 3o3 jaar, of de helft van den eersten bestemden tyd, en niet de helft van een der twee bestemde tyden 466 of 445, dat is 233 of 222; jaar : Dat zyn immers ook beftemde tyden. Mogen die bestemde tyden zoo verschillen van elkander, waarom moet de halve tyd alleen de helft van de eerste zyn ? En niet van den laaften, die er onmiddelyk voorgaat? Maar dan was de gehele vinding niets. Zoo onzeker handelt de H. Geeft niet, een halve tyd heeft zyn vaste Soers, waar uit hy kan berekend worden, gelyk Dan. 7: 25. Openb. 12: 14. Zoo zyn wy dan ongegrond en onregelmatig door die drie Tydsverdelingen gebragt tot het jaar 1821. Daarop wil de Profeffor (4) Het vierde tydvak doen volgen, en dat opmaken uit de woorden: En als hy zal voleind hebben teverftrooijen de band des H. Volks. Dat houdende voor de laafte Bezoekingstyd, die 45 jaren duuren moet. De middelen om tot dit beoogde te geraken, zyn hoofzakelyk drie. Eerft moet daartoe gesteld worden, dat de woorden: als by zal voleind hebben te verflrooijen de band des H. Volks, beduiden: de laafte Verdrukking der Kerke onder den Antichrift;

ten twede moeten de voorwoordjes 😀 ) en als vertaalt worden, en dus dit woordenstel tot de vierde Tydsverdeling gemaakt worden, die nog agter den halven tyd volgen zal, voor dat al die Wonderen voleind zyn; en ten derde moet dit laaste tydsbestek tot 45 jaren begroot worden, uit het verschil van die 129o en 1335 Prophetische dagen. vs. 11, 12. Ik zal die drie Hooftstukken voor als nu maar wederleggen, zonder iets, daartegen over te stellen, om op deze wyze alleen te tonen, dat de Profeffor Dan. 12. niet wel berekend heeft, dat ik er van denk, zal volgen in de vergelyking tufchen dit Hooftstuk met andere Godfpraken. ,, Het eerste dat de Profeffor ftelt, is : de woorden . En als by zal voleind hebben teverflrooijen de hand des H. Volks, beduiden de laafte Verstoting der kerke; de reden is: (l) Om dat deze fpreekwys beduidt, dat God de hand des Heilige Volks geheel hadt uitgestoten; dat bygevolg ziet op die grote en laaste Verdrukking (++) Het H. Volk is hier een beschryving van de Kerk als eene afgezonderde Natie, die op zich zelf bestaat, en een opentlyke Kerk uitmaakt, en dan onderscheidt zich deze, als de laaste Bezoeking, van alle de anderen, die te voren de Kerk bejegend hebben. (†††) Dit is eene Bezoeking, die de Kerk zal overkomen even voor den Val van den Antichrift, en zo de laaste. (++++) Daniël vraagt er ook na, met het woort IT”TN, welke zal het agterfte of laafte zyn van deze. – Ik antwoord in ‘t gemeen: hoe volgt deze gantfche Uitleggen uit de – – WO Qr–woorden, als hy zal voleind hebben te verflrooijen of uit te floten? Als menze redenkundig ontleedt, vindt men dat ‘er gesproken wordt van eene Uitfloting der Kerke; en dat de daad Gods (zoo ik het zoo opvatte) zal zyn die dan te voleindige; gelyk het werkwoord in het Hebreeuwfch in het onbepaalde (in definite, in infinitivo) gebruikt wordt, en als het voleindigen,maar daar wordt niet gesproken van een begin van die Uitfloting in dat laaften tydvak. Dat evenwel hoognodig was, zoude men zeggen, dat die daarin begonnen en voleind zoude zyn. Ik besluit dan, dat in die woorden alleen gezien wordt op eene zekere Uitfloting der Kerke, die haar einde zoude bereiken, met deze bepaling aller Wonderen, zonder meer, hoewel ik niet ontken dat het einde dézer Uitstoting zwaar zal zyn. . De Tegenwerpingen zyn niet moeielyk te beantwoorden; zy bewyzen geen byzondere laafte Bezoeking. (+, Ik zal in ‘t vervolg aantonen, dat God de hand der Kerke uitgefloten heeft, of zal hebben, geduurende de geheele Regering van den Antichrift, $. XIII. – (++, De Kerke van Christus, in onderscheiding van die van den Tegenchrift, verdient den naam van het heilige Volk, al bestond ze uit maar drie Menfchen. Pf. 16: 3. Die de Antichrift geduurende 1262 jaren bekrygt heeft, zyn de Heiligen. Dan, 7: 25… , . (+++) Het voleinden van deze Uitstoting zal den Val van den Antichrist even voorgaan, maar niet haar begin; daar fpreekt de Text niet van. (++++) Het woord n”TN, daar Daniël vs. 8. na vraagt, is zekerlyk van Yp vs. 6. onderscheiden , en wordt wel eens voor het einde des jaars, Deut, 11: 12. voor het einde dat tegen het begin overslaat, Jef 46: 1o, genomen; maar dat hindert niet, dat het in zyn oorspronk het laafte of agterfte, waarmede een zaak bepaald wordt, beduidt; gelyk zelf Deut. 11: 12. en Jef 46: 1o. voegelyk in dien zin genomen konnen worden. Daniël vraagt dan na het agterften, of laaften van dezen? zal men daar nu uit besluiten, dat de Propheet die agterste woorden: En als hy zal voleind hebben enz., heeft aangezien voor het begin en einde, of het tydvak derlaafte Kerkberaauwtheid ? en dat hy met de woorden: Welke zal het einde zyn van deze, vraagt na de lengte en hoegrootheid van dit tydsbestek ? Ganfch niet ! Hoe meer men zyn vraag indenkt, en die in vergelyking brengt met het vorigen, hoe meer men zal moeten besluiten, dat Daniëlvraagt na eene volmaakte beschryving van den toestand van het agterfte of laafte l!’onder vs. 6., dat in de Kerke zal gebeuren; zonder op deszelfs langte te zien, of zonder dat hy door de woorden, by zal voleind hebben te verftrooijen de hand des H. Volks, daartoe aanleiding gekregen heeft. Dit moet volgen uit het reden verband: de Spreker vs. 6. hadt gevraagt: Tot hoe lang zal het zyn dat ‘er een einde van deze Wonderen zal wezen ? dat is, die was begerig den tyd te weten , waarin deze Wonderen afgelopen zoude zyn. De Man met Linnen bekleed antwoord op die vraag, zoo veel als met het Goddelyk bestek overeen quam; en zal hem voldoen, door het opgeven van eene Prophetische Tydsbeschryving vs. 7., die tot den tyd des Eindens voor de Kerke genoeg is, en die, zoo ver het nodig was, door andere Godfpraken zoude opgeheldert worden; met vooronderstelling, dat, als de tyd des ::” daar is, de Verstandigen dit wel 2. Ververstaan zullen. Maar Daniël dit horende, verstaat dat niet, wat verstaat hy niet? verstond hy die woorden niet, of wat ze in ‘t gemeen beduiden? Zeker jaa; want hy heeft ze ons nagelaten. Wat verstond hy dan niet? zekerlyk het gehele antwoord vs. 7. in betrekking op de vraag vs. 6. gedaan;

aar uit konde hy niet opmaken, tot hoe lang (zonder te zien op de woorden, die op den balven tyd vs. 7. volgen, daar van geen begin der Uitstoting gerept wordt) het zoude zyn, dat er een einde van deze Wonderen zoude zyn; en daarom verandert hy zyne vraag, en ziet of hy dan ook nader kennis konde krygen van de wezentlyke gesteldheid van het laaste aller Wonderen, dat hem gedeeltelyk vs. 1, 2, 3, was beschreven, en de droevige toestand waarin de Kerke komen zal, om het zelve dus voor te konnen stellen, en aan de Kerke na te laten , dat zy uit het Wonder zelf konde besluiten dat het het laafte was. Als men het zoo uitlegt, voldoet men aan de woorden in hun

verband TVN n”nTN ITP welke, dat is van hoedanigen inhoud, zal het agterfte, het laafte Wonder, van die, dingen of wonderen vs. 16., door deze ehele Prophetie, vs. 1, 2, 3. vermeld, wezen. Dan voldoet men ook aan e mening van het antwoord vs. 9, 1o.; het wordt Daniël geweigert om dat laaste Wonder nader te kennen, en daar door de Kerke van het Einde wys te maaken; die kennis, met haar gevolg, wierdt bewaart tot dien tyd des Ein:: waarin de Verstandigen uit de bevinding tot dit besluit zouden konnen Olmen. Hadt Daniël na de laaste woorden van vs. 7., als een omschryving van de laafte Bezoeking der Kerke, gevraagt, zoo zoude die woorden zoo wel het begin als van het einde van die Uitstoting gewagen, dat ze nu niet doen, en dan zoude de Propheet zekerlyk het voorzetsel NT voor nl”ITN gebruikt hebben, om te tonen dat hy van ditlaaste fprak; hy zoude de vier tydvakken van vs. 7. niet blotelyk n?N dezen genoemt hebben; daar het zeer voegelyk op het woord wonderen vs. 6. flaat en ziet; hy zoude het woord tyden of diergelyken zekerlyk gebruikt hebben, om ons te leren dat hy van het voorwerp in het reden verband afzag. Hy vraagt ook niet na de lengte van tyd van dit laaste wonder. Want dan zoude hy het woordje NT:) niet gebruikt hebben; dat wordt nooit in den zin van hoe lang genomen als het alleen ftaat , maar hier betekend het welke, van hoedanige gefeldheid en natuur. Zoo leert dan de Man met Linnen bekleed in verband van vs. 6–1o., dat men de Tydrekening en de regte gesteldheid van de laaste Kerkbezoeking niet nader weten kan, als hy ze daar beschreven hadt, tot den tyd des Eindens. Wat het tweede betreft, dat namelyk de woorden : En als hy zal voleind hebben, moeten gelezen worden, om daar dan uit op te maken, dat er een vierde tydvak by vermeerdering tot de drie eersten wordt toegevoegt ; ik zal $. XIII. tonen, dat ze veel beter gelezen worden dan als of dan wanneer; ons ::ende , dat de voleinding der Uitstoting in den laaften halven tyd thuis OOrt. Terwyl het derde, dat namelyk de laaste Bezoeking 45 jaren duuren moet; en dat die uit het verschil van die 129o en 1335 dagen vs. 11, 12, moeten op

gemaakt worden, van my $. VI. reeds is tegenfproken; als tegen de regelmatige Uitlegging van de duidelyke woorden des Geefts strydende.

Men zegge tot verdediging niet, f, dat Daniël evenwel na dat laafte tydvak gevraagt heeft, en dat ‘er geen waarfchynelykheid is dat hy daar nietin beantwoord zoude zyn; ff. en dat anders de rekening tot den tyd des Eindens niet uitkomt, en dat ‘er alleen die 45 jaren aan ontbreken ; fff. ofdat God gewoon is grote Bezoekingen over de Kerke te bepalen, en bygevolge ook dit. Want f. Daniël vraagt niet na de lengte van tyd van het laaste Wonder, en daar hy na vraagt, wordt hem duidelyk geweigert te weten. ff. Die 45 jaren mankeren wel om de Tydrekening van den Professor van 182 1. tot 1866. te brengen, maar die ontbreken aan de Tydrekening van den H. Geeft niet, die heeft ons den tyd der laafte Bezoeking op zich zelven bepaalt tot 34 jaar, en die komt door de rekening van een tyd , tyden, en een helft, direct tot den tyd des Eindens, zonder eenige ::::::::::::: : En wat God ook mag gewoon zyn te bepalen, dit zal, volgens zyne heilige Wil, niet volkomen voor den tyd des Eindens geweten worden; God behoeft niet alles te bepalen.

Zoo ongegrond en onregelmatig is dan de Uitlegging van Profeffor Jansfen over dit, op zich zelven, duistere twaalfden Hooftstuk van Daniël :de tyd, tyden, en een helft, zyn overal gebrekkelyk berekend, en daar is geen grond om de laaste Bezoeking als het vierde tydvak te stellen, en die tot 45 jaar te begroten; zoo dat ook de Tydrekening door 129o jaren tot het einde der Waereld vervalt,

S. VIII.

l. Laat ons dan tot het derde deel, dat wy voornamen te betogen, over33 Il. g Daniël Cap. 12. is, wat de termen, waarmede den tyd wordt uitgedrukt, belangt, zoo onverstaanbaar niet, als men het met de andere Godfpraken Dan. 7. Openb. 11, 12, vergelykt, en geeft ons, nevens die, ook gelegentheid, om, zonder volkomene zekerheid, na het einde dezer Wonderen te gifchen. Om dat te bewyzen zullen wy eerft zien, wat die opgenoemde Godfpraken ons hooftzakelyk, en in betrekking tot het geen in Daniël duister is, leeren; en dan hoe Daniëls gezegdens daarmede konnen overeengebragt worden. a. Ik zal my niet toeleggen, om dat geen, dat tuffchen Profeffor en my niet betwist wordt, te bewyzen; onderstellende (gelyk ik in myn Betoog over Openb. : bewezen heb) dat het Kleinhoorn op het vierde Dier Dan. 7. de Antichrift is, van wien, of in betrekking van wien, in de Openbaringe van Joannes Cap. 11, 12, 13, ook wordt gesproken, maar ik zal myn werk maken van, zoo kort my doenelyk is, te tonen, dat: (a) de spreekwy

zen, waarmede de : van dien Kerk-Ontrufter worden uitgedrukt,

hoe verscheide dat ze in klank zyn, van dezelve kragt moeten gehouden worden; en dat ze allen op 126o jaren uitkomen. (é) Dat de laaste Bezoeking 34 jaar zyn zal, en dat wel als het slot van die

126o jaren, C 3 – (3) Dat

(2) Dat de Openbaringe van Joannes onze giffching in het berekenen van deze 126o jaren van het jaar 606 toelaat, en eer begunstigt als tegenspreekt.

(…) Dat na die laaste Bezoeking het Duizendjarige Ryk van Christus vol:”, dan de loslating van den Satan, en dan de voleinding der Waere

[ocr errors]

(*) De spreekwyzen, waarmede de Regering van den Antichrist in die vier Prophetische opgaven wordt uitgedrukt, zyn van dezelve kragt. Dan.7: 25. wordt aan het kleine Hoorn toegekend, dat het woorden fpreken zoude enz. tot eenen tyd, en tyden, en een gedeelte eenes tyds; die befchryving is in drie delen duister, het blykt niet hoe lang een tyd is, nog hoe veel tyden dat ‘er bedoelt worden , nog hoe groot dat laastegedeelte eenes tyds moet wezen. Dit wordt ons ten deelen uitgeleid, als Openb. 12: 14. dat gedeelte tot een halven tyd wordt bepaald , want de Vrouwe , de Kerke, (die daar wel, als een Goddelyke weldaad, een verbergplaats zoude vinden , maar die evenwel vlugtende voor de Slange, zich in de Woestyne verbergen zoude) moest in de Woestyne gevoed worden: eenen tyd, tyden, en eenen halven tyd; nader wordt het omzwagteld, als wy uit Openb. 11: 2. Cap. ‘: 5. de hooftfom van deze “yden begroot vinden op 42 Maanden, waarin de Heidenen het Heiligdom zouden vertreden en het Beest regeren , dat is, het moeten zyn een jaar, twee jaren en een half jaar, of 12 + 24 + 6 Maanden, gelyk aan 42 Maanden, of 34 jaar. Evenwel blyft ‘er nog een vraag over; dat is, hoe lang elk jaar en elk maand hier geschat moet worden ? En daarop wordt Openb. 11: 3. en 12: 6. geantwoord, als het prediken der twee Getuigen (de Leeraars der Kerke, enz.) met zakken, en de vlugt der Vrouwe (de Kerke) tot 1260 dagen begroot wordt; tonende dat het moeten zyn 34 jaar tegen 366 dagen het jaar, of tot 42 Maanden , 30 dagen de Maand. Makende dus te famen een Regeringstyd van 126o Prophetische dagen, of zoo veel eigentlyke jaren. (Gelyk ik in myn Vertoog over Openb. 13. getoont heb).

[ocr errors]

(2) Het twede, dat uit deze Prophetiën wordt afgeleid, en dat God niet verzegeld heeft, is de lengte van de Bezoekingstyd op zichzelven; zonder die in zyn begin of einde met de waereldfche Tydrekening in vergelyking te brengen. Het is die tyd , waarin de twee Getuigen dood ter aarde zullen leggen, beslaande 34 Prophetifchen dag, dat is 35 jaar, Openb. 11: 9-11. Die Doodsstaat dezer Predikers, uit het O. en N. Teft geleerd, kan niet anders als de laafte Kerkbezoeking zyn : (1) Om dat zy voorkomen in hunne grootste en hevigste Bezoeking, die zoo veel heviger zal zyn, als hunne voorgaande bestryding, als dood ter aarde te leggen, meer zegt als met zakken te Propheteren! Het laaste beduidt een bedrukte staat, waarin met droefheid en fchaamte het werk evenwel nog wordt verrigt, maar het “: Je ‘) Ull

duid een volslagene ophouding van werken; door het, op eene pynelyke wyze, wegnemen van het leven. Openb. 11: 7, 1o. Met dat gevolg, dat zy na hun afsterving, als voorwerpen van de uiterfte veragting, van de gehele waereld, die geen begravenis waard zyn, op de straten der grote Stad, die geeftelyk genaamd, wordt Sodoma en Egyptus, alwaar ook onzen Heer gekruist is, Openb. 11: 8, 9, 10. dat is onder de magt in het gebied van den Antichrift dood zullen leggen. Een voorval, dat hen niet te voren is overgekomen, maar dat alleen dan plaats zal hebben, als vervuld wordtMatt. 24: 21, 22. Dan. 12: 1, 2, 10. Jef. 24 Joel 3. Zach. 14 dat is in den tyd des eindens. (2) Om dat de wyze dezer bezoeking, over de twee Getuigen bedreigd, van die natuur is, dat ze alleen de laaste kan zyn , want nooit is de Kerke door den Antichrift zoo verdrukt, dat de men/chenuit de volken en geflagten en talen en natien aan die verdrukking deel genomen hebben en die op der aarde wonen zich daar over hebbenverbleid Openb. 11: 9, 1o. ; dat ziet alleen op dien tyd , waarin de gehele waereld in de ondergang der ware Kerke van Christus haar belang zal rekenen, en den Hogen in de hoogte zal toejuichen. Gelykze daarom ook voorkomt als deelgenoot van den buit en de gevangenen, die uit Jeruzalem ontroofd en weggevoerd zyn Joel 3: 2, 3. en daarom als in een lichaam in Armagaddon zal gebragt worden, om daar voor straf te ontfangen Openb. 16: 12, 14, 16. Joel 3: 2, 3. (3) Om dat hun dit groot quaat zal overkomen niet in het begin of midden , maar op het einde, of na dat zy in zakken gepropheteerd hebben vs. 7. als zelf het prediken onder het Kruis hen niet meer zal zyn toegestaan, maar fterven of voor den Roomfchen Baal te knielen, hun deel zal zyn. (4) Om dat de gevolgen van de laaste bezoeking ook aan deze doodsstaat der twee Getuigen zyn verbonden; na die 34 dag zullen zy geheel leven, s eerst op hunne voeten staan, en dan ten Hemel opgenomen worden, terwyl de vyfde Phiool over den Troon des Beefts zal uitgestort worden Cap. 16: 1o. met Cap. 11: 13, 14, vergeleken. Dat alles wiskunftig de laafte, en geen vroegere bezoeking, onmiddelyk volgen moet. Doet er nu by het geen Ajaxpag. 33. gezegt is. (5) Dat die, laaste bezoekings tyd nooit op zich zelven verzegeld is, en evenwel op geen andere plaats in Gods woord bepaald wordt. (6) Dat er dan een zoete zinspeling is tuffchen 34 prophetisch jaar hunner prediking en de 34 prophetische dag hunner laafte pyniging(7) En dat 3; jaar als in den staat des doods te zyn genoeg is, om de :: bezoeking voor de Kerk af te malen, zo zal het betoog ten vollen zeer zyn. – – Die doodsstaat nu der twee Getuigen moet niet volgen op hunne 126o jarige prediking met zakken, maar die 34 jaar worden in den 126o begrepen en zyn het slot daarvan; want (†) vs. 2. wordt ons geleert dat de vertreding van het Heiligdom, en Openb. 13: 5, de regering van den Antichrist 42 maanden of 1260 dagen, zal zyn; dat dezelve tyd is van de prediking der twee Getuigen met zakken; zo nu de laaste bezoeking niet fchiet buiten, maar valt in de vertreding van het Heiligdom en in de regering van den Antichrift, zoo volgt datze ook moet vallen in de 126o dagen, die de Getuigen worden toe** ge

gekend, maar dat het eerste waar is zal geen mensch -oochenen; de laaste
verdrukking behoort als het voornaamste deel onder de vertreding van het Hei-
ligdom, en zal de laaste stuip zyn van den stervenden Antichrift; by gevolge zal
ook de 3; Jarige doodsstaat der Getuige onder de 126o dagen begrepen, en, als
wy getoont hebben, de laaste te zyn.
Het is ook niet ongewoon aan de tale des H. Geeft een tyd vak te benoe-
men en te omschryven naar een zeker langduurig geval, alfchoon er meer in
voorkomen, als dat alleen, die daar van onderscheiden zyn: Gen. 15: 13.
Men zegge niet dat 3 jaar voor de laafte bezoeking niet genoeg is ! Immers
(als het my geoorlooft is een zaak te verdedigen, waar van God geen reden
aan ons schuldig is. Hy heeft gewilt dat zy 33 jaar zal zyn, als getoont is)
is de zwaarheid der bezoeking, bestaande in een volslagen doodstaat te zyn,
genoeg om de langte van tyd te vergoeden ! God is dog doorgaans gewoon
als hy zyn Kerke bezoeken wil, de zwaarste niet de langste bezoeking te doen
zyn; de Diocletiaanfche mag men de zwaarste rekenen, die de Kerke tot nog
heeft uitgestaan, maar ze was ook de langste niet, men leze des Heilands ei-
genwoorden Matth. 24: 21, 22, en zy zullen ons leeren dat de zwaarheid der
bezoeking door de kortheid alleen zal verzagt worden: want als dan zal groo-
te verdrukking wezen, hoedanige niet is geweeft van het begin der twaereid tot
nu toe, nog ook niet zyn en zal. En zo die dingen niet verkort en tvierden, geen
vleefcb zoude behouden worden; maar om der uitverkoorne willen zullen die da-
gen verkort worden.
Ook zegt Dan. 12: 1. niet dat die verdrukking langer zal duuren; maar toont
alleen de grootheid van dezelve aan.
En alfcboon de verdrukking van Antiochus Epiphanes al mogt een voorbeeld zyn
van de laafte bezoeking, wie leert ons dat daarom de tyd der laaste bezoeking
gelyk of groter moet zyn als die van Antiochus Epiphanes, die 6 jaar 3 maan-
den en 8 dagen geduurt heeft? Wie zal uit zulken onzekere dingen bewyzen
trekken? Is het niet veiliger te besluiten dat de zwaarste quelling, die haars-
gelyken niet hebben zal , om der uitverkoornen wille de korste zal zyn ?
En : Profeffor Jan/Jen, is Antiochus verdrukking maar drie jaren ge-
weest, hoe volgt dan dat de laaste meer als eene halfjaar langer ja 41 ; jaar lan-
ger moet zyn ? – A
‘t Is ook een groot misbegrip als men de 34 jaar, waar in de twee Getui-
gen doodleggen zullen, vroeger wil zoeken als : het einde van die 1260jaren,
waar in dezelven gepropheteerd hebben, en stellen dat dit de laaften niet zyn;
om dat die nog behoren onder de VI. Bazuin, en dat ‘er nog in het begin
van de VII. Bazuin een wee over de Kerke verwagt wordt, dat haar laaste be-
zoeking zal zyn, en die verborgentheid, die God zyne knegten de propheten
geopenbaard heeft, zal uitmaken.
Ik wil al de verwarring, die deze uitlegging in de Openbaringe van Joan-
nes veroorzaakt, niet eens op noemen. Zoo ze doorging, dan moest de VII.
Bazuin geen tyd van rust voor de Kerk behelzen, maar voor eerst voor en ge-
deelte van 45 jaar, zware oordelen. Dan moest de vyfde Phiool, die op
den Troon van het Beest zelf vallen zal, als het twede wee, en dat nog vol-
gen moet op de laafte Kerk bezoeking onder de VII, Bazuin behoren. :
In Ot

n

moeft de ombrenging van die groote hoop, die den Antichrift na zyn Val zal tragten te herstellen, in Armageddon gebragt en verdelgd worden, geduurende de VII. Bazuin Openb. 16: 1o. Dit alles moet dog voor de volkomene rust der Kerke, en dat wel in die order voorgaan. Evenwel wordtOpenb. 1 1. dat tweeledige wee opgenoemt onder de VI. Bazuin, voor dat ‘er gewaagt wordt van de VII Zoo doende moet dat tweederly wee geentyd meer zyn, om dat het volgen zal op de zesde Bazuin; want dat bevestigt de Eet Openb. 1o 5–11. , dat met de reden, de openbaring, of des Profeffors stelling, zoekende zelfs in het wee der Kerke alleen een vierde tyds verdeling, niet is overeen te brengen Hier wordt voorondersteld dat de verborgentheid, die, volgens de belofte Gods aan zyne knegten de Propheten gedaan , vervuld zal worden dat laafte Kerk wee is, dat in het begin van de VII. Bazuin de Kerk zal overkomen , daar er van geen bezoeking der Kerke onder het blazen van die VII Bazuin in de Openbaringe gewaagt wordt Ziet Cap. 11: 15— 19. en het woord verborgentheid Gods des Heren enz. in opzigt van de Kerke in het Prophetische woord, voor zoo ver zy die bevinde zal, nooit in een quaden, maar altoos in een goeden zin genomen wordt, om Gods verborgene vertroosting, genade, heil, dat te voren niet bekend zoude zyn en niet voor de bevinding geweten kan worden, enz. te beschryven, (vergelyk met Job. 29: 4. Pf. 25: 14. Spr.3: 32. de plaatsen Openb. 3: 12, 24.) Gelyk die verborgentheid onder de VII. Bazuin Cap 1 1: 15—18. ook zoo wordt befchreven. Om dan evenwel myn Lezer, een klaar gezigt van de order te geven, die Joannes in dezen houdt, dient dit volgende. Openb. 9: 13. begint de Propheet van de VI. Bazuin te spreken en verhaalt tot Cap. 1 1: 14 wat daar onder gebeuren zal. Een vreefche yk Oordeel, naamelyk dat over een derde deel van de inwoonders der aarde komen zal, zonder dat zich de overigen nog bekeren, Cap. 9: 13-2 1.7ekerlyk wordt hier gezien op het geen in het einde van die Bazuin zoude voorvallen, dat is de laafte Slagting der Kerkvyanden , waarmede de zesde tydkring eindigen zal , Openb. 16: 12–21 en dus ook alle de Oordelen over de Kerk. ‘t Is daarom dat in het 1o. Cap, hooftrakelyk geleert wordt, dat de Engel, die op de zee en aarde stond, zwoer: dat ‘er geen tyd meer zal zyn, dat is na de zesde Bazuin, geyk de tegenstelling van vs. 6. duidelyk leert; maar in de dage der ftemme aes zevendenEngels, als by bazuinen zal, zoe zal de verborgentheid Gods vervuld worden , gelyk by zyne Knegten, de Propheten, verkondigt beeft; zoo er dan onder de zevende Bazuin geen tyd meer zyn zal, maar de verborgentheid Gods zal geöpenbaart worden, Cap. 11: 15–18 zoo blykt dat de verborgentheid Gods tegen den tyd overstaat. Maar welke tyd zal er niet meer zyn? Is dat een verloop van dagen, maanden en jaren in ‘t gemeen? Neen die zal geduurende de zevende Bazuin niet afgeschaft zyn ! Wat dan? zekerlyk een tyd of tydmate der bezoeking, geen bezoekingstyd; dat is geen beftemde tyd, nog geen beftemde tyden, nog ook geen balve tyd, waarmede te voren de bezoeking onder den Antichrift beschreven was; ten teken dat dit gezigte met Daniël Cap, 12: ‘bin alles overeenkomt; daar begrote de Man

Man met linnen bekleed met een Eet de Bezoekingstyden , en hier Openb. 1o: 6, 7, bevestigt hy met een Eet dat ‘er na die tyden geen tyd meer zyn zal; hoe is het dan mogelyk, dat de verborgentheid Gods vs. 7. de laafte Kerkbezoeking zoude zyn ? die 45 jaren zoude moeten duuren, en waarop de Val van den Antichrift en de Slagting der Kerkvyanden zoude moeten volgen ? dat immers den naam van tyd en bezoekingstyd niet ontberen kan ! Hierop volgt in de veertien eerste Verfen van Cap. 11. een Gezigt, van zulke zaken, die, alfchoon ze in haar gehele beloop tot de zesde Bazuin niet behoren, evenwel met dezelven zullen geëindigt zyn ; gelyk haar slot voor het begin van de zevende Bazuin (vs. 15.) wordt voorgesteld. De zaken zelve zyn het vertreden van het Heiligdom of der heilige Stad , geduurende 42 Maanden vs. 1, 2.; het prediken der twee Getuigen 1260 dagen vs. 3–6. ; het slot van deze zaken is, dat als de twee Getuigen hun getuigenis zullen geëindigd hebben, zy zullen gedood worden, en 34 dag dood blyven, dat is het onheil dat de Kerke raakt, en waarmede de 1260 dagen zullen geëindigt zyn. vs. 7–11. Hierop zal het tweede wee volgen, dat is de Verwoesting van den Antichrift vs. 13.; en dan volgt vs. 14. het derde wee komt baaft; wanneer zal dit komen? niet onder de zevende Bazuin, die behelst geen wee; vs. 15–19. boven dat zoude dit den Heer Jansfen niet helpen, die zoekt het laaste wee dat over de hoop der Kerkvyanden komen zal, als een byzonder tydvak, niet in het begin van de zevende Bazuin , maar het laaste wee der Kerke, dat vs. 7–12. voor de Val van den Antichrift vs. 13. ftaat, en moet ftaan. Wanneer dan? nog onder de zesde Bazuin. Vraagt men waarom wordt dan het derde wee zoo wel niet nader omschreven als het eerste en twede ? Het antwoord is, om dat dit reeds verrigt was Cap. 9: 13–21., daar hadt de Propheet het alleruiterfte flot van die Bazuine, de verdelging der vreefchelyke hoop, de hulpbenden van den Antichrist, reeds in een Gezigte leren kennen. Zoo dat hem, by het blazen van die Bazuin, het einde der zaken, die geheel daarin zoude voorvallen, wordt voorgehouden Cap. 9: 13-21.; daarna door een Eet bevestigt, dat ‘er na dat geval geen tyd van Bezoeking meer zoude zyn Cap. 1o., en eindelyk aangewezen wat verband het slot van de zesde tydskring hebben zal met den tyd der Verdrukking, die de twee Getuigen geduurende 126o jaren door zullen worstelen onder den Antichrift, als die ook in deze Bazuin eindigen zal Cap. II: I–14. Zoo loopt alles los, en de Openbaringe van Joannes behoudt haar Goddelyke order.

[ocr errors]

Ziet daar de Regeringstyd van den Tegenchrift door het Woord Gods onfeilbaar bepaald tot 126o jaren ! Weet men nu waar die begonnen, moeten worden, zoo weet men het einde, en dus ook het begin en einde der laafte 34 jarige Bezoeking, en, met byvoeging van 1335 jaren, het einde van de waereld. Maar hier ontbreken ons de middelen ; God bepaalt dat begin in zyn Woord zoo niet, dat men uit de Gefchiedeniffen zyne bepaling omw: – – – – aar baar op kan helderen; Hy heeft ook de volmaakte kennis daar van tot den tyd des Eindens bewaart, om ze dan aan de Veritandigen te openbaren. Evenwel hebben wy twee beginfels, waar uit een gifching kan geformeerd worden, die voor de Kerke te maken geöorloofd, en haar nodig en dienstig is. Zy mag en kan niet ontberen die wetenschap, dat de Heiland haaftelyk komen zal, en dat by aan de deur flaat; fchoon de nette tyd zyner komfte zoo ten oordeel als verloffing haar geweigerd is. Zy moet gifchen op den komst hares Heren, alfchoon zy de uure niet weet waarin hy komen zal. God heeft ons geweigerd ons Levensend onfeilbaar te kennen; wy zyn evenwel onder de verpligting om op ons einde te denken, mogen wy dan uit onze lichaamsgesteldheid, uit de toevallen die onze jaren eigen zyn, uit het gemeen beloop des Menfchelyke levens niet giffchen na ons einde ? fchoon het een zot is, die zyn, of zyner medemenfchens natuurlyke einde, zonder Goddelyke openbaring wil voorzeggen? God nu geeft ons dingen aan de hand, die ons natuurlyk tot deze giffching leiden, en die de afgetrokkene verbeelding niet ontwyken kan! Hy geeft ons de gewife kenmerken van den Antichrift, om hem te vinden waar hy in de waereld fchuilt; Hy voegt ‘er by hoe lang hy regeren zal. Is er nu wel iets mindervoor een denkend wezen, dat belang by deze dingen heeft, te myden als het onderzoek, waar men dog in de Gefchiedeniffen een zeker ftip mag vinden, tot welken zyn begin kan gebragt worden ? God houdt dag, uur, tyden en gelegentheden, dat is den netten tyd en stond, voor zich, maar belet ons de giffching niet. Maar zoo dra men hier begint te onderzoeken, zyn de middelen tot het besluit niet van gelyke kragt. God zegt hy zal 126o jaren regeren , maar hy zegt niet van wat geval hy zyn Regering aanvangt. :: Beest moest uit de Zee opkomen met al dien toestel; Openb.13: 1. hy moeft de Heiligen kryg aandoen enz. , maar waarin was de eerste blyk van zyn opkomst enz. ? Hier over konnen wy giffchen, maar niets onfeilbaar befluiten. Dit is de reden dat wy onze ontcyffering, waaraan de Kerke voor den tyd des Eindens genoeg heeft, om dat zy het daar ofdaaromtrent voordraagt, een Godgeleerde waarfcbynelyke giffching gedoopt hebben, als wy dezelve van het jaar 606 beginnen en eindigen 1866, om dat het my zeer waarschynelyk voorkomt, dat de aanstelling van Bonifacius de III. tot Algemeen :: de beginpaal van de Paufelyke Regering is. Maar is dat wel een goede grond voor een waarfcbynelyke giffching? Leidt Openb. 13. my niet wel 400 of 5oo jaar verder als Ao.6o6? (3 ) Dit nu is het derde ftuk, dat wy te bewyzen hebben , dat namelyk Openb. 13. die giffching niet omverwerpt, maar eer fchynt te begunstigen. Ik wil my niet behelpen, met my op Dan. 7. Openb. 11. en 12. , die zoo wel de grond van myn gifching zyn als Openb. 13., te beroepen, maar zal het uit Openb. 13. aantonen ! Evenwel heb ik niet nodig hier veel nieuws voor te brengen; die myn Betoog over Openb. 13. p. 57-66. leeft, zal zich voldaan vinden. Daarin heb ik aangewezen, dat alles, wat van het Beest, dat uit de Zee opquam, Openb. 13: 1, 2. &c. gezegt wordt, Characters zyn, die het gehele lichaam der Paufen, van Bonifacius III. af, zyn eig: geweest, Ik – 2.

[ocr errors]

Ik kan daarom met geen waarschynelykheid na de reden giffchen, waaruit deze tegenwerping geboren is; ten zy het deze mogte zyn, dat men het daar voor houdt, dat Openb. 13. alleen op zulke zaken ziet, die alle te gelyk zich in de waereld moesten vertonen, zonder opvolging van de een op den ander, om dan zoo te zoeken na een persoon, waarin de volkomene grootheid van den Antichrist zich ten toon spreid. Maar is dat eene regtschapene Redenering over de Gezigten van de Openbaring ? Is in dezelve geen tydorder en opvolging? Men zegt de Characters van het Beest Openb. 13: 1. &c. zyn eerst in Gregorius VII. volkomen geweeft. ,,Maar dat zy eens zoo, dat ze in hem of inInnocentius III., of een ander de hoogste top berykt hebben, is hy het daarom die ze alleen bezeten heeft ? Is er geen hoger en lager trap in de misdaden die van het zelve foort zyn? Is Gregorius VII. het Ëa dat uit de Zee opquam ? Dan moet men de 126o jaren vs. 5. van Ao, 1073. beginnen te tellen, dan moet hy alleen 126o jaren geregeert hebben; en dan zyn de vorige Paufen geen Paufen geweest, en hun leven behoort niet tot de leeftyd van den Antichrift. Die verkeerde Uitlegging gaat my niet aan, want ik heb in myn Betoog ontegensprekelyk bewezen, dat de kentekens Openb. 13: 1, 2. van den beginne van het Pausschap die Stoelvoogden zyn eigen geweest. Is Gregorius VII. dat agtste hooft, dat op het Beeft zich vertoonde ? dan deugt de Uitlegging van den Engel niet, die Cap. 17: 9, 10, 11, ons leert, dat dit het altoos blyvende bewinthebbende Hoofd is van dat Lichaam, onderfcheide van de zeven Bergen, waarop de Vrouwe zit; en de agtste Koning, in opzigt van de Zeven die voor hen geweest zyn; dat is de Bewindsmannen van de Roomfche Republiek, en is dus een beschryving van allen die over de Roomfche Kerk geheerfcht hebben, en nog heerschen zullen, Het koopen en verkoopen Openb. 1ï 17. kan niet letterlyk worden opgenomen, en op den tyd van InnocentiusIII. worden toegepast, om dat het dan geen merkteken van het Beest zoude zyn, dat uit de Zee opquam, maar van een perfoon; en dat zoude nu niet meer gelden, nadien het uiterlyk koopen en verkoopen aan onze Geloofsgenoten in het Pausdom niet verboden is. Ook zal het ons niet beletten, op het voetspoor van de Prophetiën en de Geschiedeniffen de kentekens van den Antichrift in de vorige Paufen te vinden, alfchoon eenige verkeerdelyk zich verbeeld hebben, dat in Gregorius VII. tyd de Antichrift eerft begonnen is. Ziet voor het overige, om naar myn bevatting de tydorder in het 13. Cap. van de Openbaringe te kennen, de :: p. 2–6. en de vervulling p. 57–66. van dit Hooftstuk, in myn Betoog opgegeven. Tot een korte fchets daar van ik dit myn Lezer mede: vs. 1, 2. vertoont ons den opkomenden Antichrift, zoo als hy uit een woeste en verbasterdeKerkstaat, met allerlei dwaling bezoeteld, zoude opryzen ;! nevens de altydblyvende kentekens, die hem zoude doen kennen, en de oorspronk van zyn magt. Vers Ë 4. wyft ons een merkwaardig toeval aan, dat dit verbasterde Kerkbestier by zyn begin in een van haar Hoofden zoude overkomen; waar van dat zelve zoude verlost en zyn magt gestyfd worden. Van vs. 5-1o. wordt vermeld, wat hy geduurende zyn 126o jarige Regering tegen God enz., en dat wel fuccesfive, tot de hoogste top toe, zoude verrigten. Vers 11-1:: WOrdt wordt verhaalt, hoe in het beloop van die Regering een twede Beeft uit de aarde zoude opkomen, dat in alles het gezag van het eerste zoude ftyven. Is het nu niet redelyk, dat, als ik na het begin van die 126o jaren vraag, ik dat doe aanvangen van de opkomst van het Beest uit de Zee; en in de Hiftoriën zoek waar de Pausfelyke Magt mede kan begonnen worden, om zoo een gifchend besluit uit te brengen?

S. XII.

(3) Tot het vierde deel van ons Betoog hebben wy niet meer nodig, als den Lezer tot het 2ofte Cap. van de Openbaringe te wyzen; waarin ons in verband met het vorige geleerd wordt: dat, na dat het Beest en de Valfche Propheet in de Helle geworpen zal zyn, (Cap. 19: 20, 21.) de Satan ook in den afgrond 1ooo jaren zal besloten wezen, om niet meer de Volkeren te verleiden Cap. 2o: 1-3., in welke 1ooo jaren het Ryk der Heiligen der hooge (plaatsen) op aarde zal gezien worden. vs. 4-6. En als die geëindigd zullen zyn, dan zal de Satan een kleinen tyd uit zyn gevangenis ontbonden worden , en verleiden den Gog en Magog, enz. vs. 7-1o. Of hy dat in dien kleinen tyd alleen en aanftonds doen zal, wordt ons niet ge: En na dat deze laafte Kerkbedreiging over, en de Satan voor eeuwig gekluisterd is, zal het laaste Oordeel volgen. vs. 11-15.

(De reden, waarom dit vierde deel uit deze Godfpraak by de vorige gevoegt is, zal op het einde van de volgende Afdeling blyken. )

S. XIII.

b. Ziet , dit is het dat Dan. 7. Openb. 11, 12. en 13. ons van de Tydrekening, die onder den Antichrift thuis hoort, en na zyn verdelging volgen zal, zoo duidelyk en onbetwistbaar heeft geöpenbaart; laat ons nu, om de duisterheid van Daniëls twaalfde Hooftstuk te doen opklaren , dat zelven daarmede vergelyken ; wanneer blyken zal , dat de Man met linnen bekleed de vraag, die hem van den Onbenaamden vs. 6. gedaan was : in het 7de Vers dus beantwoordt : Alle deze wonderen zullen geëindigt zyn, als de Antichrift 126o jaren het heilige Volk, dat God de hand badtuitgeftoten, in zyn hand of magt zal gehadt hebben.

Ik heb, om dit vergelyk op te maken, niet meer nodig, als de woorden vs. 7. n?Ep) enz. te vertalen, dan, of even dan wanneer by zal voleindhebben te verftrooijen, of liever uit te ftoten de band des H. Volks. Zoo dat dit laaste deel geen vierde tydkring is, maar binnen den omtrek van die drie Tydsverdelingen bepaald blyft; als zeide de Man met Linnenbekleed: Alle deze dingen zullen geëindigd zyn , na een beftemden tyd ,heftemde tyden en een helft, even dan wanneer by ook de Uitftoting van de band des H. Volks zal voltooid hebben, gelyk te voren (Cap. 7: 25.)reeds gezegt is. Dat is weeft verzekert, de Wonderen over de Kerk zullen niet langer duuren als tot dat God de 1260 jarige Verdrukking onder dat kleine Hoorn zal hebben doen

[ocr errors]

wy behoever tot billyking van deze vertaling niet veel omwegen: de voor n):25:-) kan zoo vertolkt worden ; het komt op myne vorige bewyzen uit Gen. 17: 17. en 20: 14. niet aan; (hoewel, de afkeuring zonder reden is het betekend veelmaal dan of even dan, volgende op als, Job7: 4. als ik te flapen leg, , dat is, dan zeg ik wanneer zal ik op/taan, vergelyk Cap. 34: 29, met Gen. 22: 5. Ook komt dat voorzetfel in fommige plaatsen meer als eens voor, en evenwel beduidt het maar eens dan. Jef. 27: 13. en 28: 18.

Dat de D voor wanneer genomen wordt, behoeft niet bewezen te worden; zoo dat de vertaling dan wanneer echt is. Het woordenstel Dan. 12: 7. billyk

die vertaling ook: de 2 voor Ty):) oefent wel haar vermogen op de drie tydvakken beftemde tyd, beftemde tylen en een helft, maar niet op de woorden n) 7:D:D], of men zoude die vry onverstaanbaar moeten vertolken: En na als hy zal voleind hebben, of de D is geheel overtollig; als die uitgelaten was zoude men konnen lezen: En na hy zal voleind hebben enz.; maar zoofpeldt Daniël dat woord niet. Evenwel moet op de ‘p, na, een slot volgen, en dat flot vindt men in de woorden, zullen deze dingen voleind wezen; voor die woorden behoeft de | niet te staan om dan te betekenen; dat leert het gestel der woorden , en de inhoud van de gehele antwoord, met toezigt op de

vraag, maar zy moet staan voor nl):):); ten blyk dat de woorden, dan wanmeer hy zal voleind hebben uit te floten de hand des H. Volks, tot de Tydrekening niets anders toebrengen, als eene nadere opheldering, door iets dat te voren al geleerd was; luidende de gehele zin: Deze dingen zullen geëindigd zyn, als God voleind zal hebben de Kerke uit zyn hand te stoten, geduurende een tyd, tyden en een helft. – Ik mag immers veilig die tyd , waarin de Kerke in de hand des kleinen Hoorns gegeven is, Dan 7: 25. noemen een tyd der Uitftoting van haar band uit de hand Gods;alzoo wel als de Kerkstaat, in opzigt van de Prediking des Euangeliums, onder den Antichrift by een vaal Paard, waarop de Dood zat, vergeleken wordt. Openb. 6; 8. Niet als of God zyn liefde over haar deed ophouden ! dat zal Hy nooit doen, zelf in de laafte : niet; Hy kan niet vergeten, die in zyne handpalmen gegraveerd zyn; maar de toefpeling is op het afwyzen van de hand, die men te voren ten teken van vriendelyke gemeenzaamheid in zyn hand gehad heeft, of die ons wordt toegereikt tot verzoening, en is dus een uitwendig bewys van vyandfchap en verweidering; gelyk zelfs een Vader omtrent zyn Zoon zoude konnen handelen, om zyn wangedrag, alfchoon hy hem inwendig bleef liefhebben, ,Zoo was de staat der Kerke onder den Antichrift; zy vond hem niet dien hare ziele lief hadt. (Ziet Hoogl. 5: 2-7.) Zoo moeft de uitwendig verlatene en van God getugtigde Kerke in de Babilonifche Gevangenis klagen: Hy heeft zich immers tegen my gewendt! Hy heeft zyn band denganfchen dag verandert. Klaagl. 3: 3. Zion breidt hare handen uit! daar is geen Troofler voor haar. Cap. r: 17. daar is niemand die ons uit hunne(onzer Vyanden) band rukke! Evenwel was Zion van God niet geheel verlaten. Kan nu een verdrukt vervolgd Gelovigen zeggen: Waarom trektgy u hand, ja uw regterhand af? Pf. 74: II. Waarom de gansche Kerk niet, als zy in een verlatene staat is, zynde in de hand des kleinen Hoorns? Zi– 1et

Ziet daar dan Dan. 12. geöpend , een beftemde tyd is een Prophetisch jaar, beftemde tyden zyn twee zulke jaren, en het deel is een half jaar;famen den tyd der Regering van den Antichrift uitmakende, waarmede de Oordelen over de Kerk zullen ophouden.

S. XIV.

Men zegge niet, dat “y):) nooit voor een jaar genomen wordt; een jaar is een beftemde tyd , en dat is genoeg om het Ty):) te noemen. Het woord ‘Ty een tyd Dan. 7: 25. wordt ook nooit in de Bybel door een jaar vertaald, maar Openb. 11, 12, 13. leert het ons voor een jaar te houden. .Gen. 1: 14. wordt dat woord gezette tyden niet gefieldt tegen een jaar, maar het wordt of in zyne gemeene betekenis genomen voor een bepaald beloop van dingen , die door de beweging der Hemelligten beperkt worden; of het is een gemeene befchryving der tyd, die door dagen en jaren, daarop volgende, gemeten wordt, en kan daarom in een ander verband van zaken wel voor een jaar genomen worden. Zoo stemt dan Daniël Cap. 12. met de andere Godfpraken overeen ; en leert ons boven dat, het geen wy bewezen hebben , dat hoe duidelyk deze tydtermen zyn, zy voor den tyd des Eindens in haar einde niet regt bekend zullen wezen; latende ons alleen een Giffching, die wy waarschynelyk noemen , OV er. ‘t Is waar, in het einde van Daniëls en Joannes Tydrekening fchynt eenig verfchil te zyn. Daniël rekent na den laaften halven tyd 1335 jaren, of 129o en 45 jaren, waarin de Satan zal losgelaten worden; en Joannes alleen 1ooo, en de tyd der loslating van den Satan, die zekerlyk dezelve en ook 45 jaren lang is. Zoo dat het verfchil 29o jaren is, dat alleen onmiddelyk na den laaften halven tyd moet gezogt worden, om dat ze in het einde gelyk zyn. Evenwel zal dit de vorige rekening niet bederven, als men stelt, dat de Iooojaren. Openb. 2o. niet onmiddelyk op de Ombrenging van de Antichrift en zyne Hulpbenden volgen zal. En de reden, om dit te denken, is niet ongegrond: (1) om dat Daniël duidelyk den tyd na den Antichrift tot den voleinding der waereld grooter fteld als Io45 jaren; (2) om dat de Openbaringe Cap. 2o. ons niet nootzaakt, die 1ooo jaren aanstonds na den Val des Tegenchrifts te be: de binding des Satans, op dat hy de Volkeren niet meer zoude vereiden, gaat nog voor. vs. 1, 2, 3. (3) Ook denke men niet, dat die verleiding der Volkeren zal ophouden met : Slagting der Vyanden, die den Antichrift geholpen hebben. Neen, na die laaste Slagting zal hy tot een zekeren tyd toe nog voortgaan, want als die Slagting geschied is, zullen de overige Menfchen nog de Duivelen aanbidden, enz. Openb. 9: 21. (4) Nu is het zeker, dat dit in het duizentjarige Ryk des Heilands, over een bevredigde Kerke, geen plaats zal hebben; dan zal de Satan gebonden zyn, en de Koningryken zullen Godes en Christus zyn. Daar komt my dan niets waarschynelyker voor, als dat er na de laaste Slagting der Kerkvyanden, of het einde

van den halven tyd, een tuffchentyd van 29o jaren zal in komen, waarin de Kel

Kerke uit de Christenen van Bezoekingen zal vry zyn, maar waarin Zy nogtans tot haar grootste geluk nog niet zal gevordert zyn , uit hoofde dat de Volheid der Heidenen nog niet ingegaan is, en Israël door gemeenschap aan de ware Kerke nog niet is zalig geworden, ter bereiking van welk einde die tufchentyd zekerlyk verordend is. Altans dit is zeker, dat de bekering der Joden en onderwerping van alle de Ryken der waereld, na dit derde ofíaaste wee te zoeken is, en dat daar toe tyd van noden zal zyn; gelyk het Proplietifche Woord overal vooronderstelt. Het welk te bewyzen, met ons bcpaald oogmerk niet overeenkomt ; hoewel dat overschietende tydvak van jaren, het onderzoek der Minnaars van de Prophetiën wel dubbel waarlg lS. wordt nu door dat vergelyk van Dan: 12. met Cap. 7. en met Openb. 11, 12, 13. de Rekening van myn Tegenfchryver geheel verwerpelyk bevonden, geen wonder dat men alle Zeilen byzet om die : te ontfo:. Evenwel is de wind der Openbaring en gezonde reden tegen. Men zegt ik mag Dan. 12. niet gelyk stellen met Cap. 7. en Openb. 11, 12, 13., om de volgende redenen, die ik tuffchen twee haaksken met een Letter zal beïntwoorden. Men zegt: daar is verfchil (1) in de woorden, (maar niet in de betekenis, een zaak kan door twederlei woorden worden uitgedrukt, als zy het zelven beduiden, gelyk hier.) 2. In de fcbikking der woorden; (dit verstaa ik niet; de tydtermen volgen op elkander, als Dan.7: 25. &c.; en Zoo de fchikking anders is, verandert ze den zin niet.) 3. In het oogmerk; (dezelve tydsbeschryving wordt tot twee byzondere oogmerken gebruikt, geJyk wy onder No. 13. zien zullen ) 4. In ‘t verband der woorden en zaken; (dat verandert de bepaalde tydsbeschryving niet, als staande op zich zelve.) 5. In de wyze van voor/telling; . zonder het behelsde van de Tydrekening te veranderen.) 6. In de Rekening in haarganfcb famenftel; * die is dezelve, als men leeft dan wanneer hy zal voleind hebben.) 7. In het gevolg des voor/tels. 8. In de behandeling omtrentde gezegdens. 9. In de thuisbrenging van Dan. 12: 7. en Cap. 7: 25. (zonder dat dit alles ons belet de tydtermen voor overeenstemmende te houden.) 10. Openb. 11: 9. wordt ook die tydtermen gevonden, en die stel ik niet gelyk aan Dan. 7: 25.& c. (Openb. 1 1: 9, staat niet dat de twee Getuigen : ter aarde zullen leggen, een tyd , tyden en een helft, 42 Maanden en 1260 dagen, maar 3 dag; nu moest men volslagen gek zyn, indien men van het onderwerp en deszelfs daden of toevallen wilde afgaan, en 1260 dagen met 3; dag gelyk stellen. Daar is geen redelyk menfch, die geloven zal, dat Dan. 7. Cap. 12 Openb. 11: 1, 2, 3. Cap. 12, 13, gezien wordt op de twee Getuigen, in haar doodleggen geduurende 3! Prophetische dag.) 11. Als Dan. 12. door Openb. 11, 12, 13. moest worden uitgeleid, dan wist men het geheim al ten tyden van Joannes, want die zyne Openbaringe is niet verzegeld. Cap. 22: 1o. (Men wist ten tyden van Joannes, dat die beftemde tyd, tyden en een helft 3; Prophetisch jaar, 42 Maanden, en 126o Prophetische dagen beduiden, en dat de laaste Bezoeking 34 Prophetischen dag zoude duuren; dat is niet verzegeld nog byJoannes, nog by Daniël, maar men wist niet, en wy weten het nog niet net, wanneer God gewilt heeft dat die begonnen zullen worden of geëindigt zullen zyn; dat leert Joannes alzoo imln min als Daniël, die ons tot den tyd des Eindems wyft.) 12. Zoo Dan. 12: 7. met Cap. 7: 25. gelyk staat, dan wift Daniël waar van gesproken wierdt; maar dat ontkent hy Cap. 12: 8. (Daniël verstond zeker die drie tydtermen wel, maar het geen hy Cap. 12: 8. zegt niet te verstaan, is iets dat hy niet weten mogt, volgens vs. 9., en dat tot den tyd des Eindens bewaard was; vs. 9, 1o. zoo dat dit niet verftaan daarop ziet, dat Daniël niet konde begrypen, hoe hem de tyd van het kleine Hoorn, op zich zelven beschouwd, kon brengen tot het regt befef van het einde van alle de wonderen over de Kerk, waarna vs. 6. gevraagt was, in opzigt van het beloop der waereldfche zaken. En dat is niet wonder, want die drie tydvakken vertoonden op hen zelven niet, waar ze in de waereld beginnen moesten. Daniël probeert het dan op een andere wyze, om door eene naauwkeurige beschryving van dat laatfte Kerkwonder, dat hem vers. 1, 2, 3. was voorgesteld, als het einde van deze wonderen, en waarmede God de gehele uitstooting van de hand des H. Volks, die 126o jaren geduurd hadt, zoude eindigen, agter dat tyd geheim te komen; maar dat wordt hem duidelyk afgeslagen vers. 9. Dit nu was hem Cap. 7: 21. ook niet geleerd; zoo dat hy het daar voor geen voorwerp van zyn verstaan of niet verstaan heeft konnen houden) 13, Zoo Dan. 12: 7, met Dan. 7: 25. dezelve Tydrekening voorkomt, zoo wierdtDaniël daar niet meer geleerd, als hier en als iets dat hem bekend was. Waartoe dan die ganfche omflag, van vragen na het einde van die wonderen, daarop zoo omftandig te antwoorden, en dat met een eed te bevestigen ? :: Lezer zal voor my deze tegenwerping beantwoorden konnen, als ik hem kortelyk aanwyze in welke veranderden fchefis van zaken die zelve Tydrekening inkomt. Dan.

7. en Cap. 12. By Daniël Cap. 7. komt deze Tydrekening van de Regering van den Antichrift voor , om te dienen voor een deel van die beschryving, die ons het beloop der hooft-regeringen in de waereld konnen doen kennen ; het Babylonifcbe , het Perzijche, het Griekfche , ofMacedonijche, het Romeincbe, onder het zinnebeeld van het vierde Dier, waar van de Regering van kleine Hoorn of de Antichrist, die in het Roomfche Ryk zoude opstaan (ziet myn Betoog over Openb. 13. p. 57.) een deel is; welk deel hier door de woorden een tyd tyden en een deel,wordt ingelast, en eindelyk het ryke der Heiligen der hoge (plaatfen) vs. 27. zonder te tonen of dat Ryk der Heiligen geen fmertelyke toevallen onderworpen zoude zyn; of zich te bemoeijen met het beloop des tyds, die op het verdelgen van het kleine Hoorn

volgen zoude. Maar hoe komt deze Tydrekening Cap. 12. voor? Het Verband der zaken, dat aanleiding gaf om het te herhalen, was het voorstel en de voorzegging van het laaste wonder dat de Kerk op het einde van de Regering van dat kleine Hoorn en van hem zoude worden aangedaan vs. 1,2. de onbenoemde vraagt na het einde van alle de wonderen , die zoo menigvuldig in dit Boek voorkomen? Daarop antwoord de Man met Linnen bekleed vs. 7. dat het einde zyn zal met die afgelopene Regeringstyd van het kleine Hoorn, die te voren in eene andere betrekking reeds was bepaald. En hy bevestigt het met een eed, (gelyk orgt. 1o: 5-7, nog eens geschiedt). : e de Kerke, die op Gods waaragtigheid staat moet maken, te overtuigen dat ze na dien tyd, geen wonderen meer te vrezen heeft. Ja dezelve Spreker voegt er nog by: hoeveel tyd dat er na dit laaste wonder, tot het einde der waereld, zal overschieten 129o en 45 dat is 1335 jaren ; waar in het Ryk der Heiligen op aarde gezien zal worden. Zoo dat al die omstandigheden niet nodeloos en vergeefs zyn , maar zelfs als de redenen moeten worden aangezien, waarom die Tydsbeschryving ten twedenmaal herhaald wordt.

Cap. 7. Wierdt niet geleerd dat het Ryk der Heiligen door geen wonderen meer gequeld zoude zyn; daar wierdt niet na het einde van de Kerk wonderen gevraagt; daar quam vervolgens geen eed te pas, daar wierd de tyd van het Ryk der Heilige niet beschreven, gelyk in het 12. Cap.

Zoo nu Openb. 11, 12, 13, en Dan. Cap. 7: 25, die zelve Tydrekening wel viermaal in verscheidene betrekkingen herhaald, en met een eed boven dat Openb. 1o: 5-7. gestaaft wordt, dat God dien, in het bezoeken van zyne Kerke met droevige wonderen, niet overgaan zal, zoo mag die tot opheldering van Daniëls Godfpraake Cap. 12: 7. wel eens herhaald worden. Zoo hebben wy dan ontegensprekelykelyk getoont dat de nette tyd der laaste bezoeking over de Kerke in het beloop der waereld volgens Gods beleid en oogmerk van ons, voor den tyd des Eindens tot geen jaar of tien, mag bepaald worden; dat de Profeffor die uit Dan. 12. niet heeft aangewezen, maar dat men daar na gifchende dien, zonder op een jaar of tien te zien, waarschynelyk Ao. 1866. vinden kan.

[ocr errors]

B. Het geen nu nog overblyft, is kortelyk onze ontcyfering van het Getal van den naam des Beeft over Openb. 13: 18. tegen den Profeffor te verdedigen.

:ne vinding bestond in de twee woorden ; 4xist : w4rwa zyn Heiligheid de Paus. Welken ik meen dat in alles voldoen, om dat deze (1) het getal 666 uitleveren; (2) de eigen naam van den Antichrift zyn, waarmede hy bekend ftaat by de waereld; (3), al zyne Eertitels en Karakters influiten ; als hare grondslag, waarop zy rusten; (4) een naam van Godlastering zyn; (5) verborgentheid zyn; (6) de Geestelyke kopers en verkopers, in zekeren zin eigen worden; (7) elders in het Woord Gods meer op dat zelve onderwerp, worden toegepast; en (8) overeenkomen met alles, wat in dat 13. Cap. der Openbaringen het Beest wordt toege-eigend. Ziet myn Betoog pag. 111-i:2 r.

Voorts heb ik aangewezen (1) dat ik dien naam in het Griekfch mogt zoeken; (2) dat ik daar toe twee woorden mogt gebruiken; (3) dat die Eertitel

van foannes konde bedoeld zyn; (4) dat ik tweemaal het voorzetsel 3 konde

bezigen; (5) dat de laaste letter in fyies 200 telt; (6) dat ik wazza mogt

fchryven; (7) dat zyn Heiligheid niet nadrukkelyker als door : «ytes konde – – Wer

[ocr errors]

vergriekt worden, en (8) dat dit woord voor den by uitnemendheid Heiligen konde genomen worden. Ziet pag 12 I–135. Hier tegen komt nu de Profeffor op, door eenige van die tegen bedenkingen, die ik tegen my zelven gemaakt en wederleid hadt, nader aan te dringen, (met deze zal ik my alleen bezig houden, om dat de Profeffor alles, wat hy pag. 1–58. van zyn Werk, over den naam en het getal van den naam des Beefts, zegt, en dat anders myne stelling, als in ‘t voorby gaan, zoude fchynen te raken, van hem zelven, in zyne eigene ontzyfering wordt nagevolgt, of van die natuur is, dat het in myne ontcyfering van hem kan geduld worden, uitgezeid het geen hy in deze volgende tegenwe pingen, van nieuws op, tegen my voorbrengt. (2) Eerst wordt wel in bedenking gebragt of men den naam des Beeft met twee woorden of met meer als een woord zoude mogen uitdrukken pag. 59-61. maar het besluit is evenwel dat dit mag gefchieden, als het wezentlyke delen zyn, die den naam volkomen maken en dieze niet ontberen kan (vergelyk pag. 52. regel 1o-) zoo dat dit tot nog toe niets byzonders tegen myne gedagte uitlevert; Evenwel heb ik ook regt myne zet regel daar by te voegen, op dat de Leezer die beoordelen en in ‘t vervolg toepaffen kan: Als het woord Naam in de H. S. en in het gemeen gebruik dat geen beduidt, waar door iemand op zich zelven door zyne hoedanigheden gekend, en van anderen onderscheiden wordt, zoo heeft men regt dat alles voor zyn Naam te houden, dat hem op zich zelven beschryft en van anderen onderscheidt; en bygevolg hier; de Naam van het Beeft, moet een naam :: die de 5 eerste vereifchtens, zoo even pag. 34. opgenoemt, in zich behelft en al vond men die in 1o onderscheidene woorden zoo geeft de Geeft ons regt het daar in te zoeken. (4) Nu is myn famenstel van woorden zegt de Profeffor van die natuur niet; (Ik zal : ter bekorting, myn antwoord agter de objecties voegen, als te voren. Zyn Heiligheid, als ik dat woord in die kragt neem, als ik meen dat het genomen moet worden, is alleen genoeg om er het bedoelde onderwerp in tevinden, om dat Openb. 17: 9. : zetel van het Beest te Rome moet zyn. (Antwoort, zoo redeneerde tegen Jungius, om dat hy het woord Rome in den naam des Beeft zelf wilde laten inkomen , maar dat geld my niet, de Geest geeft zyn kentekens op, en ook zyn zitplaats en evenwel kent zy hem boven dat nog een naam toe, van Godlastering, enz. ik zoek in zyn naam zyn plaats niet. Ook maakt de naam zyn Heiligheid van Rome, hem niet : door zyn wezentlyke kentekens; hy moet niet alleen als de menfch der zonde de zone des verderfs zich die Eertitel van Heiligheid in de volste kragt aanmatigen; daar in laftert hy niet alleen hem, die alleen Heilig is, maar hy moet zich ook in Gods Tempel zetten om als een God ge-eert te worden. 2 Theffal. 2. zyne gewaande onzondigheid alleen maakt hem geen voorwerp, dat de gehele waereld aanbidt, dat de tyden en wet mag veranderen, zoo hy niet te gelyk hooft der Kerke dat is Paus is. En dat nog te minder, als de T: van zyn Heiligheid, een enkelde eer 2. naann

naam is, die de Paus met de Biffchoppen gemeen heeft, als Profeffor Janffen wil; ziet het vervolg.) Niet weiniger, wordt ‘er pag. 62. by gedaan, is de naam Paus genoeg; het welke met het gezegde Openb. 17: 19. vergeleken, ons tot den Paus van Rome zoude wyzen (Antwoort ik besluit dan dat beide die namen op hen zelve de goetkeuring van myn Tegenfchryven hebben, moeten ze dan beide te gelyk gebruikt worden, zoo is myn vinding volledig; nu moeten ze beide gebruikt worden en Paus is alleen niet genoeg, want Rome gebruik ik in myn woordenstel niet, als Jungius, dien ik tegensprak; de Naam des Beeft moet zyn plaats niet aanwyzen , maar zyne wezentlyke kentekens; dit nu doet de naam Paus alleen niet, dat woord beschryft hem alleen als vader en bewindsman der Kerken , daar in lastert hy God alleen niet, maar ook daar in , dat hy zich , in het stuk waar in hy Paus vertoont te zyn, Heilig, onzondig, vlekkeloos wil wezen. Zoude, vraag ik, ooit het Pauffelyk :: waar van de Kerk-wetten voortkomen, daar het regt van de vergeving der zonde mede gepaart is, dat hem tot Hooft maakt en Bruidegom van de Heilige Moeder de Kerk,volgens die grondbeginfels, wel vallen konnen in eenen, die in het oefenen van zyn Pausschap zondig was? (ziet voorts de laaste tegenwerping beantwoord,) ‘f is daarom ook dat de verdedigers der Pauffelyke waardigheid zorgvuldig die twee Titels zullen vereenigen, als zy (volgens myn Betoog pag. 1 14.) met Burchardus zeggen: dat

de Paus, zoo in opzigte van het regt tot het Hoogpriefterfchap, als in opzigte van de Heiligheid het allernaaft komt aan de :: Godheid. Ik ontken niet,

elyk de Heer Jansfen pag. 62, 63. zegt, dat de Paus veeltyds een van die :: alleen ontfangt, zyn Heiligheid of de Paus; maar niemant zal lochenen dat dit by verkorting gefchiet, en by verzwyging en vooronderstelling van een deel dat verzwegen is; als men Paus zegt, verstaat men er onder zyn Heiligheid; als men zyn Heiligheid zegt, doelt men op den Paus, maar de Geeft oogt hier op zyn vollen naam, waarin al zyn Titels gegrondvest zyn; welke, als getoont is, die beide woorden vereifchen.

S. XVI.

(3) Voorts zegt de Profeffor, pag. 63. dat het dubbelde voorzetfel ; hem verdagt voorkomt. Hy loochent niet, (zegt hy) dat het in dit Opftel (van 3 e , tis 3 x4x72) met de Griekschetaal is overeenkomende, maar het komt hem wat al te Griekfch, en te zeer gemaakt en opgeschikt voor. In dit voorftel is de korste weg de beste ; hier worde woordelyke tekens vereifcht. (Antwoort zoo dat ik dan in dit Opstel, dat met de Griekschetaal overeenkomt, wat al te Griekfch en gemaakt en met franjen geschreven heb! die befchuldiging is een crimen Laefa Gracitatis; en luidt niet fraai als men, die toepast op Openb. 1: 5, 8. Cag, 2: 2. Cap 6: 1o. en honderd andere plaatsen : – e de Openbaringe. In myn Opstel is geen vercering of nodeloze franjen; de voorzetfels konnen alzoo min beiden of een van beiden afzyn, als een van beiden de woorden, om ze dien zin te geven dien ze hebben moeten: «) toe warra, raxx2 ayaos is in een naam van dien nadruk en zin, niet alleen te min maar ook geen Griekfch: : a) tot 7277a deHeilige Paus, beneemt de woorden hunne nadruk en doet ons vragen of er dan nog een Paus is die niet Heili is? ; raxxa ayues de Paus Heilig, is indien zin als wy hetbezigen geen Griekfch alleen, maar ook geen Duitfch; rarra 3 aytoc. is niet genoeg Griekfch, om dat dit het woord zazza (want het woord Rome, komt in myn Opstel niet) van zyn nadruk berooft; die zoo groot is als in ; 2) toe; het is zonder Voorbeeld dat de Grieken twee woorden van dezelve nadruk , het een en met en het andere zonder dat voorzetfel zouden fchryven; en al deed ik er dit voorzetfel enkel by om dat de Griekfchetaal er regt toe geeft, wat zwarigheid ? zoo men het in 3 razza alleen konde vinden, zoude het dan niet goet zyn ? of

zoude men dan nog zeggen dat dit te veel Griekfch was ? zoo neen, waar

om mag ik er het tweede woord : a) tec, van dezelve nadruk, niet by doen ? Openb. 17: 5. Bag«, en 5 uryax, is niet gelyk aan ons Opstel, dat is een zelfftandig en byvoeglyk woord het Groote Babilon; men leeft niet het Babilo & het Groote, maar waarom vergelykt men ons Opstel niet met de volgen woorden: & uárn, Tz, rossie, enz.? Maar niets heeft my in mynen Tegenfchryver meer verwondert als de volgende zetregel.)

Daar ontbreken, zegt Professor Jansfen pag. 64, 65. geen plaatsen in de Openbaringe, alwaar dit voorzetfel niet wordt gevonden, en de woorden niet te min dezelve en nog groter nadruk hebben; jaa dit noemt men een zaak, die niemant onder de Geleerden onbekend is: (Antwoort, ik kan niet nalaten by deze paffagie myn diepe verwondering te uiten ! Is het geen onder de Geleerden onbekend dat de Grieken, of ten minsten Joannesin zyne Openbaring, fomtyds meer nadruk in de woorden stelt, als er het voorzetfel ; ; r; niet voorstaat, als al? durft men zulks bybrengen in het gefchil over een Opstel, waarin een byvoegelyk woord door het voorzetsel tot een zelfstandig woord gemaakt wordt? zegt men dat zonder bepaling? waar blyft dan de regel: de voorzetfels , ,, ri, worden by de Grieken gebruikt, om en zaak aantewyzen, te onderfcheiden, te omfchryvenen nadruk by te zetten; als r; 2, 20, Summum bonum, het Opperfte goed. Moet men agter die regel voegen: maar de Grieken laten die voorzetfelsveeltyds na, om nog meer nadruk aan de woorden

te geven? Maar laten wy de voorbeelden eens bezien.) –
– Gelyk zegt de Profeffor, Openb. 17: 5. op haar Voorhooft was een naam
:: (namelyk) uv-rency (Antwoort wil men hier het voorzetfel T, heb-
en ? Waar toe zoude dit dienen? Joannes zag een Opfchrift op het Hooft
van deze Vrouw, en dat alleen met die Letters uv-vetz,; zoo ‘er nu 7, voor-
gestaan hadt zoude men het moeten lezen de Verborgentheid, waar zoude men
dan de nadruk ingezogt hebben ? Wie was die Verborgentheid? De Vrouw
zelve of haar Voorhooft, waarop die naam stond? neen het was alleen een
kenmerk dat niemant van hare liefhebbers verstaan zoude, maar alleen die
de ware Kerk uitmaken; dat is haar naam zelf, die is Verborgentheid, en dan
komt de nadruk in dit woord niet te :: haar naam was niet de verweg:
3 tJet

beid met al die omfchryving, die men ‘er by doedt, maar enkel Verborgentbeid; dat is een Verborgentheid in zich behelzende; en waar die Verborgentheid in bestond leert het byvoeg el, daar de voorzetfels niet in vergeten worden; De Groote Babilon de moeder der hoerereije en dergrouwelen der aarde; heel anders als of er stond evenste, B22u ree 7, zo 2 e de Verborgentheid van het Grote Babel, dan hadt, gelyk de Geleerdenweten, ze voor avsies, eerst te pas gekomen.)

Openb. 19: 11. en ik zag de Hemel geopend, en ziet een wit Paard, en die op hetzelve zat was genaamt rises van aanst, getrouw en waaragtig;daar zonder voorzetsels de by uitnemendheid. Getrouwe en Waaragtige Heiland bedoeld wordt. (Antwoort ik twyffel niet of de Heere Christus wordt hier beschreven; maar de Geest steld hier in die woorden die nadruk niet; Hy leert niet altyd hetzelven, als Hy nadruk in die woorden wil gesteld hebben voegt Hy ‘er die voorzetsels by Cap. 3: 7, 14.

Uit dit 19 Cap. vs. 1 I. blykt dat de Geeft de Heiland niet direct met zyn naam van Zoon Gods enz. heeft willen beschryven, maar als van ter zyde en gedeeltelyk onderzinnebeeldige namen. Hier beduiden deze woorden alleen dat Hy die ten stryd uittoog in zyne stryd overwinning en de gevolgen daar van getrouw en waaragtig zoude zyn; zyn getrouwheid enz. heeft hier alleen toezigt op zyne tegenwoordige en volgende daden, en mogelyk worden Hem deze namen hier gegeven integenstelling van dien ontrouwen en onwaaragtige, die de Kerke tot nu toe verdrukt hadt; als of de Geest zeggen wilde; die nu voor u strydt en voor u overwinnen zal, zal niet ontrouw, niet onwaaragtig, maar getrouw en waaragtig zyn. Wat men nu als eene omfchryving ‘er by voegt, deert ons niet, de Geest belet ons te lezen de getrouwe en de waaragtige.

Openb. 15: 4. Wie zoude u niet vreezen, Heere, en uwen Naam niet verheerlyken ? want giror 3gte: gy zyt alleen heilig (Antwoort hier voegt het voorzetfel : niet; daar kan aan het woord beilig geen groter nadruk gegeven worden als door het woord alleen dat neemt alle vergelyking(comparatio) weg en ftelt, dat de waare heiligheid dit onderwerp alleen eigen is en zoo veel kragt heeft altyd het voorzetfel * niet.

Men begere dan geen andere lezing als de Geest gegeven heeft en men be

pale zyn oogmerk, niet na onze byvoegfels maar naar luid van zyne woorden. Hy doet ons niet lezen : gy zyt alleen de Heilige, waar door het byvoegelyke woord zies in een zelfstandig veranderd zoude moeten worden; maar: gy zyt alleen Heilig, latende dit woord byvoegelyk blyven, Zoo dat dan de Griekfche regel van 2, 3, 7, nog haar kragt behoudt, en wy volkomen regt hebben die twee nadrukkelyke woorden, welken zoo eene voorname Perfonagie in de waereld aan duiden, met het herhaalde voorzetfel te fchryven. Ik geloof ook dat men voorzigtiger zoude doen om dat woordje Franjen en onnodige omflag enz. te myden. Zoo de woorden zonder meer kragt hebben als met het voorzetfel ; enz. en de Geleerden dat weten, zoo weet ik het

geen naam te geven als de Heilige Geest, de Wyze boven alle W: – penb.

Openb. 1: 5. om nadruk by zyne woorden te gebruiken van den Heren Christus zegt: ; azerve 3 riva, Cap 6: 1o. 3 4.77% tot $ 4, te: « 2, 3 a sire- enz. ten zy men zyn oogmerk wil vereidelen en zeggen dat Hy nadrukkelyker zoude fpreken, als Hy al die franjes er afgelaten hadt.)

S. XVII.

(J) In myne ontcyffering zegt de Profesfor, komt het getal 6. 6o. 6oo. niet afzonderlyk voor, daar evenwel in dat cyffergetal, dat de Geest gebruikt 2 g: iets geheims steekt (zoo als Vitringa het uitlegt) nu is er, zegt hy, immers niets waarschynelyker als dat de Geest die getalen in den naam des Beefts heeft willen doen doorstralen; juist niet dat Hy de 60 en 6co in een letter heeft willen gezogt hebben, maar het moet evenwel niet in veel letters, die door elkander verstrooid zyn, en die in hare famenvoeging zelf geen 60 of 6oo tellen te vinden zyn; gelyk in myn opgegeven woorden, evenwel efchiedt; ten minsten moet de 6, die de grond maat van de Rekening is, Ë uitblinken pag. 65, 66. (Antwoort als men een raadsel ontvouwen zal, dat de H. Geeft ons voorfteld, moet men zich binden aan de Wetten die H. Geest geeft, en voordeel doen met de vryheid die Hy ons toestaat, en zich niet kreunen aan die het raadzel buiten noodzakelykheid verduisteren willen. Dat doe ik in dezen. D eH. Geeft vordert van my dat ik het getal x#s 666 zal zoeken in de fchryfletters van de gedenknaam van het Beest, in zyn naam waarmede hy God lastert en die Verborgentheid is. Die zelve cyfferletters in de spelletters van zyn gedenknaam te vinden is volstrekt onmogelyk! Ik heb ook geen meer regt om de 6. ‘er alleen in te zoeken als de 60 en 6oo, die zyn zoo wel wezentlyke delen van dat cyffergetal als de 6. Dies gebruik ik de vryheid die de H. Geest my toestaat, en zoeke uit de spelletters van zyn wezentlyke gedenknaam het cyffergetal 666. zonder te vragen hoe veel de letters en van welke grootheid dat ze zyn ? zonder te vragen wat aan een ander fraaijer of nadrukkelyker voorkomt? Geeft men daar gehoor aan, zo zullen de liefhebbers van het Beeft ons wel zulke wetten voorschryven, dat wy den naam van hunnen Patroon nooit zullen vinden. Ik geloof dat de Geest in dat cyffergetal xtc. 666. een geheime toespeling gehadt heeft, maar die is in de fchryfletters van den naam des Beefts niet te zoeken, of wy waren zoo wel tot x#s bepaald in de spelletters als de Geest zich daar toe in het cyffergetal bepaald heeft, maar dat is onmogelyk, bygevolg zyn wy ook ontslagen van dat geheim alleen in de 6 te zoeken, om dat het daar alleen niet insteekt. Het geheim van dit cyffergetal, op zich zelven, dat evenwel gemakkelyk te bevatten is, is, dat eerst de 6 voorkomt, dan de 6 tienmaal of de tien 6 maal, dan de hondertmaal of de hondert 6 maal. Als er nu eens iemand van daag van ons vorderde dat men een naam opgaven, die in zyn fpelletters uitleverde eens de 6. fesmaal de 1o, fesmaal

de

de 1oo. dan zoude morgen een ander een naam konnen eifchen , waarin voorquam hondert en elf maal de 6. of eens de 6. zesmaal de 1o. en tienmaal de 6ó.! enz. enz. enz. zoude men dan geen reden hebben die folicitanten gehoor te weigeren. Wil iemand in myn twee woorden met hunne voorzetfels het geheim van de 6 vinden? ; 43 is 3 72 7-2 heeft maar 6 onderscheidefpelletters 2 3 : • » : en dus ook, zes opklimmende cyfferletters 1, 3, 10, 70, 80, 2oo. , die het getal 666 uitbrengen, als men de e, a en r, de drie eerste lettres van de woorden, driemaal, en de drie overige 3, 4, s, elk eenmaal neemt. Myn Leezer denke hier van wat hy wil. Daar konnen meer toespelingen op de 666 gemaakt worden, zonder dat die de gedenknaam van het Beeft raken ; blyvende alleen by het cyfferetal. • – g Een zeker vriend heeft my, toen ik hem myn Betoog over Openb.13. hadt gezonden, zyn bedenking over die toefpeling mede gedeelt; vragende of de Geeft niet gewild heeft den gedenknaam te zoeken in het Hooft van dat gebied of Hof, waarin het getal DLXVI. zonder de M. in gebruik is; dat is by het Roomsche, gelyk hy meldt, by zeker Schryver gevonden te hebben.

S. XVIII.

(*) Wat het geschil over de laaste letter (s) in het woord 4) is, betreft, ik zal dat in ‘t geheel met deze korte aanmerking varen laten (om dat de Profeffor my toftaat dat ik 4) ter of Ariox Schryven en de laafte letter zoo mag doen tellen.) Nooit mag de fpelletter (s) als de eind s, of 6. in de fpelkunde by de Grieken, voor zes genomen worden; (1) om dat dan de Grieken in hunne Grote fpclletters iets zoude ontberen dat ze in hun kleine 2. 2. hadden; (2) om dat zy dan op het einde van een woord geen 2oo zoude konnen plaatfen of zy moesten de Griekfchetaal van haar gebruik beroven en (*) voor (s) fchryven; :: om dat het by teken van z. geen fpelletter is die 6. beduidt of men moest de letter t. agter de e plaatsen, dat ongereimd is. (4) Den Grieken hebben het byteken van de zes in hun a g niet overgenomen om dad alles te konnen tellen, zy ontbreken deKoppa en de Sanpi, dat geen fpelletters geworden zyn; (5) zy hadden dat teken daar toe niet nodig, om dat ze met twee andere fpelletters 6. konnen uitdrukken ; (6) nooit heeft eenig goed Griekfch Schryver op het einde van een woord de (z ) gebruikt en de (*) vermydt, om daar door 2oo te tellen. Het geen ik in myn Betoog gezegt heb, dat ik my verwonderden dat grote kenners van de Griekfchetaal de (*) voor « hebben gefchreven, is alleen uit de mislezing van het woord ivars 2e, by Irenaeus, geboren; het welke ik va,33. gelezen heb, zoo dat ik, beginnende te tellen door de D (die 7o telt, en die den naam meer als 666 deedt uitbrengen, verleidt ben en al te fchielyk tot besluit gebragt dat Irenaeus de (s) niet voor noo, maar voor 6 genomen hadt, maar nu de Profesior my

my verwittigt dat ik niet wel gelezen heb, verzoek ik vriendelyk excuis voor het onregt de Griekfche Schryvers aangedaan, als of zy ooit of – voor zes in de fpelletters gehouden hadden.)

(:) Voorts begeert de Profeffor een naam, die in zyne ontcyffering meer als de optelling der cyfferletters heeft, om dat daar de Geest die Wysheid en dat verstand niet in zal stellen pag. 77 en 78. (Antwoort vraag ik den Heer Jan Jen waarom? hy zegt pag. 78. daar dunkt my het opwekkendonderwys des Geeftes heen te gaan; zoo nu dat dunken kragt van bewys heeft is het betoogt; maar ik stel myn gedagte, die op den eifch des Geestes steunt, hier tegen over; en laat den Leezer het oordeel : de Geeft eifcht van het verstand een naam te zoeken, die de wezentlyke naam van het Beest is, die alle de vereifchte kentekens (pag. 34. opgenoemd) heeft en die het getal 666. uitlevert; zonder meer.

Dunkt iemand dat dit geen Wysheid en verstand genoeg is, dat is niet voor myn rekening.)

S. XIX.

(*) Eindelyk bestrydt de Heer Jansfen de Heiligheid van het Roomfche Kerk Hooft, zeggende dat ik hetzelve te hoog verhef en dat het woord :aytse in de betekenis, van heilig by uitnemendheid: niet alleen, maar vooral van zyn Heiligheid, zoo als ik het neem (ftellende, zegt hy, de eigentlyke kragt van den naam des Beeftes, in het woord : ‘, tec) den Paus niet eigen is. pag. 79-86. In dit wydlopig Betoog leert hy (1) dat die naam van heilige, allerheiligfte, uw heiligheid enz. Alle hoge Prelater in de Oosterfche en Westerfche Kerke, zelf voor Bonifacius III., is eigen geweest. (2). Dat ze aan Ketters is gegeven; (3) dat ze van de Patriarchen der Oosterfche Kerke gegeven is aan de Paufen, die dezelven niet voor onzondig erkend hebben; (4) dat die alleen zoo veel als eerwaardige of hoog eerwaardige beduidt, (5) de Pausfen hebben zelf toegestaan dat ze quaat hebben gedaan. De Roomfchgezinden geloven dat de Paus zondigen kan, hoewel hy, op St. Petrus Stoelzittende, onfeilbaar is. Ja hetCorpus Juris Canonici (Dift. 40. C. Si Papa) vooronderstelt dat ze niet onzondig gehouden worden, zeggende: Wanneer de Paus zyne en zynerbroederen Zaligheid verzuimde, en in ‘t goede nalatig werdt bevonden; zoo dat hy ontelbare volken met zich na de belle fleepte, dat geenmenfch beregtigt ware demzelven daar over te berijpen en ter rede te /l ellen!.

(Antw. Om dat deze tegenwerping voor den eenvoudigen met veel fchyn van redenen voorgesteld is, zal ikze met verlof van een meer kundig Lezer; wat breeder beantwoorden.

Voor eerst is het zeer abusief als de Profesfor, zegt, dat ik de eigentlyke kragt des naams des Beeftes, van myn opgegeven, ftel in het woord ; dytes, myn Lezer weet dat die eigentlyke kragt in de twee woorden & dytot 3 razrna Van my gesteld en gezogt is,

F Dat Dat dan afgedaan zynde gaa ik voort te tonen dat dit woord ; 4xist in de betekenis van de by uitnemendheid heilige , en zyn Heiligheid,den Paus, naar zyne en Zyner Dienaars mening, eigen is. Om dat wel te betogen zullen wy eerst buiten en dan uit het werk van den Profeffor, zyn H. E. overtulgen. : Tot het eerste behoort: eene algemeene befpieling van de hoedanigheden, die de Roomfchgezinden in hun Kerkhooft erkennen, en die deszelfs beiligheid onvermydelyk vaststellen; het uitdrukkelyk getuigenis zyner vrienden en verdedigers, en eindelyk hetgetuigenis van zyn Heiligheid zelf, door zyne daden bekragtigt. N. De hoedanigheden die de Roomfchgezinden in hun Kerkhooft erkennen, en die zyn Heiligheid met al zyn hart toestemt, voor onderstellen zyn onzondige heiligheid. Zyn onfeilbaarheid in de Artikels van de Geloofsleer en de betragting der Goedewerken, in de geschillen van regt en daad. (Heideg, Myft. Bat. T I. p. m. 360–362. T II. p. 788.) vereifcht een heilig perfoon. ‘t Is waar de magt om zulks te konnen doen kan afgeleid worden van het gezag dat zy ftellen van Petrus tot hem overgegaan te zyn; maar de vraag is wat er in iemant vereifcht wordt, die deze magt zal oefenen? Zekerlyk de onzondigheid en vlekkeloosheid in dezen ; onfeilbaar te zyn wordt hier niet in het vermogen maar in de daad beschoud, en dan is het onfeilbaar te denken te fpreken en te werken en dat is in deze onzondig te zyn; is nu het Roomsche Hooft onfeilbaar in de stukken van geloof enz., die zoo zich zelven als de Kerk aangaan, zoo moet hy daarin onzondigdenken, fpreken en werken, en dus Heilig zyn zonder gebrek. Om tot geen byzonderheden overtegaan, waar uit het nader als de zon op den middag blyken kan. De Aanbidding en Dienft die men hem Boven de Engelen en Hemellingen waardig agt (ziet Heideg. C. l. T.I. p. 512, 517, 547.) die niet alleen op zyn waardigheid als Hooft der Kerke, maar ook op zyne heiligheid rustende is, bewyft dit; immers kan een zondaar geen voorwerp van aanbidding zyn Hand. 1o: 25, 26. Hand. 14: 1 5., en daarom stellen de liefhebbers des Beeft, hetzelve ten voorwerp van hunne dienst als een God op aarde (Heideg C. l. 445-452.) De Magt van het houden en vergeven der zonden , en dus den Hemel te konnen fluiten en te openen, vereifcht niet alleen een persoon met hoogheid en gezag bekleed, maar die zich in dit geval ook de Heilige en Waaragtige mag noemenOpenb. 3: 7. (gelyk Heideg C. l. pag. 471., te regt aanmerkt) in dien zin draagt hy by zyne liefhebbers ook den naam van het Lam Gods, dat de zonden der waereld weg neemt, (Heideg. C. l. pag. 487.) waar in de fchuldeloze onzondigheid de basis van de zaak is. ‘t Is dog tegenstrydig dat de Magt om zonden te vergeven aan tenu

[ocr errors][merged small]

een gemeen zondaar zoude toegestaan zyn; men is daarom in de-
zen zorgvuldig om den naam van Heilige Petrus aan den Paus te
even; op dat zoo met regt de Gemeente Gods op hem zoude
:: ruften, en hy het gezag oefenen van op der aarde te bin-
den en te ontbinden.
Doet hier nu by dat de Hoedanigheden van het Lichaam van
het Hooft niet konnen af zyn , dan zal volgen moeten dat het
Hooft van een Allerheiligste Roomfche Kerk niet anders als hei-
lig kan zyn; gelyk de praktyk dier Hoofde is veel van de Kerk,
dieze onder hen hebben op te geven, op dat men het toppunt
daar van in het zelven zoeken zoude (gelyk dezelve Heideg. L. L.
pag. 487 en 493. met reden zegt.)

. Maar deze redenering kreigt meer vastigheid door het opentlyk ge

tuigenis dat de Liefhebbers van den Antichrift van zyn heiligheid
geven, waarmede ook zyn Pauffelyke waardigheid gestaaft wordt,
en deze dubbelde eer naam verdedigt.
Hy wordt niet alleen als Menfch gehouden voor een Heilig
Menifch, voor een Hoog. Menfch, en boven alles verheven Caramuel
Hier. Ecclef. Lib. 1. ij: 60.) maar hy moet in de voetkus met
eer, onderwerping en gehoorzaamheid ge-eerbied worden als zynde
de Allerheiligfte Godheid (Johannes de Turre Cremata Ecclef. Hier.
pag. 2. Lib. 5. pag. 298.) Gelyk Baronius, die voorstander der
Pauffelyke waardigheid daarop roemt (ad Anno 1162. n. 2. 3.) dat
die daar vermelde Turkfche Prins den Paus Alexander III. heeft
aangebeden als de Heilige en vrome God der Chriftenen. En hoe
zoude ‘er iets onheiligs in hen konnen huisvesten, daar zy ge-
noemt worden Tempels van den H. Geeft en overvloeijende fonteinen
der Genade, die door hunne handen op de beleiders hunner naam
worden uitgeflort (Stephanus de Ofcul. Papae Cap. 3. pag. 27.) Ja
van den Paus (zegt men), als van het Hooft, vloejen de geeft en van
alle Hemelfche Genaders, die aandoening, vrugt en eene kragtdadige
beweging tot de eeuwige gelukzaligheid veroorzaken, voort in het ge-
bele lichaam der Kerke, dat is in het gehele Gemeenebeft der Chrifte-
men; met regt wordt hy daarom de Allerheiligste en Gelukzaligste
enoemt, en van allen die de Chriftelyke Godsdienft beleiden als een
zeker God aangebeden en ge-eert. (Adoardus Gualandus Epif. Cae-
fenas de Morali & Civili fac. Lib. 14. 3)
Dit alles nu zal : in myn Betoog, pag. 114.
aangehaald, bevestigen, zeggende dat de Paus, wat het regt tot het
:: betreft, en de Heiligheid aangaat, het naaft komt
aan de Opperfte Godheid.
Ook zyn deze lofnamen, die zyn Heiligheid zoo hoog opheme-
len, den Paus niet alleen niet onaangenaam, maar hy verdedigtfe
loffelyk; zy hebben ze niet alleen zich wel laten gevallen en ze
nooit tegen gegaan; ma: de handeling van den Paus Paulus III.
2. – op

[ocr errors]

op het Concilie van Trente (by Innocentius Gentileti Exam. Concil. Tridentini Lib, 5. $. 15. pag. m. 342, 343.) Zal ons leren wat gedagten dat de Heilige Vader van dien eernaam heeft. Een zeker Bifichop, die op die Kerk vergadering wat vryjer dorst fpreken, als in de byzondere famenkomst met de afhangelingen van den Paus, zeide: dat het nog niet getoont was dat de Opperfte Hogepriefter (de Paus) de allerheiligfte Vader moeftgenaamt worden, daar God zelf in de H. S. alleen heilig genoemt wierdt, maar hoe bequam hem die vrymoedigheid? Hy wierdt na Rome ontboden en van zyn Bisdom berooft. Zoo dat Keizer Fredrik II. (volgens Aventinus Lib. 7.), niet te onregt aan den Keurvorst van Beieren Ottofchryvende, met ons van gevoelen was, dat de Paus op het aller onbeschaamst durft eifchen dat men gelooft dat hy niet zondigen kan.

[ocr errors]

Vraagt men nu hoe ver de Paufchelyke heiligheid zich uitstrekt? Of hy in alle zyne daden onzondig is, of wordt gehouden ! Hier op dient een tweeledig antwoort : wat zyn daden als Paus betreft, waar in hy toont Paus ( Doctor Publicus) Opentlyk Leermeester der Kerke te zyn; dat is in alles, waarin hem de onfeilbaarheid wordt toegekent, in het bedenken uitspreken en doen werkstellig maken van alles wat tot regeling van geloof en zedender Kerke dient, in het beletten en straffen wat daar tegen strydt enz., is hy volstrekt na de mening van het Roomsche Hof onzondig, gelyk de onfeilbaarheid in dat derde (in eo tertio) met zondig te zyn niet bestaan kan. 

En wat de overige daden van den Paus, na zyne aanstelling aan gaat; die, alfchoonze in een gemeen Mensch, die geen Paus is zonden zouden zyn, worden in hen voor geen zonden gerekend; hier over mag hy van de gehele waereld famen zelf niet geoordeeld worden; al verkoopt hy de geestelyke bediening om geld, al bedryft hy overspel, al be: hy een dood flag of welke misdaad het ook is, uit hoofde van de hoge waardigheid, die God hen in de Kerke verleent heeft, is hy voor God fchuldeloos, als hy maar een onnozel geweten behout.

‘t Is daarom dat Innocentius III. dorft zeggen dat de Paus van Rome, geen enkelde menfchelyke maar een vol/lage Goddelyke ftemme op deraarde voerde, dat door de Uitlegger. (Goffator Decreti; Titulo de Tranflatione Epifcopi; Capite Quanta :: ZOo wordt uitgebreidt: dat de Pauseen hemeljche Jillekeur heeft enz. Ja dat hy van de ongeregtigheid geregtigheid kan maken. De Paus mag e

0: er

over geen doodflag of overfpel befchuldigd worden (Glofator ad caput Non nos Dift. 49.). God heeft het oordeel over hen die dePaufJchelyke Stoel bekleed, voor zich zelve bewaart. Want Hy heeft gewilt dat de Opvolgers van den Apoftel Petrus alleen onnozelheid aan denHemel zouden verfchuldigd zyn; en tegen het fynfte uitpluizen van een bediller een onbevlekte confciëntie zouden overftellen. (Idem Et caufa q. q. 3.) Zoo dat de Paus het oordeel aller Kerk vergaderingen veragt; en zyne pluimstrykers durven zeggen: dat ‘er geen misdaad kan gevondenworden, waar over de Harder der Algemeine Kerke van eenige Biffcboppelyke vergadering kan geoordeeld worden (Hieron. Albanus de poteftConc. Lib. 1. Caranza controver 4. &

Heideg. L. l. T. I., pag. 355.) In de Geestelyke) Koopmanschap,

of Simonie, zondigt de Paus niet, zegt men; ja kan er niet in-
zondigen, geen winft, van welke natuur ook, is voor den Paus on-
geoorlooft , was des Cardinaals Puccius spreekwoord. ja als hy
de heilige ampten verkoopt, bedryft hy zelf geen Simonie, (die
zonde verliest by hem haar wezen en natuur); en wil men er de
reden van weten: – Het Pauffchap is het Apoftelfchap, en dat doet
niets als Heilig, of het ontvangt niets als Heilig. (Bartolus J. C.
apud Heideg. L. l T. II. pag. 5o9.) In zoo verre dat het den
Paus geoorlooft is het vierkante in een rond te veranderen. (Jo-
doc Dumbanderius J. C. in praxi criminali Cap. 61. nuin. 67.)
Zoo dat de meermaal opgenoemde Heideg geruft (L. l. T. II.
pag. 51o) en met reden mag besluiten: dat #: voor den Paus de
zonde geen zonde is, en dat zy (zegt hy) hunne fouten onder de
verbeelding van heiligheid willen aangeprezen hebben.
En zoo moet men be-amen het geen een geleerd Schryver
(Chrift. Thomafius, in zyn Opdragt voor J. Puffendorf Geestelyke
Monarchy des Stoels van Rome, vertaald door J. le Long, pag.
2, 3.) zegt: ,, dat onder de Middelen, die de Geestelykheid tot
, onderwerping aan hun gezag gebruikt, ook dat is: dat men de
, leken en jonge Geestelyken wysmaakt, dat in het Pausdom al-
, les in een ten hoogsten Zaligen en voortreffelyken staat zy,
, die niet verbeterd konde worden , en dat de Geestelykheid
, doorgaans als zulke luiden moesten aangemerkt worden , die
, door Gods Geest gedreven wierden, en met zonderlinge heer-
, lyke deugden begaaft waren, waarmede het aldus gesteld was,
, dat wel fommige van hare daden, die zy bedreven hadden, en
, welke anderzins in ‘t algemeen voor lasters : moeften
, worden, door de Leken niet bedreven durfden worden, dog
, aan zulke uitnemende Luiden voor geen lafters gerekend moes-
, ten worden, vermits zy door de waardigheid, die God haar op-
, gedragen hadden, geheiligt wierden, enz.
Dat met de uiterste reden op het Hooft der Geestelykheid kan
toegepast worden.
Zoo dat niemant, die gelooft, dat de Paus in de zaken van
F 3 zyn

zyn Paufchap onfeilbaar, dat is , onzondig is, en dat zyne overige daden de natuur van zonden niet hebben, ontkennen zal dat de naam : gyies zynHeiligheid by de uiterfte uitnemendheid, als ::ee in hem te vinden, op het Roomfche Kerkhooft toepaffeyk is.

[ocr errors]

B. Dit nu stemt Professor Jansfen ons toe, als hy zich belieft te herinneren het geen hy in zyn werk over den naam des Beeftes , gezegt en met bewyzen gestaaft heeft, en waarop de kragt van zyne redenering steunt, waarop men meer moet agt geven als op woorden zonder bewys, en daar men zich mede dekken wil, als men ziet dat de eens ontdekte waarheid ons oogmerk niet begunstigt. De twee Eertitels ; 4ytec , 7,77, worden daar in afzonderlyk in haar kragt beschreven en famen gelyk op den Paus te huis gebragt. Dat dog de Profeffor de kragt van het woord van ze als algemene Stedehouder van Christus, op den Paus toepast zal hy niet lochenen. (pag. 11, 22, 93, IC2. enz.) Maar hy vind de Titel van zynheiligheid ook in hem, zoo in aantetonen dat de Minnaars van het Beest, die hoedanigheid in hem erkennen, als die zelf in hem te stellen (na de order der bladzyden zullen wy dat opgeven.) Pag. 12. Toont de Profeffor ons (in notis) dat Paus Gregorius VII. in zyn Dičtatus voegt: dat deRoomfche Paus, als hy wettig geordend is, door de verdienften van den Gelukzaligen Petrus ontwyffelbaar Heilig wordt, pag. 92. erkent hy dat de Paufen zich verstout hebben te zeggen: dat ze in de medegenoodfchap der ondeelbare Drieëenheid aangenomen en toegelaten waren. Maar hoe gaat dat toe zonder zyn Heiligheid te zyn ? pag. 111, 112. wil ik hier met een drie dubbel NB. gemerkt hebben! daar leert de Profeffor zoo klaar als de dag, dat hy Innocentius houdt voor het Antichriftifche egte afbeeltfel, om dat hy by uitnementheid zich de kragt van den naamInnocens onfchuldig, onnozel, als de regte beschryving van Christus Heilige onnozelheid onbefmet’heid enz., heeft aangematigd; willende de zuivere witte Lelie, de Bruidegom der Kerke :: ja hy toont dat dit niet alleen van Innocentius zoo betragt is, maar van de Paufen in ‘t gemeen, zeggende: zoo willen evenwel de Paufen de Stadhouder, de Vicarius van Chriftus, ju de Chriftus die alleen op aarde de ware Innocentius geweeftis, zyn. Ziet daar een bewys uit de Pen van myn Tegenfchryver dat alles voldingt. Willen de Paufen in de onfchuld en onnozelheid Christus zelf zyn , dan kan de Titel zyn Heiligheid, in de uiterste nadruk, hun niet geweigerd worden, Het lust my daarom niet meer bewyzen uit dit werk aantevoeren (die het lust Leze de duidelyke uitbreiding en toepaffing van Christus vlekkeloosheid, op de Paufen pag. 12.5. vergelyk pag. 142, 158, 159, 16o, 161, 165, 177, 181, 183.) Al

Alleen zal ik nog kort aanmerken dat zyn H. E. die twee eernamen ; 4) is, ; 72x,- in de uiterste nadruk op den Paus toepaft. Dit dog is de basis van zyne gehele redenering, waar uit hy wil bewyzen dat de naam ‘Loy): 7, den bedoelde naam des Beeftes is, en dat die op Innocentius III. met de meest nadruk toepaffelyk is; om dat die twee hooft hoedanigheden van de Lelie, als een zinnebeeld van : hoogheid en zuivere heiligheid, als de voortreffelykste en zuiverste Bruidegom der Kerke nabooft. (Ziet deze redenering van $. LXIII–LXXXVIII. en NB. ag. 167. P $:”men moet niet denken dat de Profeffor dit alleen van Innocentius III. zegt; neen, van de Paufen in ‘t gemeen: pag. 125. $. LXX. zegt hy hooftzakelyk dat de Paufen de Eertitel van Hogepriefter, ja onzondig Hogepriefler op zich zelven, in navolging van c: toepaffen. Ja hy vereenigde de eernamen zoo, dat hy de gelykheid aan Jefus onfchuld de grondflag van al hunne gewaande hoogheid rekend pag. 176. Zoo dat ik het voorzetfel : aan het woord :,, , dat van zulken nadruk is, niet weigeren kan. En dat het voor het woord z-77, moet staan, leert de Profeffor zo duidelyk als ik zoude konnen doen; anders zoude zyn H. E. te vreden zyn geweest met het woord ND-DN, dat hetzelve in kragt is

met razza, maar hy oordeelt dat het voor woordje NYT dat dezelve kragt heeft als het voorzetfel é, daar by moet staan, vergelyk p. 1oo met 108.

[ocr errors]

Stemt dan myn H. E. Tegenfchryver met my in de zaak overeen, zoo laat ik de tegenbedenkingen, die zoo wel tegen hem, als tegen my gemaakt konnen worden, tot zyne verantwoording. Ik voor my los dezelven dus kortelyk op. (1). . Wie deze of diergelyke Titel van zyn Heiligheid ooit gedragen heeft of niet, ik ontken , dat zy met goetkeuring van den Paus en zyne liefhebbers, zedert het Pauffchap ooit aan iemant in die nadruk wordt toegekend. (2) De allersnoodste en hoogmoedigste zondaar kan wel eens tegen alzyne vorige voorwondzels komen tot kennis en beleidenis van zyne zonden; gelyk Hilarius II., die in deze door de bekentenis van zyne zonde de grondregels van het Pausdom heeft omvergeworpen. (3) De Roomfchgezinden hebben allen geen even brede gedagten van de onzondigheid van den Paus; maar hy (de Paus) die volgens zyn voorwenden elk oordeelt, en van niemant geoordeelt wordt, moet ook in dezen in het oordeel over zich zelf en dat door den mond zyner verdedigers wordt uit gebragt, gehoort worden; en dan is hy zyn Heiligheid, als getoont is. (4) De plaats uit het Corpus Juris Canonici, dient alleen om aan te wyzen (t) dat de Paus in zyn doen van niemant mag geoordeelt worden (#) d: à ult’!l daden geen zonden zyn, alfchoon een ander dat zoo oordeelt (†††) en daartoe dient het woordje Indien; om te tonen dat hier geen zaak bedoeld wordt, die juist wezentlyk geschied of gefchieden kan, maar het oppert een zeker merkwaardig geval (Cafus) om er de gevolgen uit te trekken, die men bedoelt, zonder te stellen of te ontkennen dat het mogelyk is of niet, (gelyk dat woordje in de Heilige Schrift zoo gebruikt wordt, Mattb. 24: 24. zelf tot volkomene ontkenning, maar alleen om de kragt der verleiding van de valsche Propheten uit te duiden; daar alles wat agter dat woord in tien staat niet mogelyk is) zoo dat wy hiertoe de onfeilbare uitlegging van den Paus zouden nodig hebben, om uit hem te horen of er een wel geoordende Paus kan zyn, die zyne Za igheid verzuimt en gehele volkeren met zich na de hel fleept, maar, die dat wat vrypoflig en ernstig verzogt, te weten, zoude gelukkig zyn zoo hy met neen alleen beantwoord wierdt; gelyk de ongelukkige Bifichop op het Concilie van Trente, die de Hoogheid der Paufelyke heiligheid in twyffel trok, bevonden heeft

Zoo maak ik dan voor nu en zoo ik hoop voor altoos met dit trekken van de twiftzaag een

[ocr errors][merged small][graphic]

[merged small][ocr errors][merged small]

(Volgens de Prophetische Landbeschryving, die
op de Laafte Tyden des N. T. ziet,) na de
Plaats, waarin de Koningen der Aarde en
der Waereld, met hunne Menigte; voor
den aanvang van het Ryk der Heili-
gen, zullen verzameld en omgebragt
worden.

[ocr errors]

o P EN B A R 1 N G E xVI: 16.

[ocr errors]

En zy hebben ze vergaderd in een plaats, die in ‘t Hebreuwfch
genoemt wordt Armageddoom.

[ocr errors]

et behoeft niet wydlopigl bewezen te worden, dat dit ge- vet oog deelte van Joannes Godfpraak, op het einde of het laa- dat deze

ften der dagen des lydens en der verdrukking, die de Kerke voorzeg

onder het N. Teft, zal uitstaan, moet toegepast worden; en #:. dat deszelfs vervulling te vergeefs vroeger is gezogt, en nooit band met gevonden. het vorige

Een die met behoorlyke aandagt dit zoo voortreffelyk als dui-, 88

delyk Prophetisch Boek nagaat , vindt zonder tegenspraak de: WOOT- ging der

Kerk vy- woorden van het 16., vers van dit XVI. Hoofdstuk, in zulk een ::,,verband, dat ze eerst onder het beloop van het VIde Zegel en ::”de VIde Bazuin, ja zelf by het uitgieten van de VIde en VIIde ing van Phiole, die alle zeven tot den tyd van het zefde Zegel en de ::” zefde Bazuin behoren , konnen en moeten vervuld worden ; ” en dat wel na dat de Vde Phiool over den Troon des Beefts, zai

zyn uitgegoten. Dat is, als God zyn lang bedreigd oordeel over

den rykszetel van het Beest zal hebben uitgevoerd; gelyk het : van Cap. 14: 1. tot onze Text toe allerduidelykft aan

wy –
S. II.

Wat men ook uit de geschiedeniffen en Kerkelyke of Waereldfche voorvallen, om deze Voorzegging op te helderen, als of die reeds vervuld ware, by brengt, is vrugteloos. De flag van Valerianus met de Persianen; Conftantyn des Groten overwinning over zyn :: Maxentius ; de nederlaag van Gustavus Adolphus Koning der Zweeden en beschermer der Protestanten, of deszelfs dood; heeft geen gemeenschap met het bedoelde onzer Text woorden; waar in, in verband met het vorige en volgende, geoogd wordt: op eene trouweloze verzameling, (2) van alle Koningen der Aarde en der Waereld, (3) tot een plaats; (4) waarinze alle te gelyk de armen verdrukte Kerk zullen zoeken te verslinden; (5) maar die allen, zonder behulp der Kerkleden, door Gods oordeel zullen omkomen ; (°, met het aller rampzaligste gevolg voor alle Koningryken der Waereld; (7) en de aller gewenfchfte vrede en ruft van de Kerk, vergelyk Cap. 14: 1. tot het einde van ons Hooft

eel. – – d Ik zeg tot het einde van ons Hooftdeel, om dat gelyk Pa😀 reus te regt heeft opgemerkt, het 16 vers niet als het flot moet ::” aangezien worden, van het geen Joannes van deze vergaderde ::ïeï- Waerelds-Vorften : als of zyn oogmerk alleen was hun de vyan- in deze plaats ongestoord te laten. Neem vers 17-21, wyft hy :: aan dat de VIIde Phiool over hen daar zal worden uitgegoten, zoïde, tot hunne volkomen ondergang. Dat zoude de Dorfchvloer en moet uit de Wynpersbak des Almagtigen zyn, die buiten de Stad zoude

[ocr errors]

::: – getreden worden , met de gevolgen , Joël 3: 14. Openb. 14: 18–,

worden, 2O. , , – – Immers zy moesten verzameld worden tot den kryg van dien

groten dag des Almagtigen Gods, vers 14, van ons Hooftdeel; dat met geen ledig vertoeven in die plaats zoude aflopen; maar de verwoesting van alle de fteden der Heidenen, (die hier vergadert waren) zoude na zich flepen ; in ‘t byzonder die van het grote Babylon vers 19. De famenhang leert ons dan de zaak zoo te bevatten. De 3 vyfde Phiool zal uitgestort worde op den Troon des Beefts; waartoe bestaande in Gods vreselyke oordelen, welken Hy den Anti-: chrift en zyn onmiddelyk ryks gebied zelf zal doen ondervin-: den; met dit rampfpoedig gevolg: dat die straf oefening, hem dan nog en zyne Kerkleden voor het grootste gedeelte, in plaats van tot: bekering te leiden, tot het lasteren van God zal aan zetten.” vers 1o, II. Onderwyl zal de ontzacchelyke menigte der Koningen der Waereld, die de Antichrift te voren reeds in zyn verbond tegen de Kerke, door de verleiding der onreine Geësten, die uit zyn mond, uit den mond des Draaks en des valfche Propheets zullen uitgegaan zyn, zal gebragt hebben, en die aan den roof, die hy in de Kerkstaat zal hebben gemaakt, zullen deel gehadt hebben, tegen de Kerke aankomen, dezelve met fchrik vervullen, en vergaderd worden in de plaats, die in het Hebreeuwfch genaamd wordt Armageddoon, om van daar, volgens hun oogmerk, de Kerke te overvallen en den Antichrift te herstellen; maar volgens Gods oogmerk om aldaar verdelgd te worden en op een ryze den loon te ontfangen voor alles, wat het Heidendom zyn volk te voren heeft aangedaan, terwyl de Oogft der Aarde zal zyn ryp geworden.

S. III.

Daar is een grote verscheidentheid in de verklaring der uit- B leggers, over de voorwerpen, die deze vergadering der Wae- verklarelds-Vorsten zullen te weeg brengen. Die het werkwoord ov.:ng der vayayev in het enkelvoud op nemen, paffen dat toe op den:den. Almagtigen vers 14. of opChriftus vers 15, of op den Satan, of op het Beeft, vers 13. En die het als meervoudig aanzien, wie de brengen het te huis op de Drie onreine Geeften, die uit den voorwermond des Draaks, des Beests en des valschen Propheets zou-: *** den uitgaan, vers 13. welke laaste uitlegging wy ook voor de onze” a houden; om dat die laaft genoemden tot dateinden tot de Koningen verzameder Aarde en Waereld waren uitgezonden, om ze te vergaderen; ten zullen, hebben zy nu geflaagt in hu: oogmerken, zoo kan men de

2 VCT

vergadering niet gepast aan iets anders toeschryven, als aan hen. Hoewel : gaarne bekennen willen , dat het verschil niet : is, al wierdt de gedagten van Beza en anderen gevolgd. ods heilige toelating, Christus regtvaardig Kerk bestier, en de Satan met zyn werktuig, het Beeft, zullen daar in famen werken, dat deze flagtfchapen in Armageddoon aan landen.

[ocr errors]

Want daar zullen ze dezelven vergaderen; dat is de Koningen, Die ver- die van den Opgang der Zon komen zullen, vers 12. de Koningen gadertder Aarde en : geheele Waereld, vers 14. uit alle fteden der :: Heidenen, vers 19. die het Prophetiefch woord ons nader befchryft, (ziet onze vierde Aanmerking tegen Jungius pag. 3445.) als Koningen der Aarde , dat is die tot de zoogenaamden, en evenwel verbasterde Aarde, of de Kerke, hunne betrekking hebben; die zelve Aarde, waar uit het twede Beeft te voorfchyn kwam. Openb. 13: 11., Dat is de Kerkstaat des Antichrift ; welk zyn Egipte , Pathros Edom, Moab, de kinderen Ammons, de Eilanden der Zee, en Philifteinen; terwyl Sinear, of Babylon reeds verdelgd zal zyn.De Koningen der Waereld, van de Koningen der Aarde onderfcheiden, als tot de uitwendige naam Kerke der Christenen niet behorende zynAffyrië, Morenland, Elan, Midian, Hepba, Scheba, Kedar, en Nebajoth. Vraagt men, welke zal dog de wyze zyn, op welke zoo eene e: gevreesde menigte te samen komt? Wat daar van de reden zyn Neïnde mag ? en het einde ? wy vinden, volgens het verband der zade wyze ken, hier toe geen beter antwoord als: dat de Almagtige God, :::::: voor dat Hy zyner geschokte Kerke tot haar volle rust op Aarve:zaïe- de zal brengen, volgens zyn eeuwig bestek en heilige geregtsling zy. oefening, de Aarde van haar zedelyk onkruit zal zuiveren; dat Hy in ‘t gemeen de zonden der Waereld, in ‘t byzonder de verdrukkingen zyn Kerke toegebragt, ook door een baarblykelyk oordeel van tydelyke strafoefening zal te huis zoeken; dat Hy tot dat einde de Koningen der Aarde en der Waereld zal overgeven in een verkeerden zin , om de leugen geloof te geven ; dat Hy de hooftvyand van het menfchelyk geflagt, den Satan en , deszelfs werktuig den Antichrift , den verleider der Waereld, en deszelfs gedienftig hulpmiddel het twcden Beeft, zal loslaten, om de harten dezer Ko— – – ningen

[ocr errors]

ningen te bewegen en te overreden ; hoewel deze werktuigen
in Gods hand , hunne byzondere oogmerken daar meden zul-
len zoeken te bereiken ; dat is , om onder voorwendzel van
grote buit in het land der Kerke te vinden; en den naam van
dat volk, dat met alle bygeloof van Heidenen en Pausgezin-
den fpot, uit te delgen; en alleen een tweeledigen Godsdienst
op de Aarde te eerbieden en aan te stellen. – – –

[ocr errors]

Zoo dat zy onder het geleide van Bedrog , Ligtgelovigheid :} Eigenbaat en Yver voor hunnen valfchen Godsdienst (die hooft Waar oorzaken van buitensporigheden) zullen gebragt worden, tot het:t beantwoorden aan Gods verborgene wil, in een plaats, die in ‘t zyn. Hebreufcb genaamtwordt Armageddoon. d

KaAdua evov ‘E32zis: kan tweezins genomen en uitgelegd wor- :: :
den. Zy wordt genaamt Armageddoon in ‘t Hebreeuwsch, dat :”
is, met een Hebreuwfchen naam, met uitfluiting van andere dat deze
talen; gelyk n”in op Joodsch, enz.; dat is in de Joodsche:,
taal, genomen wordt, Jef 36: 11; op dat men dus dit woord :
alleen in het Hebreuwfch lezen en met die Taal vergelyke en wordt-
zoo verklaren zoude. Maar ook kan het zeggen op Hebreuwfch,
dat is, gelyk de Hebreen de gewoonte hebben bunne namen aan plaat-
fen te geven, overeenkomftig de gevallen, die daar in gebeurd zyn;
gelyk hier over nader zal geiproken worden. Zoo dog wordt
is 32, 3 e , is zič2 op zyn Joodfch, of na de wyze der Joden te
handelen en te leven, genomen Gal. 2: 14. dat is gelyk de Jo-
den gewoon zyn. Welke laafte wyze van verklaren in de cer-
fte kan opgefloten leggen : om aan te tonen dat de reden van
dit Hebreuwfche woord gelegen legt in de kragt van beteke-
nis, welke dit woord heeft, met toespeling op het geval, dat
in die plaats zal voorkomen ; gelyk dit uit de nadere verkla-
ring ook zal blyken. –

In ‘t gemeen kan deze wyze van spreken dan beduiden, dat
het I een plaats zoude zyn, welke uit de taal en gefchiedenis
en het land van het oude volk Gods, de Hebreen, kan wor-
den opgehelderd ; 2 een plaats die door dezen naam zoo om-
fchreven wordt, om dat dezelve in ftaat is, het geen in die
plaats gebeuren zal, te betekenen; 3 eindelyk ook, om dat Gods
oude volk nodig heeft die ::e te kennen in zync eige-
– 3 *- – Ine .

ne taal, om dat ook daar in de bepaling van zyn gelukkig lot gemaakt zal worden.

S. VI.

— c.: b– De meeste en meest geagste afschriften drukken dit woord uit Nadere zoo als wy het lezen: ‘Apuzysāā ov; hoe wel er weinigen zyn die ::g2owaye3%v lezen; en een enkelde die épulaye B&v heeft. Evenwel is ::” ‘er geen reden de gewone lezing in twyffel te trekken of te ‘Apuayat-verwerpen, te meer daar deze onderscheidene lezing in de nadeJxy- re verklaring geen onderscheid maakt; waarom wy ons des ook weinig bekreunen. Meer verdient het onze aandagt en onderzoek wat men Letterkundig, aangaande de oorspronk van dit woord houden moet; wat hetZinnebeeldige en Prophetische zy, dat daar in besloten legt; en waar men deze plaats in de der Propheten, met be-oging van de ware Kerk, in het laaste der dagen, eigentlyk te zoeken heeft. Naar dat bestek zullen wy onze verklaring-inrigten; en aan wyzen: (2) dat onder dien naam ‘ApplaysBètav, geen plaats verftaan wordt, die eigentlyk zoo geheten heeft; ja zelf dat ‘er niet zinnebeeldig of prophetiefch gedoeld wordt op eenige : , die naar de f: inklank met deze naam overeenCmt. (3) Maar dat de naam van deze plaats geheimzinnig is; dat ze op zich zelven niet aanwyft in wat gedeelte van de Waereld zy te zoeken is, maar eene afnoeming is van de zelve naar het geen daar in gebeuren zal. (y) Evenwel zullen wy tonen, dat de zelve uit het gelykluidend prophetisch woord nader kan worden aangewezen. En (3) eindelyk zullen wy navorschen waar de zelven in de Waereld te zoeken zy.

S. VII.

1 . ‘t Is te regt van Pareus en anderen aangemerkt dat de beD::ei- woording ‘Applaye?%v op geen plaats ziet, die eigentlyk en naar ::* de Letter zoo genaamt wordt, om dat nog de oude nog nieugeen – – – #laats van we Landbeschryving of de Gefchiedeniffen ons zoodanig eene

dien – e is ook geen reden om te : in plaats in de Waereld opgeven. Daar is ook geen reden o

den

denken, dat er indien tyd, waar in de flagting, waar op ge- de oude doelt wordt, gebeuren zal , een plaats van dien zelven naam of Nieu: zal gevonden worden , die voor den tyd of by den tyd van : Joannes of in onzen tyd niet bekend is ; daar die zelve plaats ving bein het Prophetiefch woord, met toezigt op deze zelve flag, kend. anders wordt genaamt ; (als wy nog nader zien zullen) en daar de geheim zinnige betekenis van dat woord genoeg is om ons te vrede te stellen; daar, indien er naderhand, by de vervuiling van deze Godfpraak, zoo eene plaats eerst zoude bekend worden, deze Godfpraak in opzigt van dezen naam geen licht in zich zelve zoude hebben; om dat de plaats nog letterlyk nog geheim zinnig bekend is, en dus de omschryving voor den tyd der vervulling vrugteloos zoude zyn. ‘t Is my bekend dat de vermaarde Cocceus , aan welken de 2Beminnaars der Prophetien zoo veel verpligt zyn en voor hem, Het en op zyn voetfpoor, verscheide anderen , den Hebreuwfchen:d

– heeft ook

naam Armageddoon lezen: ?) “TM:) TT Har, of Ar Megiddoon, de : . – peiing

Berg Megiddoon , als ware de toespeling op een plaats, die: “:

– iddo om in in de halve Stamme Manaffe, aan deze zyde van de Jordaan,: Stam

na de Middelandsche Zee gelegen, Megiddo genaamt; by wel- me, Make zulke merkwaardige zaken zouden gebeurd zyn , die met:” het bedoelde in Joannes Godfpraak zouden gemeenschap heb- e ben; en als voorbeelden tot opheldering van dezelve zouden konnen ftrekken; maar te onregt.

Wy vinden, wel is waar, geen ongereimtheid in deze afleiding op haar zelven: het Hebreuwfche woord TNT wordt van de Grieken doorgaans &o en niet & gelezen, om de zagte klank, de IT eigen; gelyk “nnT Harari Sam. 23: 11. Enn Habel Gen. 4: 2. h’JT Hagaia 1 Chron. 6: 30. EnHaman Efther 3: 1. van de LXX. door ‘A-ouxzios, “A3sA, “A: ya, ‘Aa &v, wordt uitgebragt, (doorgaans zeg ik, hoewel zy ET Gen. 14: 15. dpalezen) gelyk, tot nader vergelyk, Eufelius ?'”) “In de Berg Garitzin, door ‘A vzp’ev uitdrukt; Plinius en Tacitus nncorconT de Zonneberg doorArfamofata.

Ook is het waar dat Jofephus J. O. Lib. 9. C. 5. L. 8. C. 2. die bedoelde plaats Mzysè3% en Maye 3 ov noemt; zoo dat, indien er geen wezentlyk beletsel zich op deedt, de afleiding zoude konnen toegelaten worden.

S. VIII.

De reden nogtans, die ons verhindert die vinding toe te stemmen, fteunt niet op de zintwift, en de vraag of de Landkaarten die Plaats Magiddo,waar by deze voorbeeldige en merkwaardige zaken, waarop Cocceus en anderen doelen, moeften voorgevallen zyn, wel regt getroffen hebben, als zy de zelve in de halve ftamme van Manaffe, aan deze zyde der Jordaan, by de Middelandsche Zee plaatsen; daar veel tegen in te brengen zoude zyn: want Jof. 12: 21. Jof. 17: 11, 15. Jud. 1: 27. wordt die Stad of dat Koningryk wel in de halve ftam Manasfe, aan deze zyde de Jordaan geplaast by Thaanach , daar Ephraims gebergte in die halve ftamme Manaffe infchiet , maar 2 Kon. 23: 29, 3o. 2 Chron. 35: 22, wordt vanMegiddo gefproken , waarheen Jofia optoog , als hy zich tegen Pharao Necho , Koning van Egipten kanten wilden (op welk geval Cocceusmeent dat gezien wordt) terwyl deze in den zin hadt de Affyriers, aan de Euphraat te beoorlogen, . Of dat nu het zelve Megiddo zy, dat in de halve ftamme Manaffe aan deze zyde der :: gelegen was, kan wel hartig in twyffel getrokken worden; om dat dit de weg van Pharao Necbo niet schynt geweest te zyn, om zyn vyanden op te zoeken ; die nader door Idumea en het Land der Moabiten te vinden was ; ten zy men met den ArbeidfamenReland, Pal. S. Tom. 2. pag. 893-895. ftellen wil, dat Pharao Necho langs de zeekust tot in de halve ftam Manaffe is door getrokken, om van daar zyn vyanden te gaan opfporen.

Maar hoe “: toen eerst in den zin gekomen is dien Pharao Necbo te bestoken, daar hy reeds door de ftamme Simeon, Dan en Ephraim, voorby de stamme Juda en Benjamin moest getrokken zyn , , zonder Jofias verlof en voorkennis, wordt by gissing, en niet met zekerheid goed gemaakt. Mogelyk was het geschil te besliffen door te stellen, dat er meer als een Meiddo geweest is, en dat de plaats, 2 Kon. : enz. genoemt ten Ë: van de Jordaan, den weg op na Affyrie gelegen heeft; gelyk ‘er verscheidene gelyknamige Steden in Paleftina gelegen

zyn geweest, als Afor, Emmaus, Kades, enz. Maar wy zullen ons van dit geschil niet bedienen en vooronderstellen dat Megiddo die berugte plaats in de halve ftamme :: – Ild 11e naffe, aan deze zyde de Jordaan te zoeken is; het zy digt aan de Middelandsche Zee; of, gelyk Vitringa meent, nader aan de Jordaan, tuffchen het gebergte Gilboa.

[ocr errors]

De redenen waarom wy ?)”):)”WV voor Armageddoon niet kon

nen houden, is voor eerft om dat de Berg Megiddo by geen Hei- om dat ligen of ongewyden Schryver bekend staat. Megiddo komt voor : ell 1) als een Koningryk, of liever als een Hooftstad, of Koninglyke: verblyfplaats, Jof. 12: 21. Cap. 17: 11′ Rigt. 1: 27. 1 Kon. 4: beschuy12, : 9: 15. 2 Kon.9: 27. Cap… 23: 29, 30,1 Chron. 7: 29.: 2) daar wordt wel eens van de Wateren Megiddo, Jud. 5: 19.: : van het Dal Megiddo gefproken, 2 Chron. :22. Zacb. 12: weet. 11.; maar nooit van den Berg of het Gebergte Megiddo. Jofepbus

[ocr errors]

der de Steden die Salomon boude; gelyk ook uayéè32. Lib. 9. Cap. 5. als een Stad wordt opgegeven, waarin Ochoftas aan zyn wonden gesturven is. ‘t Is waar, dat men de zaak tragt goet te maken met te zeggen: dat ‘er geen Dal is zonder Berg, en dat er in de Dalen doorgaans Wateren zyn. Evenwel is er, met toezigt op de bewoording, waar mede een Dal in de Hebreuwfche taal wordt omschreven, exceptie op deZe : zetregel; daar zyn in het Joodfche Land verscheidene Dalen geweest die tot genen Berg betrekking hadden. (Ziet Reland P. I. p. 348.) Maar die zetregel eens toegestaan zynde; volgt daar dan uit dat de Berg, die by het Dal is, dezelven naam draagt als het Dal? Ja kan de Stad Megeddo op geen Berg zyn gelegen geweest, en aan het Dal, dat daar nevens lag den naam van het Dal van Megeddo gegeven hebben, zonder dat daarom de Berg waar opMegeddo lag, ook Megeddo genoemt is geweest. , een de vermaarde Reland verdient meer geloof als hy zegt: dat die grote Valleie, waarin ookMegeddo lag, in kleindere verdeeld is geworden, en dat elk zyn naam ontvangen heeft van die Steden, die er het naaste bylagen. Terwyl naar de gedagten van dien zelven naauwkeurigen kenner van Paleftina, het Gebergte, dat die grote Valei besloot, niet Mageddo, maar Gilboa genoemt wierdt.

[ocr errors]

[ocr errors]

+ Ten tweden, dat Mageddo, het zy Berg, Stad of Dal, in de on dat halve Stamme Manafle, aan deze zyde der Jordaan gelegen, kan Magiddo ‘A2aays 33 %v, niet zyn. De Propheet Joannes bedoelt daar mede ::n een plaats, waarin de Wynpersbak getreden zoude worden buide: mam-ten de Stad, Openb. I4: 2o., dat is buiten het Land der Kerke, men gele- te voren afgebeeld, door het Land der XII. Stammen; zoo dat ::e van de uiterste Grenfen, van de voor- en tegenbeeldige Kerkfia:ting staat, dit Dal en deze plaats, vol dode lyken, zal konnen ge:,, zien worden; als nog nader uit de gelykluidende Godfpraak zal ::” aangetoond worden. ten de Nu is het zeker dat Mageddo in de halve ftamme Manaffe, ::a e-niet buiten de Stad; dat is het Land van Ifraël, maar regt in : deszelfs harte en byna in het middelpunt van Palestina gelewas, en dus onbequaam om onsArmageddoon af te beelCI1. Men moet niet zeggen dat door de Stad, waar 6uiten dit flag veld zoude te vinden zyn, niet het gehele Land der Stammen maar eigentlyk Jeruzalem verstaan wordt, en dat dus Magiddo wel degelyk buiten de Stad Jeruzalem is te vinden. Want niemant twyffelt of Joannes verstaat door die Stad, die hy bedoelt, het Geeffelyk Jeruzalem, dat is de Kerke en haar Land, zoo als zy dat in het laaft der dagen, zal bewonen; indien nu de Propheet onder die benaming doelt op Gods oude Volk en htinne woonplaats, indien hy de Kerkvyanden van den laaften tyd benoemt met de namen der Kerkvyanden van Gods oude Volk; en en dezelve uit deze namen en hunne betrekkelyke legging wil beoordelen, zoo moet men niet de letterlyke en eenige Stad Jeruzalem, maar geheel Palestina, het oude Kerkland zich tot een fchets voorstellen; welke om haar oude Hooftstad, als het middelpunt van Regt en Godsdienst, dat over alle de Stammen heerschte, met Jeruzalem verwiffeld wordt, gelyk wy in onze IV. Aanmerking tegen Jungius : 39. hebben aangewezen. , Zoo dat Megiddo in het hart van het oude Kerkland gelegen, een afbeeldfel van Armageddoon kan zyn, dat buiten de Stad of : in den laaften tyd te zoeken is. – :

– – S. XI.

[ocr errors]

Men denke niet dat men evenwel zoo haast van dat Megid- do, in de halve Stamme Manaffe, niet moet af zien; om dat ook in de H. S. zulke gevallen opgenoemd worden , die daar ge- : de fchiedt zyn, en die als letterlyke voorbeelden konnen strekken: om Openb. 16: 16. volmaakt op tehelderen. Als by voorbeeld Megidde Jud. 5: 19. 2 Chron. 35: 22. met 2 Kon. 23: 29, 3ó. en Zacb. :: 12: II.; om dat in deze gevallen veel te veel tegenstrydigheid :: met Openb. 16: te vinden is. – – – daar zul

Men lette dog op de nodige toevallen die by dit Slagtveld ::Openb. 16: 16. worden opgeteld, om uit vergelyking van dezel-5:ïdzjn, ven, met die opgenoemde plaatsen, derzelver ongelykheid te die is t bespeuren, Armageddoon (2) moet buiten de Stad of het Land der Kerke zyn , Ë daarin moeten de Koningen der Aarde en is: 13. Waereld famen vloejen Cap. 16: 14. (y) daar in moet de aller-k: grootste overwinning van de Kerk, én de allerdeerlykste ne-:” derlaag voor de vyanden voorvallen ; waar aan alle de Ryken “

der Waereld zullen delen, Cap. 16: 14, 19, 2o. met Cap. 14: De om

2O. ftandig(3) De uitkomst moet met de volle vrede der Kerke gepaard gaan, Cap. 19. – doen ver

(s). Het oogmerk van deze optogt der aardfche en waereld- eifcht. fche Koningen, moet geboren zyn uit het aanhitfen der vyanden van de ware& : Cap. I6: I3. * .

(&) En moet ftrekken, voor een gedeelte, om de Kerk van haar geloof af te trekken; waar toe die aanmoediging Cap. 16: 15. voor haar zoo nodig zal zyn; ten delen om haar uit haar Land te dryven en haar vermogen te roven.

: God zelf moest deze flagting, zonder behulp van de o. ve: Kerkleden, verrigten.

Zyn Engel zoude zyn Cikkel daar toe uitzenden Cap. I4: 19. zyn Phiole in de Lugt uitgieten, Cap. 16: 17, gelyk de Kerk die luisterryke zegepraal Gode alleen toeschryft. Cap. 19: 1-8.

[ocr errors]

[ocr errors]

Vergelyk daar mede nu eens. Jud. 5: 19. Daar Debora in haar wa:me- Danklied opzingt: de Koningen quamen, zy ftreden! doe ftreden de de de op Koningen vanCanaä tot Thaanacb aan de Wateren van Megiddo, ::- zy en bragten geen gewindes Zilvers daar van ; en de overeenbeïte- komst met Openb. 16: 16. zal gene zyn. :: Zoo wy het wilde beweren en vast houden dat in dit vers : van Debora niet eens gedoelt wordt op de plaats, waar in zy ken; en en Barak zoo gelukkig tegen Sifera, den Veldoversten van Ja::exean bin,Koning der Kananiten te Hafor, gestreeden heeft; en dat – in het zelve alleen een verwyt en fchimptaal tegen de Stamme Jud. #rs. Manaffe vervat is, wy zouden daar toe niet veel omslag behoeven. Want, hoe is het bevattelyk dat de Koningen tegen Barak by de Wateren van Megiddo in de halve Stamme Manaffe gestreden zouden hebben; daar het Volk dezer Stamme niet getelt wordt onder de medestrydende; en daar Cap. 4. zoo duidelyk geleert wordt, dat het treffen in de StammeNapthali is geschiedt; welke door de Stamme Zabulon en Iffafchar van Manaffe was afgefcheiden, zoo dat de flag by Thefor in Napthali is voorgevallen, van waar de vyanden tot Harofeth , (der ::5 zyn nagejaagd, Cap 4: 14, 15, 16. met Jofua II: Io. Cap. 19: 30. vergeleken. e Daar moet dan een ander Megiddo by een ander Tbaanacb in de Stamme Napthali, of daar omtrent zyn gelegen geweest, of de inhoud van dit vers moet op iets anders zien. En wezentlyk de famenhang geeft ons genoegzame aanleiding om het daar voor te houden, dat, eveneens als de Stamme Ruben, Dan en Afer, om dat ze met Naptbali , Zabulon en Iffafcbar, tot dezen kryg niet ware opgetogen 2 beschimpt en bestraft worden Cap. 5: 15–17. de Propheteffe in dit 19, vers Manaffe, over die zelve nalatigheid beschimpt en bestraft; als wilde zy zeggen: Schoon gy met ons niet zyt opgetogen, wy hebben niet te min onze vyanden verdaan en bunne buit ; beel anders als toen deKoningen van Kanaä tegen u 6 Manaffe te Thaanach aan de Wateren Megiddo ftreden , en gyze uit die plaatfen alleen niet verdryven kondt ofgeen Zilver ten roof van ben afbragt; gelyk Cap. 1: 27. staat aangetekent: dat zy de oude inwoonders dier Steden ongestoord moesten laten zit* /– ten »

:

ten, fchoon dezelven in het harte, van hun erfportie gelegen
Waren.

Maar toegestaan zynde, dat, tegen alle waarschynlykheid, de-
ze flag in de halve Stamme Manaffe gebeurd was, by de Wa-
teren Megiddo, zoo heeft nogtans deze geen gelyk vormigheid
met derzelver vermeind tegenbeeld Openb. 16: 16.

Die nederlaag van Sifera (a) geschiede niet buite maar in het midden van de Kerkstaat en kan dus niet gezegt worden buiten de Stad gebeurt te zyn, (3) hier waren geen menigte van Koningen, maar alleen Jabin en zyne onderhorige Cananiten , Cap. 4. (y) de overwinning was dus zoo merkwaardig niet, dat zy de belofte Openb. 16: kan verbeelden en affchetfen, (3) de beweegreden van de optogt der vyanden was niet in de eerste plaats en bedektelyk, het verschil in de Godsdienst, als wel die oude haat , om dat zy door Israël uit hunne bezitting verdreven waren; waar in geen gelykheid legt met het geen Openb. 16., te vinden is; (s) God zelf en alleen streed hier niet voor Israël, maar middelyk door Barak, en zyne uitges lezene tien duizenden,

S. XIII.

Niet meer zal, het geen wy 2 Kon. 23: 29, 30 en 2 Chron.

[ocr errors]

[ocr errors]

[ocr errors]

daar omtrent is voorgevallen; na dien de ongelykheid tuffchen, :

deze gebeurtenis en Openb. 16. voor al niet kleinder is, dan
die wy zoo aanstonds tuffchen deze Godfpraak en Jud. 5: 19.
hebben aangewezen. –
Want , om niet te blyven staan op het geen wy reeds heb-
ben gezegt (dat namelyk dit Megiddo, waar omtrent Jofias,
den Koning van Egypte te gemoet trok, nog zoo zeker niet is
aangewezen) de begeerde vooronderstelling in alles toegestaan
zynde, zoo komt evenwel alles op de grootste ongelykheid uit.
Immers g: het reeds gezegde) : deze flag gefchiede
niet te of by :: maar als Jofias de flag verloren hadt,
vlugte hy na de Stad Megiddo, van het Slagveld onderschei-
de; (A) de overwinning wierdt niet behaalt op vele Koningen,
maar op een Koning van Juda, (y) de nederlaag was niet aan
de zyde der vyanden, tot voordeel van Godsvolk; maar de, an-
ders Godvrugtige, Koning J: quam tot groot : :
*- 3 OOCi-

— 

Joodfche Kerk om; (3) de ftryd wierdt niet aan de zeide der vyanden uit eenige inzigt aangegaan ; maar door de Kerkleden moetwillig ondernomen, zonder wezentlyke beweegreden; om dat Pharao Necho het niet op de Joden, maar op de Affyriers gemunt hadt; (s) ook wierdt de nederlaag niet onmiddelyk : God, maar door middel van den Koning van Egypte beCIC].

Maar zoude men deze twee geschiedeniffen Jud. 5. en 2 Kon. ook :ag 23 naar de verbeelding van fommige Uitleggers niet wel vermen deze eenigen konnen, omze te famen tot een voorfchets van Openb. : e- 16: 16. te ftellen , en daar dan uit op te maken dat evenwel ::: Har-Megiddo, Armageddoon is? Dat is zoude men het daar voor niet ver- niet konnen houden, dat de overwinning door Barak , by de ::::: Wateren Megiddo behaelt, de overwinning der Kerke in den ::ït laaften tyd heeft afgebeelt; en dat de nederlaag van Jofias by een voor- Megiddo voorgevallen, heeft afgeschets de nederlaag die de :: ‘: ware Kerk in het laaften der dagen zal ondergaan, voor dat ze : ” tot die zegepraal komt ; of dat er 2 Kon. 23., volgens Zach. ftellen. I4. , op de nederlaag der Joden gedoelt wordt , die zy voor hunne laafte bekering zullen lyden; of dat er door dit geval aan Jofias gebeurt, alleen ge-oogt wordt op de weeklagten der Joden, die zy over het verwerpen van den Messias zullen opheffen in dit Dal; even als zy over den dood van Jofias rouw bedreven te Adadremmon in het Dal van Megiddo, volgens

Zach. 12: II. ?
Hier op dient : dat, om de zaken van elkander te schif-
ten zoo ‘t behoort, de weeklagten over den dood van Jo-
fias, 2 Kon. 23. en 2 Chron. 35. als weeklagte , zekerlyk een
voorfchets is geweest van de rouw, die de Joden in het laaft
der dagen over hun trouwloos verwerpen van den Messias
bedryven zullen, om dat Zacharias ons dit duidelyk uitlegt.
Maar geenzints moet men die twee gevallen , Baraks over-
winning en Jofias nederlaag, by Megiddo voorgevallen, ver-
eenigen en famenbrengen tot het geen Openb. 16: 16. be-
doeft wordt, om daar uit te besluiten dat Armageddoon. Har-
Megiddo is. Want (a) indien Baraks overwinning geheel on-
bequaam is de laafte overwinning der Kerke over hare vyan-
den aftebeelden, zoo volgt dat reeds een van de deelen van
dit vergelyk onhebbelyk gemaakt is, en dat dus de gehele ver,
gelyking niet deugt. : Openb. 16: 16. wordt in ‘t geheel
van de nederlaag der Kerke in den laaften tyd niet gepro:
t

dat was te voren Cap. 14: 9–13, reeds behandelt, en dus kan het geval van Jofias, daar op niet toegepast worden; (3) nooit lezen wy dat de laafte flag der Kerke in Armageddoon, buiten de Kerkstaat zal voor vallen; maar als dit gebeurt, zal de roof van Jeruzalem in het midden van haar uitgedeeld worden , Zach. 14: 1. (3) ook lezen wy niewers dat de Joden in den laaften tyd met de Kerkvyanden vereenigt, in Armageddoon zullen geflagen worden; op dien zelfden tyd als de Kerk de overwinning behalen zal; (*) Ook is de omstandigheid, by de verloren flag van Jofias voorgevallen , ganfch ongelyk aan die, welke by de nederlaag der Kerke zal gezien worden. Jofias trok buiten eenige noodzakelykheid den Koning van Egipte te gemoet; die hem niet bedreigde ; zoo dat zyne onderang door zyn onbezonne moetwil veroorzaakt is ; daar de ::e in die laaste ftorm , in haar eige Land zal overvallen, en door de haters harer Godsdienst en beneiders van haar geluk, zal bestormt worden; gelyk de Kerke in die laaste verdrukking enkel lydelyk zal zyn; ziet Openb. Cap. 14: 9–13. vergeleken -net Jef. 24: I–12.

S. XIV.

Wat nu Zach. 12: 11. betreft; ‘t is waar daar wordt, naar de – l/’. vooronderstelling, ge-oogd op de Stad en het Dal Megiddon, 2: en op de rouw die daar en te Hadadrimmon, over de dood van 1: hie: ” Jofia gehoord was, maar hoe zulks op Openb. 16: 16. toepas- niet felyk zy, is niet wel te berekenen. Tot nog toe hebben wy ::gezien dat de vergaderde hoop der vyanden in Armageddoon zal merk is omkomen; en Zach, 12: 11. wordt gezegt dat door de geflag- bereiken. ten der Joden, elk in ‘t byzonder, buitentwyffel over het verwerpen van den Messias en hunne verweidering van God, rouwklagen zullen te Jeruzalem ; en dat die rouwklagen zal

oot zyn, gelyk het rouwklagen van Hadadrimmon in het Dal Megiddon. : daar wordt niet gefproken van de overwinning der Chriftenen Kerk, maar van de weeklagten der Joden die zoude niet gehouden worden te Armageddoon of in het Dal Megiddon , maar te Jeruzalem; (2) ook zoude dit weeklagen niet zien op een plaats die door Megiddon was voorgebeeldt; maar daar wordt alleen getuigt, dat hun rouwklagen in foort en grootheid gelyk zoude zyn aan die , die voor tyds in :

Dal Megiddon gehoort was. Waar uit dan de ongelykheid van dit gezegde met Openb. 16: 16. oogschynelyk blykt.

S. XV.

I Daar is dan geen Har-Megiddon in of buiten de H. S. bekend; ::” en dus ook niet bequaam om de betekenis van Armageddoon op ::set te helderen; ook is de toespeling niet op de Stad of het Dal als ge- Megiddo, uit hoofden van het geen daar in is voorgevallen, en ::” dat men meent met Open: 6: 6,,overeenkomst te hebben, ::: een: Beter hebben het dan de Hoog E. C. Vitringa en anderen geafnoe-, vat, als zy dit woord geheimzinnig fchatten te zyn; en dat het ::” een afnoeming is van dit laaste Slagtveld, niet om ons daar door :::: aan te wyzen waar dat in de waereld zal te vinden zyn, (het geen onbeken: door andere Godfpraken reeds verrigt was) maar wat daarin zal ::::::::: voorvallen. zigt op Evenwel moeten wy betuigen dat ‘er vry wat onderscheid is ::en in de wyze van afleiden door de Uitleggers by de hand gevat.

daarin ; – ::eu ‘t Is vry oneigen en vergezogt als men dit woord voor geeft

: ::” faam gesteld te zyn uit Til ETT Haram en Gadad, beduidende, :: naar de mening dier Uitleggers, de vervloekte Hoop ; of uit: IT-mT) ETy Aroom Gedoda, het bedrog der uitroejing; of uit tru (voor Tu) nonn Charama Gedoon of Gedahoon de omkoming der drom of hoop. Beter vloeit het als men Vitringa op het spoor volgt en het afleidt van Til nn Har en Gadad, dat in zyn famenstel kan gelezen worden mup-n Armagiddoon, als men het laaste woord in het meervoud en met de Letter, D, die het tot een zelfstandig naamwoord maakt, voorstelt, beduidende dus: den Bergder affneidinge of des ondergangs; gelyk T1) Jerem. 41: 5. en 48: 37. in dien zin gebruikt wordt, naar de mening van dien vermaar-‘ den man. Evenwel moeten wy onze gedagten over deze vinding, met agting voor zyn Hoog E. Geleertheid, onbeschroomt uiten: de aangetogene plaatsenJer. 41: 5. en 48: 37. bewyzen beide niet datze bewyzen moesten; daar geld alleen de betekening van 44fnyden, op de wyze der Heidenen, die in hunne handen en vleesch fneden; beduidende in- of aanvallen op zyn vleefcb, met eenige

fcherpte en het te verwonden, Deut. 14: 1. TLNV) N7 1 Kon. 18: 23. • : • LieLiever vertalen wy het dan, in opzigte van het laafte woord, “Inl, (de Berg) der faamgerotte aanvallers. Immers die betekeniffen zyn , volgens het gebruik, aan het woord zonder tegenspraak eigen; het betekent:famenrotten, met hopen fa

men komen, Pf. 94: 21. Ty zy rotten zich famen tegen de ziele

des regtvaardigen, vergelyk Jer. 5: 7. Micha 4: 14. aanvallen om te verwoeften; gelyk het met toespeling op den naam van Til God

zoo gebruikt wordt Gen.49: 19. \”my’ m’Il TJ aangaande Gad een bende zal hen aanvallen, vergelyk Hab. 3: 16., daar die betekeniffen ineengefmolten worden , dat is : met faamgerotte benden

aanvallen. Zoo dat Typ zoo veel wil zeggen als : der genen . • :

die faam gekomen zyn om aan te vallen.

In zoo verre meenden dat het twede woordt in betekenis moest veranderd worden ; hoe wel dat het grote verschil niet alleen uitmaakt ; het eerste woord in des Hoog E. Vitringaas opstel, TT namelyk, kan niet worden goetgekeurt. Niet om dat het tegen de Letterkunde strydt ( gelyk wy te voren S. VII. hebben getoont, dat TNT in het Griekfch zeer wel door an kan uit gesproken worden ) maar om dat de betekenis daar van tegen het gelykluidend Prophetische woord, dat in een onmiddelyk verband staat met Openb. 16: 16. strydt; nadien die plaats, waar in de laafte aanvallers der Kerke zullen geflagt worden, niet alleen nooit in die Prophetien onder den naam van een Berg voorkomt; maar in tegen stelling van dit, onder den naam

van Dal of Valleije, gelyk nader zal aangewezen worden.

[ocr errors]

Het zal dan niet minder met het woordenftel, en veel beter met de Godfpraken, die op het zelven geval zien, overeenkomen , als men het voorste woord &p door het Hebreeuwfche

woord TV uitdrukt, beduidende: eene Ontbloting, of eene ledi

ge plaats; gelyk dat woord, met de D daar voor geplaatst, zoo

genomen wordt. Nab. 3: 5. 1 Kon. 7:36; afstammende van Tony ontbloten, naakt maken,

In de eerste plaats wordt, gezegt; en ik zal de Heidenen uwe naaktbeid wyzen Typ En) ‘n STT) ; en in de andere : by

fneedt nu enz. e”N Type naar elks ledige plaats. Het schynt my

toe dat dit woord in het onbepaalde, voor een plaats, voor een afgeperkte fteede is gebruikt geweest, gelyk de gehele landstreek der Moâbitenonder dien naam bekend ftaat, Num. 21: 15, 18. Deut. 2: 9, 18., en met toezigt op de oorsprong des woords, voor een plaats, die met geen sterktens beboud , die vlak en open was, Gen. 42: 9, 12; zelf wordt het gebruikt voor eene Heide Jer. 17: 6. Cap. 48: 6. Dat nu dat woord Ty in het Griekfchàp gelezen kan worden, behoeft niet bewezen :Ty &pp28%y 2 Cor. 1: 22. en 5: 5. en diergelyken zyn genoeg bekend. Het gehele samenstel TUp-ny. Armageddoon kan dan gelezen worden, de ledige plaats, of de beide der faamgerotte aanvallers, of in eenen oneigentlyker zin de ontblotingder faamgerotte aanvallers; dat is bunne vernieling, verwoefting, tefcbandemaking ; gelyk dit de gewone oneigentlyke beduideniffen zyn , die dat woord ontbloten eigen zyn Pfalm, 137: 7. Jef. 3: 17. Habac.

: I 3. 3 wezentlyk het komt met de hoge wysheid des Geests, en de aart der geschiedenis volkomen over een, dat men die betekeniffen vereenigt, lezende: Zy hebben ze vergadert in eene plaats, die in ‘t Hebreeuwfcb genaamt wordt: de plaats of de beide en te gelyk de ontblotingof verwoesting der faamgerotte aanvallers ; gelyk de ganfche famenhang van Openb. 16. ons die laaste vyanden en de plaats, waarin zy zoude omkomen, zoo befchryft. Vooral meen ik dat de gelykluidende Godfpraak, Nab. 3: 3, 4, 5. tot opheldering hier van kan worden aangetogen: Endaar zal de veelbeid der verflagenen zyn, en eene zware menigte der dode lichamen, ja daar en zal geen einde zyn der lichamen, men zal overhaar lichamen ftruikelen. ,,Om der groter hoerereije tville, der zeer bevallige hoere, der Meefierelje der tovereie, die met hare boerereie volkenverkogt heeft, en de geflagte met bare tovereie. Ziet ik wil aan u fpreekt de Heer der Heirfcbaren, en ik zal uwe zomen ontdekken boven uwaangezigte, en ik zal de Heidenen uwe naaktheid, en de Koningen uwe fcbande wyzen s ter plaatfe namelyk, daar de Heer wraak zal oefenen over de : van deze gee: – – OCT » Hoer; en door het verwoeften van de zelven, haar alle hoop van herstelling zal benemen.

S. XV II.

Zoover brengt ons dan de geheimzinnige betekenis des woords Armagiddoon; het zal de plaats of heide en te gelyk de ontbloting ofverwoefting der faamgerotte aanvallers wezen ; en die denkelyk van de verlofte Kerk, ter dankbare erkentenis van Gods weldaad in dezen aan haar bewezen, met dezen naam altyd zal genoemt worden; gelyk die daarom aan haar, als Goddelyk bevel, wordt in den mond gegeven; gelyk niet duifter blykt uit de wyze van uitdrukkinge die Joannes gebruikt, in vergelyking van de plegtige naamgevingen, aan de plaatfen , daar iets merkwaardig gefchied was, onder Gods oude huishouding; wanneer de zelve niet voor een reize en niet meer zoo genoemt wierden, maar in ‘t vervolg altoos dien naam droegen; ziet Gen. 16: 14. 21: 31. 26: 18. 31: 47. enz. Zoo zoude Joannes willen zeggen: die plaats wordt niet alleen nu op Goddelyk bevel van my Armageddoon genoemt, maar dit zal ook in ‘t vervolg voor de bevreide Kerk haar eigen naam zyn; om daar by te gedenken: dat God de faamgerotte Aanvallers, daar ontbloot en uit gefchut beeft. : Moet, in den eersten opflag, gebillykt worden, het geen 2. de weidvermaarde J. A. Mark, over onze Text Openb. 16: 16. Evenwel zegt: dat het oogmerk daar van niet is, ons door deze bewoor- ons dingArmageddoon een zekere bepaalde plaats op de Waereld aan :: te wyzen; maar alleen om ons door de zelve een bezef te ge- heden dat ven, wat er in dien tyd ten nutte van de Kerk in dit Armaged- “: – gon toen doon gebeuren zal. plaats Voor zoover de Profeffor zich tot Joannes Openbaringen tot voorondie byzondere woorden Cap. 16: 16, bepaalt, zonder het ge-: lykluidend Prophetisch woord raadteplegen, is het ontwyf- ::ëe felbaar zeker, dat dit een geheimzinnige en geen eigentlyke en grenten letterlyke Geographiefche naam is. Evenwel fluit dit de deur :::::” van naderonderzoek niet toe; of belet ons niet om door be- zal zyn. hulp van het gelykvormig woord der Voorzegging, op den weg te komen, daar ditArmageddoon zal te vinden zyn. De vermaarde Vitringa durft daarom met volregt wat naderkomen en dit Armageddoon : Europa bepalen ; en mee: 2 Zll1

zullen wy, na een zedig onderzoek in de Godfpraken des Oude Teft. zonder loffe giffingen te behoeven, die plaats waarschylelyk konnen aanwyzen.

S. X VIII.

Na een zedig onderzoek, zeg ik, in de Godfpraken des Oude Teft. niet alleen die eenige en zekere regel, waar na de Prophetien des Nieuwen Teft. konnen verklaard en opgehelderd worden; maar die men moet gebruiken in zulke omstandigheden, waar in het Nieuwe T. iets overslaat of duifter is; gelyk wederom het Oude door het Nieuwe Teft. wordt opgeklaart; ten teken dat de Prophetien niet zyn ičía; éztava we van eigener uitlegging 2 Petr. 1: 2o. dat is, (zoo ons Petrus mening te regt bekend is) niet gezegt: dat bet elk niet vry ftaat van de Prophetie te maken wat bywil; dat konde die, waar aan Petrus fchreef, ligt bevroede; maar dat het Prophetiefche woord, dat uitlegging nodig heeft, van wegens deszelfs duisterheid, zyn ligt in de andere Prophetien vindt; om dus aan te wyzen, dat het geheel lichaam der Prophetiefche Boeken een Prophetisch famenftel, is; waar in famen genomen, Gods ganfche weg met zyne Kerke vervat is; terwyl evenwel de Kerken, in wat tyd dat ze geleeft heeft, aan dat Deel der Prophetien, dat voor handen was, genoeg gehadt heeft. Ons dan, aan welken het gehele lichaam der Prophetiefche fchriften, als een volmaakt famenstel van Gods verborgen weg met zyn Kerke overhandigd is, voegt het om het duiftere met het heldere en het onzekere met het meer zekere

te vergelyken en het eerste door het laafte op te klaren. Men brengen dit dan over tot het geen wy hier behandelen. Hoe weinig de naamArmageddoon zyn toezigt mag hebben op de eigentlyke plaats, daar deze famenrotting dervyanden in de Waereld zal voorvallen, het blykt evenwel duidelyk, dat er een zekere laats op de Aarde voor ondersteld wordt, daar deze flagting zal geË: en, dat wel in vergelyking van Cap. 14: 2o., een plaats buiten het land der Kerk, aan welke te kennen de Kerk gelegen legt. Want, als de laafte verdrukking de Kerke zelve zal overkomen, dan zal de roof in het midden van haar uitgedeeld worden Zach. 14: 1. Dan zal God eenen engenband om haar leggen, en haar in hare ingewande benaauwen; maar als die laaste ftorm over is en de Hoge in de hoogte het nog eens zal zoeken te wagen, :

Z1C

zich zelve te herstellen en de ware Kerk te vernietigen, zal zelf het bedreigde gevaar haar zoo na niet komen; maar de perfe van Gods toorn zal buiten de Stad getreden worden. Evenwel leert het evenvoorgaande 15de vers , in verband met het vorige, dat het water al naby de lippen zal komen, en dat Armageddoon, niet verre van het Kerkland zal af zyn; dit dog is de eenige reden, waarom , tuffchen den optogt dezer vyanden en hun komst in Armageddoon, die hartelyke vermaning van den Heiland tuffchen beiden inkomt : Ziet ik kome als een dief! Zalig is hy die waakt,en zyne klederen bewaart, op dat by niet naakt en wandelen, en men zyne fchaamte (niet en) zie ! Dat is, zalig is hy, die in deze onverhoopte samenkomst der Kerkbeftryders , zyn geloof niet verloochent en zich ontbloot van den mantel der geregtigheid, maar als een getrouw Geeftelyk Priester zyn Geeftelyken Tempel bewaakt, dat die niet werde overvalle, of dat er niets onreins in kome. Iets dat met zoo groot eene ernft niet konde gezegt worden, als die Kerkbestokers, die zich door bedrog zullen laten vergaderen en de Kerk zullen zoeken te overvallen, nog verre waren; maar wel wanneer dezelven zich onverwagt naby de Kerkstaat bevinden zullen. Want deze vermaning voor onderstelt, dat hun zuivere Godsdienst en belydenis gevaar zal lopen; en dat het waken hun post zal zyn. Dat nu geschiet omtrent een vyand die men weet niet verre, maar naby te zyn. Ook blykt het dat Armageddoon de algemene verzamelplaats dier aanvallers zal zyn; waar uit zy de aanval tegen de Kerk zullen voornemen te beginnen; die men derhalve niet ver van de grenfch paal der Kerke zoeken kan. Ook fchynt ‘er iets heerlyks aan Gods zyde in te leggen, dat Hy deze vyanden ter flagtinge zal brengen als zy op den oever van hunne wenfch en begeerte gekomen zyn, en klaar staan om

in het Land van Emmanuël in te vallen. Ten teken dat Hy zeg

gen konde tot zyn Zion het water zal u wel tot de lippen komen, maar het zal u niet overstromen; en tot zynen en hare vyanden,

tot hier toe en niet verder. Ook legt dat in de betuiging van Christus vers 15. Ziet ik kome als een dief, dat is haastig, bedekt en onverwagt. Want het zy dat men dit dus opvatte: ik zal door myne heilige toelating en voorzienig bestel u deze vyanden haastig bedekt en onverwagt doen overkomen, om u v: het laaft nog eens te beproe3 Ven , ven, eer gy tot uwe volkomene rust zal ingaan, daarom waakt en bewaart uwe klederen; of, ik zal met myne ftrafoefening die wrede hoop haaftig, bedekt en onverwagt, overvallen en ombrengen; daarom houdt u fterk en waakt; uwe bezoeking zal haaft eindigen; hoe men het neme zeg ik, de Aanvallers worden hier verbeeld naby de Kerk en op het punkt van hunne aanval te zyn ; zoo dat Armageddoon niet ver van de Kerkgrond moet af zyn.

Ook zullen wy zien dat die fchielyke aannadering der Kerkbefpringers op de naaste grenzen van het Kerkland, niet duister wordt afgebeeldt door een zekere geschiedenis, onder Gods Oude Volk, welke de Godfpraken, die op dezen tyd moeten te huisgebragt worden, kan ophelderen. Zoo dat uit de byvoegfels, welke dezen geheimzinnigen naam Armageddoom verzellen, klaar blykt dat daar onder een plaats verstaan wordt, die niet verre van het Land zal zyn , waar in de overgeblevene Kerkleden zich zullen op houden.

s. XIX.

Edogwy vinden geen reden om in dit gemenen te beruften; het

Uit verge Prophetische woord met een voorbeeldige geschiedenis vergele

lyking van het

[ocr errors]

ken, brengt ons wat nader tot Armageddoon. Om dit besluit regt op te maken, hebben wy Openb. 16. in

fch ::”d deszelfs verband, vooral in het 16. vers, vergeleken en ge

wordt deze plaats nader bepaald,

toont van gelyken inhoud te zyn, met Joël in het 3de Hooftdeel; ten tweden hebben wy Joël 3. door de voorbeeldige gefchiedenis 2 Chron. 2o. uitgelegt, en dit gehele Prophetische Tafereel opgehelderd door Zach. 14. Jef. 21: 1–1o. en andere Prophetien; en dus met alle zekerheid, die men in het verklaren van een Prophetie vorderen kan, aangewezen, dat Ar

mageddoon door het Dal van Jofapbat, op de grenzen van de laaste

of zuidelykfte Stamme in Palestina, dat is van Juda, gelegen, is afgefcheft; naar welke letterlyke en landsbeschryvingkundige

fchets wy dit Armageddoon, in deszelfs betrekkelyke legging tot

het Land der Kerke in het laaft der dagen, waarschynlyk zul

len tragten aantewyzen.
Ziet daar het beloop en, het verband van onze redenering:

S. XX.

Joëls Godfpraak in het 3. Cap. is eensluidende met Openb. 1.

16: 16. in deszelfs verband. Joël in h C :: 16e Dat dog de Propheet Joël in het 2. Cap van vers 23– ::

: ‘: gebeurten1ffen, die na de komst van den Leeraar :: Geregtigheid, over de Kerk in ‘t gemeen, en in ‘t byzonder over deszelf: de Joodfche Natie tot op haar herstel en laaste bekering moeten:” voorvallen, ontvout; en dat dus in het 3 Cap., dat laafte oor- wat de deel, over de Kerkvyanden, dat tot herstelling der Kerk nodig prophetiwas, wordt afgetekend, is iets dat het eenigzins opmerkend : oog der nazoekers niet kan ontwyken. Zoo dat het hooft oog met j:t merk van Joël, om namelyk dien grouwel der verwoefting voor # : volde laaste Kerkvyanden aftebeelden, met Joannesvolslagen over-:. eenftemt. Dit deel van de Openbaringe behoort dog onder het VI Zegel Cap. 6: 12—17. onder de zefde Bazuin Cap. 9: 13. In het gena dit voorval zal er geen bezoeking tyd meer zyn Cap. 1o: mene k 6. ; in deze zoude God alle de oordelen der Kerke aan hare”8″ vyanden geoordeelt hebben Cap. 18: 2o. enz. gelyk S. I. getoont is. En beiden fpreken zy van zulke zaken, in zulke omftandigheden, die de Kerk of Waereld voor dien tyd nooit beleeft of bevonden heeft ; gelyk het nadere vergelyk zal aantOnen.

(††) Joël vertoont ons de personen, tot wier heil deze grote flagting onder de Kerkaanvallers zoude aangerigt worden; ‘t is In de opJuda enJeruzalem Cap 3: 1. Het geen wy in onze II. Aan-: merking tegen Jungius beweert hebben, vindt hier geen te-: genfpraak, maar vastigheid. Men kan door die voorwerpen van die vetGods gunft in dezes tyds omstandigheid niets naders en meer: :. voeglyk verstaan als het overblyffel dereigentlyk zoo genaamde Jo-den. den, tot de bekering gefchikt, onder den naam van Juda; en de Kerk der Proteftantfcbe Chriftenen, onder dienvan Jeruzalem. In overeenstemming van Joannes die deze glorieryke zegepraal tot dat zelven voorwerp betrekkelyk maakt Cap, 7: 4–16. I4: 1. enz.

(+++) De Heere zoude deze Heidenen, volgens Joëls getuigenis vers 2. maar middelyk, en door zyne gevreesde werktui- van hem, gen, vers 9, 12. tot dien groten dag verzamelen; zoo dat zy :: ook uit eigene beweging daar toe zoude opkomen ; even als : Joannes dit zoo opgeeft: God zoude zynen Engel bestellen om ren zal. de VI. Phiool uit te storten over de grote rivier Euphrates, op

dat

dat bereid zoude worden de weg der Koningen van den opgang der Zon Openb. 16: 12. evenwel onder mede werking van zyne gevreefde gefelroede vers 13, 14 en 16. ++++ (+fff) Die tot dien groten dag vergaderd zullen worden, zoo wie Wes- als dat nog nooit geschied was, noemtJoël vers 2, 9, 12. alle de radert Heidenen; vers 1 I. alle de Volken rondom (het Kerkland name: lyk). Joannes geeft hen denzelven naam, de Koningen van den opgang der Zonne vers 12. der Aarde en der Waereld vers 14, 19, 2o. Cap. 9: I6. (5+) Vraagt men Joél hoe en op wat wyze de Heer alle deze De :ze Heidenen tot deze flagtplaats brengen zoude ? , Hy antwoord: dezer ver- dat dit door een krygsgeschry, dat onder de Heidenen zoude opgadering geheven worden, veroorzaakt zal zyn vers 9–11. Joannes stemt dit toe, en heldert Joëls Godspraak op, zeggendeÖpenb. 16: I 3, 14. dat de werktuigen tot dit alarm drie onreine geeften zullen zyn, die daartoe tot de Koningen der Aarde enz. zullen uitgezonden worden. 6+ (6+) Joël zegt dat God met deze verzamelde menigte zoude wat God rechten, vers 2, 12. zyn Helden daartoe zoude doen nederdalen, :::::: vers 12. dat Hyze met zyne cikkel (als ryp koorn en als de oogst erzamel- – de #eï- der Aarde) zoude affneiden en met zyne voeten, (als vergadernen zou-de Druiven ) in eene volle Wynpersbak en eene overlopende : kuip zoude vertreden en als met zyne dorfchwagens, (waarmede de wy:e het stroo tot kaf getreden wordt) zoude verdelgen, vers 13, 14. op welke God zoude daartoe uit Zion brullen vers 16. Volmaakt wordt dit alles van Joannes be-aamt; die laafte overwinning zoude hct Lam zelfs, zonder zyner Kerke behalen; gelyk de Lofzang voor zyne onmiddelyke verlossing, hem alleen door deze ganfche Openbaring wordt toegejuigt. De zevende Engel zoude daartoe zyne Bazuine in de Lugt uitgieten Cap. 16: 17. de Stemme die uit zal roepe: het is gefchiet, zal uit den Tempel gehoort worden vers 17. met Cap. 15: 8, de verwoesting zal ook aangerigt worden door eene zinnebeeldige cikkel en Wynpersbak Cap. 14: 19, 2o. Letten wy op de grootheid van Gods woedende toorn en de liet woe- gevreesde gevolgen daar van; Joël vers 15, 16, p. 1. ftemt met ::::::: Openb. 16, 18. ten vollen over een, – —- — ::’ Zoo ook in de reden van deze flagting, die Joël breedvoerig in dezen. voorstelt; ‘t is om dat deze Heidenen zyn Erfdeel, zyn Ifraël 8f uit Jood en Chriften bestaande, zyn Juda en Jeruzalem (vers 6.) : ::”onder zich hadden verstrooit vers 2. het lot over hen hebben :::: geworpen vers 3. hun vermogen berooft vers 5. en hen verkogt VCTS vers 6. Dat Joannes noemt de grote verdrukking Cap. 7: 14. en hunne oordelen, die het Lam op hunne vyanden zoude brengen Cap. 18: 2o. ; beschryvende de Kerkrampen, waar mede zy door deze beulen waren gedrukt geweeft, eene verduifte: van Zon en Maan en het vallen der Sterren van den Hemel Cap. 6: 12-13. Gelyk ook de gevolgen ten nutte van de Kerk, waar door alle 9f de Kerkvyanden verdelgt zynde, Gods Zion ruft zoude hebben Des geJoël 3: 16. p. 2-21. volslagen met de Openbaringe overeen-: te itemmen, gelyk uit de Lofzangen der verlofte Kerk Cap. 7. en v; de 14. en het verhaal van Joannes Cap. 17–19.) baarblykelyk is. Kerk. Indien nu deze twee Godfpraken in oogmerk, wezently- 1of ken inhoud, omstandigheden en gevolgen volslagen een zyn, waar uit in dien zy beiden op den zelven tyd flaan; en, uit hoofden :: van hare mede gebragte bepalingen, maar eens zullen voor- blykt dat vallen , zoo volgt met alle begeerde zekerheid, die men in Heet. Del eene wiskundig betoog der waarheid kan vorderen, dat dan: ::ook de plaats, waar in dit voorzegde gebeuren zal, de zelve Armagedmoet zyn ! – doon van MaarJoël zegt dat de Heer alle deze Heidenen en Volkeren:er, van rondom zal afvoeren in het Dal van Jofapbat, om daar met hen te twisten Cap. 3: 2–12. en Joannes voorzegt dat God door zyne werktuigen deze Koningen der Aarde en der Waereld ver-, gadert heeft, dat is zal hebben, in de plaatse, welke in het Hebreeuwfch genaamt wordt Armageddoon. By gevolge moet het Dal van Jofapbat en Armageddoon, de zelve plaats zyn, onder twee verscheidene benamingen voorge

[ocr errors]

Als men nu, agtervolgens dit ontwyfelbare betoog, onderzoekt na de overeenkomft dezer twee onderscheidene afnoemingen, waar uit blyken moet dat zy niet twee verscheidene maar eene en dezelve plaats beschryven; zoo doet zich wel in den eersten opflag de niet strydende gelykvormigheid op, die in den geheimen zin dezer woorden begrepen is, evenwel zal dit alleen niet voldoende bevonden worden.

Want, wat de geheime zin betreft, het woord Dal van Jofa

[ocr errors]

getuigt, vertaalt worden het Dal tone’ TmT’ de Heer heeft ge. oordeelt, of gerechte ge-oefend, of naar de wyze der voorzegging: de Heer zaloordeelen; gelyk Joël dit zelf niet duifter eenigzins als de reden van dien naam voorstelt: de Heer zoude alle deze Heidenen afvoeren in het DalJofapbat en zoude aldaar met hen recb

te?? ‘n: nvm (of oordelen) vers 2, want daar zoude God zitten om te rechten pee’, -vs Ee’ ‘E). Welke geheime betekenis

kan ondergeschikt worden, aan den geheimen zin, die in het woord Armageddoon vervat is : dat is de plaats, of ontbloting der faamgerotteaanvallers. Want zoo zoude Joël door zyn geheimzinnige naam aanduiden wat God in deze plaats zoude verrigten; en Joannes zoude ons deze plaats beschryven , als het perk, waar in de Kerkbestormers tot hun verderf zoude famenvloeijen. Dat niet ftryd: de plaats der faamgerotteaanvallers der Kerke, kan het Dal : waar in God zal zitten om te rechten, en zyne gerechts-oefening zal in hunne ontbloting, of verwoesting gelegen zyn. Gelyk ook uit beide die Propheten beweert is, dat het oordeel over deze Kerkvyanden, daar ter plaatsen, niet door menfchelyk behulp, maar door God zelf en alleen zal uitgevoerd worden; gelyk zy ook beide dit voor die plaats houden, waar in de Kerk aanvallers zullen famen komen en ontblood worden. Evenwel ziet een aandagtig betragter van de meening der Prophetien, die hunne onfeilbare en aller naauwkeurigste vervulling zullen erlangen, dat deze geheime zin , die in beide deze Godfpraken, aan elkander kan ondergeschikt worden, niet genoeg is om de volkomenen overeenkomst van plaats aan te WWZen.

: dog het Dal van Jofapbat en Armageddoon ook geheimzinnig betekenen , het zyn beide maar oneigentlyke befchryvingen, van die Letterlyke en eigentlyke plaats, waar in God zelf rechten en deze aanvallers ontbloten zal. Die plaats nu , en waar die in de Waereld zal te vinden zyn, wordt door de geheime zin dier woorden niet aangewezen. Daar zal in een van beiden eene toespeling moeten zyn op eene zekere bepaalde plaats in de Waereld, welke die eigenschappen heeft, die wy uit de Openbaringe $. XVIII. hebben afgeleidt, dat namelyk de flagt plaats buiten het Land der Kerke en evenwel onmiddelyk by het Land der Kerke leggen moet, T

Cn

Ten minsten, zoo wy in een van deze twee geheimzinnige woorden die toespeling vinden konnen en daar door een plaats aan treffen , die aan alle nodige vereifchtens en omstandigheden voldoet, zal niemand ons betwisten dat wy meer aan het oogmerk van Gods Geeft voldaan hebben, als dat wy alleen in den geheimen zin der woorden hadden beruft. – Immers zoo Gods Geeft niet meer bedoelt hadt als den geheimen zin van die namen, zoo zoude het uit denken van deze konftwoorden onnodig en van geen nadruk zyn geweest; om dat zonder dat, Joël en Joannes die plaats breedspraking omschryven, als die plaats, waar in God zelf rechten en de Kerkvyanden ontbloten zal. Ook zoude dan die nadere plaats beschryving, (die niet volkomen voldoedt en evenwel onze betamelyke weetgierigheid opwekt) dat namelyk Armageddoon buiten de Kerkstaat en evenwel op haar grenzen zyn moet, niets uit doen. Neen de toestand dezer plaats en derzelver gelegentheid geeft nadruk aan de grote voorzegging, die daar in vervuld zal worden; die, als men ze nader ontdekt in dezen tyd en als de Kerk ten tyde der vervulling bevindt dat de Kerkbestokers derwaards henen trekken, geen gering middel, onder Gods medewerking, zal konnen zyn, om haar te doen steunen op Gods toezegging, dat Hy hen daar verdelgen zal ; en om haar te doen bidden dat Hy haar door zyn genadekragt opwekke, dat zy den raad van den Heiland Openb. 16: 15. wakende volbrenen. 3 En waarlyk in deze nadere bespiegeling worden wy verrukt door de Harmonie der Propheten , die in dezen ook niet van eigene uitlegging zyn. Zoo wy Joannes Godfpraak alleen wikken en wegen of alleen vragen wat Joël zegt ? Elk zal voor een gedeelte antwoorden, en beide in een gefmolten, zullenze de heilige weetgierigheid geheel voldoen! En ons toe roepen: de plaats der laafte Kerk bestormers zal buiten het Land der Kerke maar op deszelfs grenzen zyn , even als het Dal Jofapbats ; , waar in God voortyds zyne gefolterde Kerk door zyne onmiddelyke oordelen verloft heeft, in betrekking tot het Land der XII. Stammen gelegen is geweest.

S. XXII.

. Evenwel ziet myn Beminde Lezer dat onze onbewezene ftel. lingen nog te veel zyn, om tot dit naauwkeurig besluit te koIIlen. Het Dal vanJofapbat waar van Joël , als van de verzamelplaats dezer vyanden fpreekt vers 2, 12. is by geen Landbefchryvers zeker bekend, als nader zalaangewezen worden; en evenwel toont de afgetrokkene en bepaalde afnoeming die Joël gebruikt, in vergelyking van het geen wy tot nog toe gezegt hebben, dat hier op een eigentlyke plaats gedoeld wordt, die dien naam, om zekere redenen , dragen mogt; en by de Joden daar onder bekend was; gelyk hunne uitleggers (hoe verkeert ook hunne bevatting is van het geen , naar Joëls Prophetie daar in zal gebeuren) en die der Christenen met reden na eene eigentlyke plaats zoeken, die dezen naam kan dragen, Laat ons dan beproeven of Jofapbats Dal in de Letter te vinden is; en of dat gevonden zynde, voldoet aan de Prophetie, die wy behandelen. 2 By het slot van dit onderzoek zal overtuigend klaar blyken,7,ti ,. is dat de voorzegging by Joël Cap. 3., door de gefchiedenis , 2. door 2 Chron. 2o, is voorafgefchaduwt; en dat dus de plaats, waar in :: :Godfpraak zal vervuld worden; door die, waar in God Jo: faphat de overwinning heeft beschikt, is voorafgebeeldt. opzigt. Twee zyn dan de delen van deze overeenbrenging. Eerst de ::”gelykluidendheid der geschiedenis, in de Letter 2 Cbron. 2o., en In 15, in de Prophetische bepaling Joël 3. Ten Tweede de overeenbrenging van de plaats, waar in de Letter is vervult en de Prophetie zal vervult worden. Aangaande het Eerste: de gebeurtenis, 2 Cbron. 2o: 1—30. heeft de voorzegde overwinning over de laafte Kerk vyanden. klaarlyk afgebakent, gelyk Joël die opgeeft. (Devergelyking geschiedt voornamelyk tuffchen Joëls 3 Cap. en 2 Chron. 2o. om dat de benaming van het Dal Josaphats, daar uit moet worden :: evenwel, om dat de Prophetische inhoud van Joël en Joannes Openb. 16: 16. in deszelfs verband dezelve is, zal ook, het : in de laaste plaats vermeld. ftaat, tot opklaring van deze ganfche geschiedenis fomtyds worden bygebragt.) (a) – & J : (2) 2 Chron. 2o. is de lydende en onderdrukte party, de Godvrezende Koning Josaphat met de Kinderen van Juda , en Jeruzalem vers 15, 17.; die zonder reden, onschuldig van hunne boze vyanden wierden overvallen, met dat oogmerk om hen het Kerkland te ontroven vers II.

Een heerlyk fchildery van het overblyffel der Kerke, dat van de wegvoering en verwoesting in de laaste uitstoting zoude zyn overgeschoten, Juda en Jeruzalem Joël 3: 1. het Volk dat uit de grote verdrukking zoude komen Openb. 7. die armen en elendigen hoop (Jef. 24: 25.) welke in deze laaften aanval der Kerkbestryders, bedreigd wierdt met het verliezen van het gehele Kerkland ;, gelyk zy te voren reeds zoo een groot gedeeltehunner geloofsgenoten in de gevangenis hadden zien gaan. Joël 3: 2–6.

(s) Tegen dit magteloze en bedeesde Volk quam eene gro

te menigte vyanden op, onder den naam van Syriers bekend;

waar onder voornamelyk begrepen worden de Moabiten de Ammoniten en de Edomiten op het gebergte Seïr 2 Cbron. 2o: 1, 1o, 22. en nevens hen anderen vers I. een grote menigte vers 2, 12, 15. wier buid door Josaphat en de zynen drie dagen lang geroofd wierdt vers 25. Dat gelykvormig is met Joël 3. Openb. 16. en gelykluidende Godfpraken , waar in onder de laafte Kerkvyanden voornamelyk de Moabiten enz. getelt worden (ziet onze VI. Aanmerking tegen D. Jungius.) ‘t Is waar dat hier niet gesproken wordt van alle de Heidenen, of alle Koningen der Aarde en der Waereld; evenwel mogen dit met regt genaamt worden, de Volkeren rondom (het Kerkland) Joël 3: 11. alle de Koningen der Aarde, Openb. 16: 14. dat, is in de Letter, de Koningen, die onmiddelyke naburen van het Land der Stammen waren en tot Canaä en Syrië behooren. Ook wordt er by gedaan, dat nevens die nog anderen met hen waren. 2 Cbron. 2o: 1. En al was er tuffchen deze geschiedenisfen eenige ongelykheid in het bepalen van het getal der vyan

den , gelyk dat niet kan ontkend worden, hier in moest het

tegenbeeld verschillen van het voorbeeld ; om dat zoodanige grote ::::::: zulke gevreesde oordelen, als er in dien laasten tyd zullen gebeuren, geen gelykheid in de vorige lotgevallen der Kerke vinden zouden. Openb. 16: 18. ‘t Is dan genoeg dat hier eene ontfaggelyke menigte van Kerkbestokers voorkomt, om alle de Heiden:, die in het laafte der dagen te

3 geIl.

gen Jeruzalem zullen optrekken, aftebeelden; daar de overige omstandigheden volkomen gelyk zyn.

(y) Op het horen van de aantogt zyner vyanden is Jofaphat in zyn hart bekommerd en wendt zich om met het over

geblevene Volk Gods aangezigt te zoeken; fmeekt God de-
moedig om byftand ; dringt dat aan door zyne volslagen on-
magt , wereloosheid en het boze voornemen hunner vyanden,
die Gods Volk nooit eerst hadt beledigt en die hun evenwel uit
hun erfdeel wilden ftoten vers 3–13.
Een egt vertoog van de toestand en werkzaamheid der on-
derdrukte Kerk in dezen tyd ; hare zware bekommering vol-
flage onmagt en de grote bedreiging harer ontfaggelyke haters
blykt over klaar uit des Heilands raad Openb. 16: 15. terwyl
het oogmerk, om Gods volk te verdelgen, uit hunne vorige da-
den Joël 3: 3, 5, 6, 19. en uit deze herhaalde aantogt, genoeg-
faam kennelyk wordt.
(3) Opmerkelyk is het dat God zelf zich deze verwoesting
toege-eigent heeft, zonder behulp van Jofaphat of de zynen;
die alleen tot het flagtveld optogen om de menigte dode lyken
te zien, die God door hen zelven hadt omgebragt 2 Chron.
20: 15, 17, 22-24.); tot een doorluchtig voorspel van die over-
winning in het laaft der dagen, waar toe God zelf zynen En-
gel met zyne Cikkel zoude uitzenden, en in dat Dal van Jofa-
phat zoude zitten om alle Heidenen te rechten, aftemaijen, te
perffen en te dorfchen Joël 3: 12–14. en Openb. 14: 19.
() Onder de middelen ter verwoesting wordt getelt dat God
agte lagen tegen de Syriers ftelde, 2 Chron. 2o: 22. denkelyk dat Hy
zyn Hemelsch heirleger tegen hen over heeft gefteld, om de
vlugtende af te maken, of hun de vlugt te beletten ; als 2 Kon.
6: 17. 19: 35.; affchetfende die zelve Helden, die tot dierge-
lyken uitwerkfel in dit Dal van Josaphat zouden nederdalen,
joël 3: 11, die voortkomende Engel met de Cikkel en met de
zevende Phiool, om het ryp koren der Aarde af te maijen en
Gods plagen over hen uit te storten Openb., 14: 19. 16: 17.
: Ook komt het heerlyke gevolg van deze zegepraal voor
Josaphat en Gods overgeblevene volk 2 Chron. 2ó: 28—30. in
alles over een met het heilzaam uiteinde, dat Godsvolk na die
laafte overwinning ontfangen zoude; hoe wel hier, gelyk be-
taamt, de voorfchets flauwer is als de vervulling zelve.

[merged small][ocr errors]

S. XXIII.

Ziet daar de ontegenzeggelyke overeenkomst tuffchen het voor- en tegenbeeld, dat ons in de vergelyking van alle kommer ontheft ; ja zelf gelegenheid geeft, om het geen in de daar mede overeenkomende Prophetien verzwegen wordt, uit de letterlyke gebeurtenis aan te vullen. . Byvoorbeeld, wie zal het wraken, als men uit het voorbeeld 2 Chron. 2o: 23. besluit dat de verwoesting der laafte Kerkvyanden, als zy in het Dal van Josaphat of Armageddoon zyn, zal beginnen aangerigt te worden door den Geeft der verwerring en onderlinge verdeeltheid ? Waar toe de verscheidentheid der natien, de byzondere be-oogingen, die onder hun zyn zullen, gelegentheid zal konnen geven; gelyk God meermaal zoo gehandeld heeft, zyne vyanden door zyne vyanden ombrengende. Maar, om van ons fpoor niet af te gaan, en tot het tweede ftuk van vergelyk te komen, wie zal ons dog betwisten, als, En ook in daar er tuffchen het verhaal, 2 Cbron. 20. en Joël 3. zoo eene: volledige overeenstemming is, als men tuffchen voor- en te- plaat: genbeeld kan begeren, wy de overeenstemming ook zoeken in e plaats beschryving, die ons Joël Cap. 3: 2, 12. opgeeft en enkel en alleen uit 2 Cbron. 2o: 2o–24. kan en mag opgeheldert worden ? Immers Joël zegt dat God deze vyanden zoude afvoeren in het Dal van Josaphat Cap. 3: 2, 12. Een woord, dat niet meer als by_Joël, in die opgemelde verfen, voorkomt; ja in de ganfche H. Schrift vindt men niet een verhaal, waar in van zoodanige plaats, die tot Jofaphat betrekking heeft, en waar in op eene overwinning ge – oogd wordt, als alleen2 Chron. 2o; daar komt ons de Koning, voor wien God deze verwoesting aanrechtede, onder zynen eigen naam van Jofaphat voor; het Dal Beracha , waar in hy met Juda en Jeruzalems inwoonders God loofden, en van het flagveld onderscheide was, wordt ons uitdrukkelyk opgenoemt vers 26. het Dal, waar in de verwoesting voorviel, wordt ons als met den vinger aangewezen, (gelyk wy zoo aanstonds zien zullen ); Ja dit Dal alleen kan en mag , om die redenen, volgens het gebruik der naam geving aan de plaatsen onder den dag des O. Testament, van Joël het Dal van ‘ofaphat genaamt worden ; daar ‘er dog geen ander

van dien aart in de tale Gods bekend is, als dat flagveld, waar – 1n

in God voor Jofaphat de overwinning heeft behaalt ; onderfcheiden van het Dal Beracha waar in hy God met de zynen heeft verheerlykt; want daar in vergaderde zy zich als zy van den roof uit het flagtveld waren wedergekeert. Ook ziet Joël niet op een plaats waar in de verlofte Kerk God zal loven, maar waar in hare vyanden zullen omkomen; dat is het Dal, waar in Jofaphats vyanden zyn verdelgt. En al was dat zoo niet, al hadt

de Propheet dit woord eerst uitgedagt, het is met het naauw

keurig beleid van Joël niet over een te brengen dat hy zyn Prophetie als een volmaakt tegenbeeld van de geschiedenis , 2 Cbron. 2o. zoude opgeven en spreken van de plaats, waar in die Prophetie vervuld zal worden onder den naam van Jofaphats Dal, en dat hy in dezen niet zoude zien op 2 Cbron, 2o. daar die plaats en naam alleen uit 2 Chron. 2o. kon opgehelderd – worden. Eene uitlegging die boven dit alles door het waarschynelyke begunstigt wordt. ‘t Is buiten bedenking of het verloste volk zal dit Dal om deze overwinning in ‘t vervolg het Dal lofaphats genoemt hebben, gelyk zy het Dal des Lofs om hunne dankbetuiging dien naam hebben gegeven; en Joël zoude dien naam alsze onbekend was in zyne Prophetie zoo zonder nadere omschryving niet hebben ingelast, zoo het niet ware met toezigt op deze geschiedenis, waar in Josaphats Dal alleen is te vinden. Ook zullen wy zien dat deze plaats, alsze voor een voorbeeld van Armageddoon gehouden wordt, volkomen voldoende is; datze ook buiten de Stad en hare grenzen gelegen heeft. En vraagt men de Uitleggers waar Josaphats dal gelegen heeft? die zullen ons , hoe zeer het ligt, datze ons verschaffen, ook fchemert, evenwel na dit Dal, waar in God voor Josaphat heeft gestreden, henen wyzen. Cyrillus beschryft dit Dal Josaphats als een plaats niet veel ftadien van Jeruzalem ooftwaards, geheel open , of effen en bequaam on bereden te konnen worden. A.Efra houdt het Dal van Josaphat, voor het Dal Beracha, waar in die Koning met het Volk na deze overwinning God loofden 2 Cbron. 2o: 26. D.Kimchi noemt het een plaats na by Jeruzalem, waar in Jofapbat iets voortreffelyks gebouwt of iets grootfcb verrigt heeft. Anderen onder de Joden, hebben door : Omtrent Joëls Godfpraak en Zacb. 14. misleid, het Dal jofaphats ge

houden voor een plaats onder Jeruzalem, by den Olyfberg, waar 47!

in het laafte oordeel zal gehouden worden (ziet Reland Pal. pag.
, 356.
*:’welke wel blykt dat de Uitleggers het over de juiste
laats niet eens zyn , maar dat zy evenwel daar in
overeen-
emmen , dat het Dal Josaphat I een eigentlyke plaats is,
2
haar naam ontlenende van dien berugten Godvrezenden
Ko.
ning, (gelyk Joël het ook zoo begrypt) 3 ten Oosten of Z. O.
en 4 niet ver van Jeruzalem; in welke duifterheid wy nader ligt
zullen zoeken.

[ocr errors][merged small]

fchryving van die plaats, waar in God Josaphat die heerlyke :::::::.

Wy houden dan den naam Dal van : voor een be- /.

overwinning beschikt heeft. Edog om vast te bepalen waar die: eigentlyk gelegen was, is het nodig dat wy de plaatsbepaling :al van uit 2 Cbron.2o., stuks gewyze en naauwkeurig be-oordelen. Jofaphat

(De Lezer, die in dit soort van onderzoekinge in het Pro-:” phetisch woord luftheeft, vergelyke de volgende redenering met de zeer naauwkeurige kaart van Ph. de la Rue , genaamd Het Ryk van Salomo; of kaart, gefchikt naar de Boeken der Rigteren, Koningen, Chroniken enPropheten; by J. Covens en Mortier, die my in dezen de duidelykste ::

Den Koning Josaphat wordt geboodschapt: dat ‘er een grote menigte tegen hem op quam, van gene zyde der Zee uit Syrie, Cbron. 2o: 2. door welke Zee ontw : de Dode Zee, de Zout Zee, Mare Afpbaltitis, ten Ooften van Jeruzalem , Gen. 14: 3. Jofua 15: 5. en Zuidelyk neer waards lopende, moet verstaan worden ; als uit de naderen omstandigheden blyken zal.

Ook was deze Zee daar ter plaatse de landscheiding van Canaä , door de XII. Stammen bewoond, van het land dezer Koningen, die uit Syrië quamen; aan welker Oosterlyke zyde : Moabiten de Ammoniten en een deel der Edomiten woon

eIn. 

En ziet (wordt hem geboodschapt) zy zyn te Hazezon – Tamar, welke is Engedi (anders Engaddi) alwaar ten tyden van Abraham de Emoritenwoonden, niet ver van de Dode Zee, Weft waards na Jeruzalem te vinden ; en wel in opzigt van Jeruzalem Z. Z. Ooft van die Stad en in opzigt van het geheele Land der Stammen Zuid ten o:en leggende; als in een :

Cl

delpunt, tufchen Jeruzalem of Juda, Moah, Ammon en Edom; op de aller uiterste Zuidelyke en Zuid-oostelyke Landpaal van het Land der Stammen ; niet verre van Nibfan en de Zoutftad of 15: 62. aan de Zout Zee geplaaft; hebbende eene grote oestyne om zich, waar in David gevlugt was , I Sam. 24: I» 2. Een plaats die niet heel verre van Jeruzalem moet geweest zyn, als uit vers 29–24, is op te maken; om dat op dien zelfden dag, waar op :: met de zynen uitgetogen was, z de dode lyken op het flagtveld zagen. Zy vergaderde den buit drie dagen , loofden God en op den vierden dag keerden zy uit het naby gelegen Dal Beracha en quamen te Jeruzalem vers 25–27. Mogelyk wordt niet verkeert gegifcht, als men deszelfs afftand van Jeruzalem op agt uuren ftelt ; naar de meting der Graden in de Landkaart, waar van elk op I5 uuren wordt gefchat (in vergelyking van de eerste kaart in Reland Pal. met de weg wyzer). Een weg die van Josaphat met zyne by hebbende menigte, die denkelyk niet groot geweest is, ligtelyk in een dag heeft konnen worden afgelegd. Van deze Stad Engedi quamen de vyanden op by den opgang van Ziz; en Josaphat zoude hen vinden, in bet einde van bet Dal, voor aan de Woeftyne Jeruel, twee plaatsen op deze hoogte in de Landkaarten wel bekend. Ziz moet geplaaft zyn : tuffchen Engedi en Jeruel, maar iets hoger en Noordelyker opwaards; en dus iets Oosterlyker in opzigt van het Land der Stammen als Jeruel; hebbende Engedi en deszelfs Woestynen Zuidoostelyk naast en beneden zich ; en Jeruel, met deszelfs Wout, aan de Zuidwestzyden nevens en onder zich. Zoo dat Ziz op het Noordeinde van die grote en eenzame Valleije ; die zich tuffchen Engedi en Jeruel Zuid en nederwaards uitstrekte, tot by den opgang van het Gebergte Edoms , gelegen moet zyn geweest ; en dat wel op eene verhevene plaats, zoo dat men uit deze Valleije als met een opgang tot Ziz konde komen. Dit was ook de regte weg voor hen die in dezen Jeruzalem zogten te naderen, trekkende van Engedi N., W. opwaards, door die tuffchen ruimte tot den opgang van Ziz om zoo voort te gaan na het land der Stammen , latendeJeruel aan hunne linkerzyde leggen ten Z. W. Mogelyk is in dit Dal by den opgang van Ziz een Beek geweeft, die daar zyn oorspronk hadt ; aan welks einde of ontspringing , zy die vyanden zouden ontmoeten; gelyk vers Na Il kan gelezen worden: en gy zultze vinden op het einde derBeken voor aan de Woeftyne Jeruels. Waarom ook die Beek in de kaarten niet vergeten is ; hoewel ons de vertaling in het einde des Dals, in de famenhang der geschiedenis voegelyker toeschynt; als zynde Ziz opgang op het einde van dat Dal tuffchen Engedi Cn :: gelegen. it dit alles blykt dan dat het flagtveld dezer vyanden geweeft is in die grote tuffchen ruimte, die Z. O. van Jeruzalem en Z. ten O. van geheel Canaa lag, tuffchen de Woestyne van Engedi en Jeruel , en die bepaald wierdt door Ziz met deszelfs opgang ; die in de bovengemelde kaart met de naam Solitudo, betekend staat; hoewel de opmerkende Lezer wel kan opmaken, dat de opgang van Ziz (Clivus Ziz) daar wat te Oostelyk en te digt aan de Zoutzee of Dodezee geplaaft is, als zynde dit buiten de weg der vyanden om te Jeruzalem te komen; en ook zoo niet geplaaft, dat men daar de opgang uit die tuffchenruimte, tuffchen Engedi en Jeruel, kan vinden. Josaphat toog dan op Goddelyk bevel uit na de Woestyne Tekoa vers 2o. Z. Ooftwaards gelegen van Jeruzalem , in de Stamme Juda; zynde de regte weg na Ziz en Engedi, maar nog nader aan Jeruzalem ; gelyk die plaats ook te regt is aangetekent, leggende tufchen Ziz en Jeruel in; van waar zy Gode zingende voort trokken tot aan de Wagttoren in de Woestyne ITES:) Mispa Genaamt vers 24. De Kanttekening houdt het daar voor, dat deze gestaan heeft op die zelve hoogte Ziz, waar van zoo aanstonds is gesproken. at ‘er van zy, dit is zeker dat de zelve niet verre van het flagtveld is geweeft; zoo anders de omstandigheden, die deze plaats ophelderen niet met elkander stryden. Ook is het ten uitersten waarschynelyk dat zelfs deze Wagttoren op de hoogte Ziz gestaan heeft; eens deels om dat dezelven altoos op verhevene plaatsen wierden gebouwdt; anders deels om dat ‘er geen gevoegelyker plaats te vinden was, om het flagtveld, met dode lyken bezaaid, te zien, als van deze hoogte Ziz, en de Wagttoren daar op gebouwd; gelyk dit van Josaphat en de zynen gezegt wordt vers 24, verrigt te zyn terwyl; de vyanden zich in het Dal onmiddelyk by den opgang van Ziz bevonden en daar elkander hebben omgebragt. Als dan Josaphat en zyne onderhorigen dit bevonden en den

buit der verflagene vyanden drie dagen gerooft hadden, verga

derde zy in het Dal van Beracha vers 26.; dat zyn naam ontleend van het vreugdegefchrei, dat verlofte menigte daar ophief; – – 2 CIl en denkelyk de weg op na Jeruzalem gelegen was, waarin zy zich uit het flagtveld verzameld hadden ; gelyk dat ook te regt in de kaart wat N. Westelyker opwaards getekend ftaat. Men moet evenwel, gelyk reeds gezegt, is dit Dal Beracha niet voor het Dal Jofapbats houden, als of Joël daar op gezien hadt; want Joël houdt het Dal Jofapbats voor die plaats waar in de Heidenen, verzameld zullen worden en waar in God met hen rigten zal; en niet voor die plaats waar in Gods verlofte Volk Hem zal loven; nu is het zeker dat het Dal Beracba niet was het flagtveld zelf, maar die plaats waar in zy zich verzamelde, na dat zy op het flagtveld den buid drie dagen geroofd hadden. Zoo dat, : gezegt is, Jofapbats Dal ten Z. O. van Jeruzalem en ten Z. ten O. van Canaä gelegen is geweest, tufchen de Woestyn : , Jeruels en de hoogte Ziz , waar in men zien konde van deWagttoren, op Ziz hoogte gebouwd.

[ocr errors]

, , Met reden houden wy dit dan voor dat Dal van Jofapbat, dat Dit is de Joël in het oog heeft; tuffchen het welke en de plaats, waar in plaats alle de Heidenen in het laafte der dagen vergaderd zullen wor::” den, een zekere overeenkomst moet zyn; en dus ook tufchen j: dit eigentlyke Dalvan Jofapbat, en Armageddoon, waar na wy ::“ onderzoek doen; om dat, gelyk getoont is, de plaats die Joël ::b-be-oogt, de zelve moet zyn waar van Joannes spreekt, en om ben. ” dat de geschiedenis 2 Chron. 2o. een egt voorbeeld is, van die beide Prophetien, die op een tyd zullen vervuld worden. //. Ook wordt dat bekragtigt door de omstandigheden die ons van Dit ‘: : eddoon zyn :: à: die : : : aan : Dal van v:. J: Jofapbat eigen zyn.Armageddoon wordt beschreven als een zeer :: : plaats, waar in : omtrek van 16oo Stadien moet zyn; aan de Openb. 14: 2o, en dat wel buiten de Kerkstad, of het Land, :: waar in de overgeblevene Kerkleden zullen wonen; en evenwel :de 5e- onmiddelyk, op derzelver Grenzen gelegen. Dat alles naar de schryving letter by dit omschreven Dal van Jofapbat te vinden is. De ::.ruimte van dit Dal, was ook zeer groot: strekkende zich van Z: :::::::::: hoogte, Zuidnederwaards, langs de Westerlyke oever van de Dode teven Zee en kan gehouden worden zich uit te strekken tot het Gebergte Edoms en deszelfs opgang; gelyk Josaphats vand: 1In – 1CIk

[ocr errors]

dien tyd dit buiten twyffel in hunne optogt hebben afgelopen en
bezet gehadt.
Ook is het buiten tegenspraak dat de Woestyne , op deze
hoogte gelegen, de Zuidelyke Landfcheiding van de XII. Stam-
men is geweest; die niet in het harte van dat Kerkland, maar in
of op deszelfs uiterste Grenzen was gelegen; gelyk nog nader in
‘t vervolg zal getoond worden. –
Zoo dat wy dan nu tot de nadere bepaling van deze plaats,
waar in deze Laatste Slagting, volgens Joël en Joannes zal ge-
fchieden, zouden konnen overgaan; en aan tonen waar de zelve
in het laafte der dagen in opzigt van het Land der Kerke waar-
fchynelyk zal te vinden zyn. –
Evenwel luft het ons, ons besluit van zoo te mogen redene- ////.
ren, nog wat vaster te maken; en aan te tonen, dat verscheide . Ook,.
andere Godfpraken, die ook op deze Laafte Slagting zien, die: ”
zelve : bedoelen, en ons beletten om van dat Dal, dat wy plaats in

voor Jofapbats Dal houden, af te gaan. : :: n de

– Godfpra

V I ken voor

S. e het laafte

flagtveld

ehouDat wy tot deze nadere opheldering nodig hebben, is korte-:

lyk te bewyzen, dat dit gedeelte van Paleftina, waar in het Dal Gemeen

van Jofapbat gelegen was, in betrekking tot de woonplaats van $ :

geheel Ifraël, gehouden wordt in het Zuiden (dat is volgens de onder
nadere vergelyking met het Compas in het Z.; Z.,ten O., en: d
Z. Z. O., welke onderdeelen en mindere streken Godswoord niet:”
gebruikt ; begrypende onder het Zuiden alles wat meer Zuide- daar het
lyk, als Oostelyk en Westerlyk was, enz.) gelegen te hebben;:-
en uit dien hoofden onder den naam van het Zuide, de Woeftyne :: is.
ten Zuide gelegen, de Zuidelyke zeide des Lands, de Woeftyne aan de in de H.
Zee, in het Woord der Propheten kan voorkomen. Tot welk be- ::”
wys ons Jof. 15: 1, 2, 5, 12. alleen genoeg is: Judaas lot zoude
zyn aan de Landpalen Edoms; de Woeftyne Zin Zuidwaards, was
bet uiterfte tegen het Zuiden; zoo dat bunne Landpaal tegen het Zui-
den het uiterfte van de Zoutzee was; van de tonge af die tegen het
Zuide ziet. En de Landpaal tegen het Ooften, zoude de Zoutzee zelf

2Ay73.

“#ier uit ziet de B. Lezer hoe Godswoord zich met de on-
der delen van het Compas niet ophoudt ; begrypende onder
het Zuiden en Oosten alles, wat tufchen die :: ftreken
inlag; en te gelyk ook dat h: Dal van Jofapbat, op deze hoog-
– 3 tC

te gelegen, voegelyk onder den naam van het Zuiden, het Zuider

woud, de Woeftyne a in de Zee, enz. kon voorgesteld worden; dat

ons in de overeenbrenging dier Godfpraken, die wy voor gelyk

luidend houden, met Joel 3 en Openb. 16., zal voor ligten. N:- Naar onze gedagten dienen Zach. 14: 4. Ezech. 2o: 45- Pf. 29: ::- 8, en Jef. 21: 12-1o. tot een zeker bewys, dat de Prophetien, king met die deze zelve flagting bedoelen, ook Letterlyk de toespeling ::” maken op die plaats, waar in het Dal van Jofapbat gelegen Prophe- WaS.

tien, Van de minste nadruk, en met de meeste duisterheid omzwag

::” teld, is Zacb. I4: 4. Evenwel brengt die Voorzegging ons eeni- .

met. e fterkte aan. De gefchiedenis, die Zacharia de Kerke voorS. pelt, is de zelve die Joël en Joannes voorzegt hebben; en die

Za-k, 14:4- dus ook door :: zegepraal 2 Chron. 2o. is afgetekend.

– Zy ziet ontwyffelbaar op het laaft der dagen; als uit het verband van Cap. 13: 9. met Cap. 14. ; uit de inhoud van de voorzegging zelfs, en de heerlyke gevolge van de Kerk, die te vergeefs elders in de vervulling gezogt worden, kennelyk is. Ook Stemmen de omstandigheden met Joël en Joannes overeen. Ja de toespeling is in alles duidelyk op 2 Cbron. 2o. De bedreigde party is Juda en Jeruzalem Zach. 14: 1, 5. Byzonder dat overgefchoten deel van het Volk, dat niet uitgeroeit zoude zyn, als de roof binnen Jeruzalem was omgedeeld; dat vry was van in de gevangenis te gaan vers I, 2. en dat dus uit de grote verdrukking

zoude komen. –
Die God zoude ombrengen; ja die Hy zelf zoude ombren-
en, zyn die zelve Heidenen die tegen Jeruzalem zouden op-
omen vers 2, 3. Daar tegen zoude Hy komen en alle de Hei-
ligen met Hem vers 5. 2 deel (vergelyk Joël 3: 1 1.) en Hy
zoude stryden tegen die Heidenen gelyk ten dagen als Hy geftreden
beeft, ten dagen des ftryds, dat is: gelyk Hy, voormaals ter ver-
lossing van zyn Volk zonder menfchelyke hulp heeft gestreden;
dat ons, van wegens de overige gelykvormigheid, als met den vin-
ger wyft tot het geval aan Josaphat gebeurt 2 Cbron. 20. daar de
gestelde hinderlage en de geest der verwarring de oorzaak der ver-

woefting was.

Zoo dat de plaats waar in de stryd zal voorvallen ook het Dal ‘Fofapbats en Armageddoon zyn moet. Deze nu beschryft de Propheet als eenegrote Valleije, die tuffcben den gefpleten Olyfberg, zich van het Noorden tot bet Zuiden zoude uitftrekken, en ten Ooften van Jeruzalem zoude tevinden zyn, vers 3. het welk ons (fchoon wy openhartig belyden moeten, dat wy niet begrypen wat door : Olyf

Olyfberg, die gespleten zal worden, te verstaan is) volkomen tot het Dal van Jofapbats leidt ; dat ook langs de Oostelyke Grensfcheiding van Juda, dat is de Zoutzee, van het Noorden tot het Zuiden zich uit ftrekte.

S. XXVII.

Ook zal Ezechiel in het 2o. Cap. zyner Voorzegging de plaats SS. der ontbloting van de laafte Kerkbestormers tot die Landstreek Ezech zo: brengen. Want na dat hy op Gods bevel de afgezonden van* * de Oudften Ifraëls ; die quamen om den Heer door Ezecbiel te vragen; in plaats van naar hun harte te antwoorden, de overtreding hunner Vaderen in Egypten , in de Woeftyne en in Canaä, hadt onder het oog gebragt vers I-32.; bedreigt hy hen met groter straf, als ze nu nog om hunne zondenfchuld moesten lyden vers 33–39. Evenwel matigt God zyne bedreiging, door de heuchelyke voorzegging, dat zy uit hunne verstrooijing niet alleen tot het eigen Land Canaa zullen weder gebragt worden, maar ook met ongeveinsden Godvrugt den Heer dienen vers 4o–44. dat zyne vervulling tot nog toe niet gehadt heeft, maar alleen in het laaften der dagen, als geheel j: zal zalig worden, zal erlangen. Hier op nu laat de Propheet onmiddelyk en eensklaps volgen, vers 45—48. den last van God tegen hetzuiden, tegen het wout van bet veld in het zuiden, tegen bet zuider wout; daar in bestaande: ziet ik zal een vuur in u aanfteken, bet welk in u allengroenenboom en allen dorrenboom verteren zal waar door alle aangezigte van het zuiden tot bet noorden zullen verbrand worden. En allevleefcb zal zien dat de Heer der Heirfcbaren dat beeft aangeftoken.

‘t Is waar dat de vrage zoude konnen zyn: of dit afgetrokkene deel der Voorzegging, door het begin van het volgende 21. Cap. niet wordt opgeheldert ? daar God diergelyke bedreiging over Jeruzalem doet. Maar in de woorden vers 45–48. vindt dit niet veel redenen van toestemming.Ezechiel was wel in Chaldea of : , als hy deze voorzegging :: hy kreigt wel laft zyn aangezigt na den weg van het Zuiden te zetten en tegen het Zuiden te druipen ; maar daar uit volgt niet dat zyne bedreiging op Jeruzalem ziet. Immers leide dat meer na het Westen als het Zuiden vanChaldea of Mefopotamia, dat volkomen ten Oosten van het Land der Stammen af

Maar

Maar hy wordt opgewekt om te Propheteren tegen het wout van het Veld dat ten Zuide van Jeruzalem en het Land der XII. Stammen lag; in welk land der XII. Stammen Ifraël, naar de belofte vers 4o–44. moeft wederkeren. Gelyk het ook zeer oneigen zoude zyn Jeruzalem te noemen hetwout van bet Veld in het Zuiden in opzigte van Chaldea. Boven dat fchynt ons die bedreiging over Jeruzalem, na de vooronderstelling in vers 45:48, voorgesteld, niet wel te paffen op die groote belofte aan Ifrael vers 4o–44. gedaan. Ook gaat de bedreigde ftrafoefening verder als dat ze alleen : Jeruzalem en deszelfs inwoonders kan toegepaft worden ; od zoude alle aangezigten van bet Zuiden tot het N: in dat Zuiderwoutverbranden, en alle vleefcb zoude zien dat de Heer dit ontftoken badt. Het komt ons dan :: voor dat de Propheet in dit gedeelte vers 45–48. van God laft krygt, ter bevestiging van zyne belofte vers 40–44. de God zoekenden onder Ifrael aan te tonen, hoe dat het mogelyk was, dat ze weder tot hun Land konde gebragt worden, daar God even te voren vers 33—39. hen bedreigt hadt dat Hy hen onder de Volken verstroijen zoude; welke mogelykheid en de zekere uitvoering daar van, bestaan zoude in het ontsteken van een vuur der verwoesting, dat alle hunne yyanden verteren zoude, in eene plaats die met toezigt op het Land hunner oude inwoning in Canaä, het Zuiden, bet wout van het Veld in het Zuiden, betZuiderwout genoemt

wordt. Daar in zoude God hen verteren door de vlamme zy-

nes toorns ; en alle vleefch zoude daar van mede bewustheid dragen. Ja dat zoude het middel zyn om Ifrael tot zyn Land te brengen, en hem te doen dienen van zyne vyanden.

Was nu, als uit al het vorigen , met Jofua 15. vergeleken blykbaar is, het Dal van Jofapbat ten Zuiden van Jeruzalem en Canaä gelegen; zoo mag dat ook den naam dragen van het Zuide enz. En zoo is de toespeling Exod. 2o: 45–48. op dat zelven Dal, en stemt dus met 2 Chron. 2o. en Joel 3. overeen,

s. xx VIII.

Ook zal de negenentwintigste Pfalm ons voorwendsel bekrag

Pf: ,,tigen , daar in het 8 vers wordt opgezongen : de Stenm: de:

Heren

:

Heren doet de Woeftyne beven ! de Heer doet de Woeftyne Kades

beven !
‘t Is wel in het gemeen waaragtig dat het Oogmerk van den
Koninglyken Digter in dit Lied ingerigt is om de Kinderen der

magtigen tot erkentenis van Gods hoge Majesteid optewekken,

door het optellen van de bewyzen van zyn Goddelyke Albe-
ftier en gevreesde oordelen, waar van zyne Kerke, die Hem in
dezen eerbied , bevryd is ; maar hoe vreemt men ook is van
het verdigten van Prophetische Pfalmen, daar ze in de Letter
voor Ifrael van kragt waren, men zal gedwongen worden in dit
Gezang een Voorzegging te erkennen.
Het flot in het Io. en 1 1. vers overtuigt ‘er ons van: de Heer heeft
gezeten over den watervloed, ja de Heer zit Koning in eeuwigheid!
De Heer zal zyn Volk fterkte geven; de Heer zal zyn Volk zege-
nen met vreden. Een taal die in kragt niet volkomen bewaar-
heid zal worden, voor dat Gode ,( na het ombrengen van alle
Kerkvyanden, alle de Kopingryke der Aarde zullen eigen zyn,
en Hy, zyne Kerke volkomen vrede zal beschikt hebben. –
En daarin versterkt ons de opwekking van de Kinderen der
Magtigen om God de eer zynes Naams te geven niet alleen , maar
Hem ook te aanbidden in de Heerlykheid zynes Heiligdoms. De
Kinderen der Magtigen, of der Sterken, als het Pf. 89: 7. ver-
taald is, zonder bepaling voorgesteld, zyn alle Magtigen der
Waereld ; die dog eens tot het erkennen van Gods hoogheid

zullen gebragt worden; maar welke vermaning ten tyden van . David nog kragteloos was; God was toen nog alleen den God

der Joden en niet der Heidenen. Het woord, waar mede de
plaats, waar in zy aanbidden, moesten, wordt omschreven, is
ook nadrukkelyk: de Heerlykheid zynes Heiligdoms, die omschry-
ving komt nog maar eens voor indien gelyk aartigen 96. Pf. het
9. vers en moet worden uitgelegd door: zyn Heiligdom, dat by
uitnemendheid dan verbeerlykt zal zyn. Iets dat wederom dan
eerst regt zal vervuld worden als God in een bevredigde en ge-
zuiverde Kerk op Aarde zal wonen. –
En is het zoo dat de Kinderen der Magtigen allen tot Gods
verheerlyking worden aangespoort, door het beschouwen van zy-
ne vermogens en oordelen, die Hy door Watervloeden, Donder
en Bliksem uitvoert? wat nadruk legt er dan dog in het 8. vers?
daar gezegt wordt dat de Heer de Woestyne Kades doet beven.
Was het doen beven van die Woestyne zoo iets byzonders, dat
de Kinderen der Magtigen daarom Gode de eer zynes Naams
moesten geven? Ziet men niet : de gezegdens in dezeu Pfalm
– – VOOT

voor een groot gedeelte oneigentlyk moeten opgevat worden? voor zoover die ter beschryving van de middelen en de Voorwerpen van Gods magt, inkomen? wat is anders de Stem des Heren, waar van zoo dikwerf herhaling geschiedt? wat het huppe

len der Cederen als een Kalf en des Libanons en Sirions als een

jonge Eenhoorn? wat het beven van de Woestyne? enz. tot een bewys dat in deze opwekking veel dingen samen lopen, die van hoger beduidenis zyn, als de Letter uiterlyk mede brengt. Met regt wordt dan dit Lied gehouden voor een Prophetiefch Gezang, het welke de gelovigen voorgangers der Kerke, door David afgebeeld, in dien tyd voor de Kinderen der Magtigen, die Gods oordelen hadden beleeft, zouden opzingen, om hen te bewegen dat zy Hem in de roede vielen, en de eer zynes Naams gaven; en quamen om te aanbidden in zyn verheerlykt Heiligdom; door een vertoog zyner daden, die Hy tot redding van zyne Kerke hadden verrigt. Daar in bestaande, dat de Heere hadt gezeten over den Watervloed; dat zyne Stemme hadde geweest met kragt en heerlykheid; dat Hy als de God der eere hadde gedonderd; dat Hy de Cederen Libanons hadde verbroken; Libanon en Syrion hadde doen huppelen als een jong Eenhoorn; door zyne Stemme de Woestyne Kades doen beven; de Hinden doen in arbeid komen, dat is dieze met barensnood hadt overvallen, gelyk het grondwoord kan vertaalt worden; en de wonden ontbloot; terwyl in zyne Tempel Hem een iegelyk eer zeide. Zoo dat hy na het zitten over den Watervloed Koning zouden zitten, in eeuwigheid, zyne Kerke sterkte gevende en met vrede zegenende. Lerende dus dat ‘er gezien wordt op dat oordeel, dat God, over de faamgevloeide grote wateren van het woeste Heidendom, donderende, zoude uitvoeren; terwyll tegelyk hunne hoofden, by Cederen vergeleken, zoude verbroken worden; en dus Libanon en Sirion, dat is de staaten der Aardfche en Waereldfche Ko-ningryken (gelyk Sirion, of Hermon in de Joodfche Kerkstaat gelegen Deut. 3: 8, 9. de Koningryken der Aarde; en Libanon,

buiten dat Land, de Koningryken der Waereld kan affchadu-.

wen Openb. 16: 14. meer zeggen wy van deze zinnebeelden niet, om datze gemeen, en het nadere bewys daar van buiten ons oogmerk is) zoude beweegd en de gehele hoop dezer woefte ::en in barensnood gebragt en verwondt worden, tot hun verMaar waar zoude God zitten over deze wateren? in de gantfche Pfalm is geen plaats bepaling als in het 8, vers! de fen: des ere73.

Heren zoude de Woeftyne doen beven; de Heer zoude de Woeftyne
Kades doen beven.
Een beschryving die ons wederom na het
Dal van Jofapbat
brengt. De Woestyne
Kades is de Woestyne Zin. ,, Num. 33:
21. het eerste Zuidelykste gedeelte en de ingang in Palestina by
het einde van Edoms gebergte
Num. 13: 21, 22. Cap. 34: 3.
waar in zich het
Dal van Jofapbat mede uitstrekte.

S. XXIX.

opmerkelyk is ook de plaats, waarin de last van Jefaia cap. $$$$.

21: 1–Io. uitgefproken, zoude volvoerd worden. Jef. 21:

Meeft alle de Uitleggers brengen die Godfpraak in den eer- “”ften zin op den eigentlyk zoogenoemde Stad Babylon te huis; om geen andere redenen, als om dat vers 2. van de Perzen en Meden wordt gesproken en die tot de belegering worden aangefpoort; en om dat vers 9. de uitroep wordt gehoort Babel is gevallen enz.; hier om meent men dat hier Babels val door de Perzen en Meden veroorzaakt, tot wraak en nut van Ifrael,wordt voorzegt; Evenwel zoo dat er fommigen onder de Uitleggers zyn, die deze Prophetie in den tweden zin op Babels tegenbeeld, dat is op den ondergang van den Antichrift toepaffen. Een uitlegging die ons gantfch niet aannemelyk voorkomt. Voor eerft. Kan de Propheet niet gehouden worden op de eigentlyke Stad Babel te zien. (a) De bewoording: de laft der Woeftyne aan de Zee paft op Babylon niet; welker omleggend vrugtbaarland alleen door Rivieren Poelen en Waterleidinge bevogtigd wierdt. Het lag ook niet als een Woestyne ten Zuide van Paleftina, waar in Jefaia was, als hy deze Godfpraak uitbragt, maar ten Ooften. Het komt ook nooit in de H. S. onder dien naam voor, wat moeiten zich de Uitleggers ook geven om dit goed te maken

: over dit Hooftdeel en de grote Kanttekening des bels.

‘:5 De toepaffing van den inhout dezer Godfpraak is ook op deze gedrongen. Als of Ifrael, voor welke die verwoesting van Babel verrigt zoude worden, van deze voorzegging af aan op den wagt moest staan, tot dat de Perzen en Meden tot het beleg zoude aankomen. . . . .

. F 2 – – (y) Ook

(y) Ook is het oneigen als men zegt dat Godsvolk met zoo een grote fchrik vers 3, 4. zoude bevangen worden, als de Perzen en Meden daar toe optogen, daar het hen een ftoffe van vrolykheid moest zyn. *. (?) Ook komt by die belegering van Babylon de opwekking tot de Vorsten onder Godsvolk vers 5. niet te pas. (e) Nog alle de gesnedene Beelden van Babels Goden, zyn by deszelfs inneming tegen de aarde verbroken; gelyk by onze nadere verklaring zal blyken. Ten anderen kan hier op de verwoesting van het Ryk van den Geestelyke Babylonier niet gezien worden, voor zoo verre dat de eigene troon van het Beeft betreft, het welke uit onze nadere verklaring zal blyken. Namelyk dat, zoo hier op den ondergang van het Beeft ge-oogt wordt, dit niet anders ziet als op zyn laaften val in de ombrenging zyner vrienden, die zyn val zullen willen herftellen. Ook zal uit die nadere uitlegging blyken dat het 2. en 9. vers van dit Cap. ons niet hinderlyk, of de Uitleggers, die van ons verschillen, voordelig is. . Ziet daar op welke wyze deze Godfpraak eenvoudig kan ontzwagteld worden: Vers 1. De laft of laftige en zwaare Voorzegging, die over en in deWoeftyne aan de Zee, dat is die Zuidelyke Woestyne, die aan de dode Zee leide ten Zuiden van Judea en het Land der Stammen; (Gelyk Jefaia dit het eerst kan bedoelen, in Paleftina zynde, en gelyk de plaatsen der laft zoo veel malen eigentlyk genomen worden, ziet vers II, 13.) zal uitgevoert worden, daar in beftaanden. Hy, dat is de vyand, zal uit de Woeftynen, uit een vreefcbe: i: komen, gelyk de wervelwinden uit het Zuidendoorgaan; at is de verzameling uit een wilde Natie van Volkeren zal tot de Kerk aanvlieten , in de Woestyne aan de Zee om het Kerkland met zyn gerugt te ontroeren ; gelyk de ftormwinden die uit het Zuiden of uit de Woestyne aan de Zee , ftotende in het Zuiden tegen het gebergte Edoms, waar uit de ftormwinden als geboren wierden, het Kerkland gewoon zyn te ontZetten. 2. Dat zal een bart gezigte voor de Kerke zyn; detrouweloze zal trouwelozelyk handelen en de verftoorder zal verftoren; dat is de Geestelyke Babilonier, de Antichrift de dryver, die voor zich zelf tot de helle is neder geworpen aan de zyde van de kuil (Jef. 14: 15—2o.) Zal, door zyn trouweloosheid, zyn laafte – – Ver

[ocr errors]

verstrojing in het werkstellen; en zal, door zyn uitgezonden on-
reinen Geeft, nevens dien van den Draak en des valfchen Pro-
pheets, de Koningen der Waereld ende der Aarde (Openb. 16:

14.) in deze Woestyne aan de Zee gelokt hebbende, de Kerke

tragten te benaauwen; en de ophef zal gehoord worden: trekt
op 0 Elam ! belegertfche -0 Media! dat zyn de Perzen en Meden,
eertyds onderhorig aan het Babylonischen Ryk; en verbeelden
dus die Koningen der Aarde, waartoe de Antichrift. de naaste
betrekking heeft, die outtyds het eerst tot zyn dienst ftonden.
Ten zy men dit liever brenge tot Openb. 16: 12; en daar door
verftaa die volkeren, die van den Euphraat (de oude woonplaats
der Perzen en Meden) zullen komen en die in dezen tyd het gees-
telyk Babel zullen ten dienst staan, gelyk Eertyds de Perzen en
Meden Babel gediend hadden. Diergelyken ophef, tot dezen
kryg, komt ons ook voor Joel 3: 9–II.
#: reden en de aandrang van dien ophef is: ik heb alle bare
zugtinge doen ophouden, dat is: ik de Heer heb Hem, het geefte-
lyk Babylon, voor een tyd doen vergeten de quelling over zyne
eigene ondergang; en om Hem geheel te verdelgen, hoop ge-
geven om Hem door hulp van zyne vrienden te herstellen,
trekt dan op gy beminnaars van het Beeft.
Dit ontroert de Propheet by uitnemendheid vers 3, 4. en,
als een voorbeeld der bedreigde Kerk, roept hy uit : daar om
zyn myne Lendenen vol van grote krankheid, enz. de fchemering
daar ik na verlangt heb ftelt by my tot bevinge, dat is : die wa-
penkreet, onder die gevreesde vyanden en hunne optogt, ont-
rust myne Ziel uitermate ! Na die nagt van zware verdruk-
king, waar in de buit in ons Jeruzalem was uitgedeeld, even
voorby zynde, dagt ik in deze fchemertyd, voor dat myn volle
dag van verloffing volkomen aanbreekt rust te vinden, maar ziet,
die fchemering, daar ik het eerst in de nare nagt na verlangde,
die stelt gy my tot bevinge van wegens dit bedreigde quaat,
dat nog groter fchynt dan het eerste, (even als de bemoediging
van Christus in die zelve toestand Openb. 16: 15. de Kerke no-
dig was, en die benaauwde uitroep uit de bange boezem van
haar gehoort wierdt, Joel 3: 11. 6 Heer doet uwe belden derwaards
nederdalen, die zelve klagte die Josaphat in zyn voorbeeldige
geschiedenis uitbrengt 2 Chron. 2o: 3–12.)
Evenwel zoude de Heer zyne Kerke in dezen nood, zelfs voor
de verlossing, niet begeven vers 5, 6. Hy raadt haar, of haar
voorbeeld Jefaia, goeds moets te zyn en onderwyl op haar
hoeden te wezen; dat is de “g toe te bereiden, als ware het ge-
– 3. Vaar

——–” – T

vaar verre van haar, te eten en te drinken en zich de nodige ver kwikking en onderhoud, die men anders in zulke nare tyden wel gewoon is te verzuimen, niet te onttrekken; een wagter aan te ftellen, die op de beweging der vyanden agt gave; en hare krygsmagt, dieze nog overig mogt hebben, in de wapenen te houden; hoe wel niet om te ftryden, gelyk het gevolg aanwyft; maar alleen om te tonen dat Godsvolk op zyne toezegginge niet zorgeloos is, maar hunne menfchelyke pogingen in het werk ftelt en geduldig afwagt of de Heer die ook gebruiken wil. Maakt uop gy Vorften en beftrykt den fchild. Een raad en bemoediging volmaakt gelyk, aan die welke Jahaziel, door Gods Geest gedreven, den Jofaphat en Juda gaf 2 Chron. 2o: 14–17. Hier op volgt de getrouwe wagt welke de Kerk zoude waarnemen en wat zy wakende zoude bemerken vers 7, 8.; dat is, naar de gemene uitlegging, de menigte der verscheidenheid der toerusting van deze vergaderde hoop, die met Wagens Ruiters , Ezels en Kemels was opgetogen ; waar over, om dat het het oogmerk der Prophetie niet zoo zeer raakt, wy ons nu niet zullen uitlaten; maar op twee zaken ftaat ons hier te letten. Voor eerft: dat de wagter in zyne diepen opmerking riep: een Leeuw. Hier doet zich geen de minste reden op om die woorden te vertalen: by riep als een Leeuw, dat zoude mogelyk goed te maken zyn, als men tot die uitlegging gedwongen wierdt; maar de zin is vloeijende, als men het met Joel 3: 16. en 2 Chron. 2o: 22. vergelykt; dat is dat de Kerke terwylze wagt hield, die hinderlage heeft bemerkt, die God tegen deze vyanden stelde en bemerkt zyn brullen uit Zion als een Leeuw. – – Maar vooral dient hier het twede niet vergeten te worden, dat de wagter zegt. Heer ik staa op den wagttoren, Dat woord belet ons het Dal van Josaphat uit het oog te verliezen. Buiten tegenspraak beduid nexpT een byzondere wagttoren, die in kragt de oorspronk nex (hy heeft verspiedt of naauwkeurig befchouwd) voldoet en aan geen andere wagttoren eigen was; om datze op die plaats in Canaä, gelegen was, daar het Land het meeft blood leide voor de invallen der vyanden van Ifrael;dat is in de lVoeftyne aan de Zee, in het Dal van Jofaphat, daar het Land voor Edom open stond. – – we immers nog maar eens komt dat woord in de H. S. in,dien zin voor, om dien eigen wagttoren te betekenen, die op de hoogte Ziz gelegen was, waar van Josaphat de verflage lyken zag, na het voorbeeld van deze Godfpraak 2 Chron. 2o: 24- – Maar

– “

Maar ook dit gelukkig einde zoude de Kerk, volgens deze Godspraak te beurt vallen; haar zoude, na datze den magtigen Jacobs in zyne woedende oordelen als een brullende Leeuw hadt bemerkt, geboodschapt worden vers 9. Babel is gevallen! Zy is gevallen, en alle de gefnedenebeelden barer goden heeft Hy verbroken tegen de Aarde. : Vreugdegalm, die niet op de ondergang van het eigentlyk Babylon, door de Perzen en Meden veroorzaakt, kan toegepast worden; die hadt geen betrekking tot de Woeftyne aan de Zee, of tot de wagttoren by het Dal van Jofaphat en konde door de wakende Kerk van daar niet gezien worden. Nog het gevolg is in opzigt van dit Letterlyk Babel niet waargeworden; alle de Beelden harer Goden zyn door Cyrus niet ter Aarde verbroken, daar de overwinnaar zelfs de Beelden eer bewees. Ook ziet die Vreugdegalm niet op de eerste verwoesting van het Geestelyk Babel; wanneer God de vyfde Phiool op den Troon des Beefts zelven zal uitstorten Openb. 16: 1o. die wordt tot Armageddoon tot het Dal van Jofapbat of tot de Woestyne aan de Zee in het Zuiden van het Kerkland nooit bepaald, maar tot de plaats zynes Troons; tot zyn Hoofdstad op zeven Bergen gelegen. Ook kan men niet zeggen dat by haar eersten val, door uiterlyke oordelen, alle de Beelden harer Goden ter Aarde verbroken zyn, om dat zy dan nog een wyltyds de Koningen der Aarde, die haar naam dragen en haar hulde bieden, onder haar gehoorzaamheid zal hebben. Maar dit ziet op de flagting die voor haar Kinderen bereidt was. Jef. 14: 21, 22. op dat die nietmeer opftonden en dat van Babel uitgeroeit wierdt de naam en bet overblyffel en de Zoone, en de Zoons Zoone; en dus op Babels derde val, als men de Hervorming daar onder begrypt; of op haar twede val door uitwendige oordelen; waarmede tot in eeuwigheid haar de hoop van herstelling benomen zal zyn; en zy met den Draak en den Valfchen Propheet inv: helle zal geworpen worden. Op welke laaste val die zelveVreugdegalm gehoort wordt Openb. 14: 8, 18: 2.; (vergelyk Cap. 17: 2. 18: 23. 16: 14.) om dat daar in vermeld wordt, dat zy alle Volkeren met den Wyn harer hoerereije gedrenkt heeft; ziende dus op de verleiding van alle de Heidenen tot dien laaften optogt. En hier mede zoude God de zaak afdoen en laten uitroepen: bet is Gefcbiedt, Openb. – 16: 17. Dit nu wordt besloten met de woorden van vers 10. 6 myne Dorfcbinge, en deTarwe mynes Dorfcbvloers ! wat ik geboort heb van den Heer der Heiffchare, den God Ifraels, dat beb ik u lieden

gezegt.. gt Dat

Dat deze betuiging aan geen ander Volk zoude geschieden als aan Israël zelven, dat de Tarwe zynes Dorfchvloers zoude genaamt worden, om dat God dat Volk in Babel geduurende LXX jaren op eene zinnebeeldige wyze zoude Dorfchen, in vergelyking van Jef 41: 15. Jer. 51: 33. Micb.4: 13. kan ik niet zien. De zaak is op zich zelve wel waaragtig, maar de H. Geeft bedoeld die hier niet. Niets voegelyker kan er voor het voorwer gehouden worden, als het eigen voorwerp waar over deze la wordt uitgefproken : en die in de Woestyne aan de Zee ten Zuiden, door die wapenkreet vers 2. zouden faamgeroepen worden, om Jeruzalem te belegeren; en in welker val en ombrenging door den Heer, die als een Leeuw uit Zion zoude brullen, de volkomen val van Babel zoude gelegen zyn; dat is alle de Heidenen in het Dal van Josaphat verzameld. Dit was des Heren Dorfchinge, en de Tarwe zynes Dorfcbvloers om dat God zelf hen tot kaf vermalen zoude.

En waarom getwyfelt? Joel Cap. 3: 14. Noemt het Dal van Jofaphat om die reden het Dal des Dorfcb-wagens, en geeft ‘er reden van, om dat in dat Dal des Heren Dag, als door Hem Dorfchenden zoude door gebragt worden. Menigten! Menigten in het Dal des Dorfcb-wagens ! want de Dagdes Heren is naby in het Dal des Dorfcb-wagens. – – Ook is dit in dezer voege geen oneigentlyk flot op deze bedreiging; waar door de Propheet Gods en zyner. Kerkevyanden, te voren van dit droevig uit einde verwittigt; als hebbende dit van den God Ifraëls, de beschermer van Juda en Jeruzalem zelven gehoort. En zoo heeft de fpreekwys meer klem als dat men die houde op Godsvolk te zien; wanneer de Propheet met meer nadruk zoude hebben konnen zeggen: wat ik gehoort heb van den Heer der Heirfcharen, van uw God 6 Ifrael, dat heb ik u gezegt! daar hy nu voeglyk kan geoordeelt worden, bet Volk Ifrael, wiens God dit gesproken hadt, te onderscheiden van hen, over welke Ifraëls God dat hadde bedreigt. * . – En dan is dit flot vers zeer kragtig; de Propheet wil dan zeggen: De God, van dat verdrukte Volk, van dat Juda en Jeruzalem, dat gylieden meenden op te eten als of gylieden brood atet, zal zich tonen by het geflagte der regtveerdigen te Zyn.

[ocr errors]

[ocr errors]

S. XXX.

Ziet daar een Bundelken van Godfpraken, die zoo duidelyk SSSS overeenstemmen, zoo in de geschiedenis, als plaatsbeschryving;N:::::

dat wy niet konnen nalaten nader aan te dringen. :: Hier door wordt ons dezelve geschiedenis volmaakt afgete-: kend; als uit hare vergelyking blykt. zin dezer

Na dat het grootfte deel van het Geeftelyk Ifraël en byzonder de:” belft van het geeftelyk Jeruzalem, in de grote verdrukking zal zyn” gekomen(Zach. 14: 2. Joël 3: 3–6.) en het overfcbot in het Land der Kerke een elendig arm en weerloos Volk zal zyn, (2 Chron. 20: 12.) evenwel op Godvolkomen betrouwende (2 Chron. 20: 5–12.) en in deze fcbemering ruft zoekende (Jef 21: 4.)

Dan zal een ontfaggelyke menigte vyanden; alle de Koningen der Aarde, die tot de Kerke van den Antichrift beboren; de Moabiten KinderenAmmons en de Edomiten (2 Chron. 2o: 1. Joël I9. Openb. 16: 14.) en met hen anderen van het zelve foort, (2 Chron. 2o: 1. ziet onze V. Aanmerking tegen Jungius). Ook de Egyptenaren (Joël 3: 19.) maar vooral ook alle de ::n der Waereld (Openb. 16: 14.) waar onder voornamelykde Volkeren aan de Eupbraat of de Koningen van den Opgang der Zonne (Openb. 16: 12.) byzonder de Perzen en Meden (Jef 21: 2.). en dus allede Heidenen (Joël 3: 12.) door de drie onreine Geeften, uit den mond van den Draak van het Beeft en den valfcben Propheet (ziet onze V. Aanmerking tegen Jungius) uitgezonden (Openb. 16: 13, 14.) onder Gods gehengen en Heilig beftel (Joël 3: 2.) tot de wapenen geroepen zyn(Openb. 16: 14. Joël 3: 9, 10, 11. Jef 21: 2.) ten beboeven van den Antichrift (Openb. 16: 13, 14, 14: 8. 18: 3.) als eene trouweloze en verftoordervan Gods Kerke (Jef 21: 2.) .

Welke door zyne tovereije en Gods heilig beftier overreed, zich zullen laten verzamelen en tegen de Kerke optrekken (Openb. 16: 16. Joël 12.)met Wagens, Ruiters, Kemels en Ezels (Jef 21: 7, 8. – Een droevig en hart gezigte, (Jef 21: 2.) waar over de overgelaten: Kerkleden zich ten uiterfteontzetten (2 Chron. 2o: 3–12. :: 21: 3, 4.) God om fmeken, (2 Chron. 20: 12. j: 3: II. 2. d.) en van den Heiland bemoedigd zullen worden, om zichgelovig te wapenen tegen den afval (Openb. 16: 15.) in hem geruft en onbekommert te zyn, (Jef. 21: 5.) :: God zonder hunne bulp voor hen

[ocr errors]

zal ftryden (2 Chron. 20: 14—17. Zach. 14: 3.) evenwel, onder
beding om zich gewapend te houden, op den wagt te ftaan en de be-
wegingen der vyanden te befpieden (Jef. 21: 5–8.)
n welke kommerlyke poft de Kerke zich getrouwelyk zal quyten
(Jef 21: 8. 2 Chron. 2o: 18–22. I; d.) en terwyl God zelf ag-
terlagen tegen deze vyanden ftelt (2 Chron. 2o: 22.) zyn Cikkel uit.
zendt (Joël 3: I3. Openb. I4: : de perfe treedt (Joël 3: 13.)
deze menigte dorfcbt (Joël 3: I4. Jef 21: Io.) uit Zion brult en
zyn ftem geeft uit Jeruzalem dat Hemel en Aarde beeft (Joël 3:
I6.) : Pbiool in de Lugt uitgiet (Open. 16: 17.) en den Geeft
dier Volkeren tegen elkander verdeelt, om zich onderling te verderven,
2 Chron. 2o: 23.) zal zy den Heer in dit werk bezig befpeuren,
Jef 21: 8.) en die gelukkige verloffing boren uit roepen: bet is ge-
cbiedt ! Babel is gevallen en alle de Beelden barer Afgoden zyn ver-
broken tegen de Aarde ! (Open. 16: 17. Jef 21: 9. en God ::. l06-
: van zyn Volk geweeft zyn (Joël 3: 16.
ier op zullen alle de Koningryken der Waereld, die hun deel in
deze flagting gehad hebben (Openb. 16: :: tot God en Chris-
tus gebragt worden (Openb. II: 15.) en de Kerke verzameld, uit
Jood en Heiden, zal haar zalige ruft, voor haar op deze Waereld
bewaart, bereiken (Joël 3: 16–21. 2 Chron. 2o: 27–3o. Openb.
2o: Zach. I4: 6–21.)
Dit alles nu zal het gevolg zyn van die verwoesting, die in Ar-
mageddoon (Openb. 16: 16.) dat is in het Dal van Jofapbat (Joël
3: 2, 12.) zal voorvallen; dat ons de Propheet Zacharia beschryft:
ten Ooften van bet geeftelyk Jeruzalem te zullen leggen, en zich te
zullen uitftrekken van bet Noorden na het Zuiden :: 14: 4-);
dat Ezechiel noemt; het Zuiden, bet Wout van het Veld ten Zui-
den , het Zuiderwout (Ezech. 2o: 46, 47.) David: de Woeftyne
Kades (Pf. 29: 8.) en Jefaia: de Woeftyne aan de Zee, waar uit
de wervelwinden van het Zuiden komen. En dat alles met toe-
fpeling op Josaphats z: in die vlakte, tuffchen de Woe-
:: van Engedi en Jeruel, beginnende in het Noorden van de
hoogte by Ziz en zich uitstrekkende na het Zuiden, onbepaald
tot het Gebergte, of den opgang van het Gebergte Edoms.

– S. XXXI.

t

s. xXXI.

Het is niet nodig nader aan te dringen dat de namen, wel- 6s. ke deze bygebragte Godfpraken van de plaats, waar in de laa- overeenfte Kerkvyanden zullen vergaderd en verdelgd worden, opge-: de ven, met de beschryving van het Dal Josaphats 2 Cbron. 2o.: volkomen overeenkomen. – met 2 Evenwel zullen wy dat, ter verlevendiging van de aandagt on-: zer Lezers, kortelyk doen. – ::::::: Het Dal van Josaphat leide ten Ooften van Jeruzalem , om plaatsbedat het de Zoutzee, de Oostergrenspaal van Juda bestreek, en fchryvingftrekte zich van Ziz hoogte Zuid nederwaards, tot na het Gebergte van Edom; dat is de nette befchryving die ons Zacharia van dat Dal opgeeft, ten Ooften van Jeruzalem en zich, tusfchen den gespleten Olyfberg, van het Noorden naar het Zuiden ftrekkende. Ook was het Dal van Jofaphat gelegen in het harte van die Woestyne die de Z. ten O. en de Zuidelyke eindpaal van geheel Palestina was, wordende aan het Ooften door de Woeftyme aan de Zee, of Engedienz. en ten Westen door de OCftyne Jeruels, beperkt en liep zoo Zuidelyk na beneden. En zoo zien wy waarom Ezechiel die plaats kan noemen,het Zuiden, bet Wout van het Veld ten Zuiden het Zuiderwout ; David : de Woeftyne Kades, en Jefaia: de Woeftyne aan de Zee; uit hoofden dat de flagtplaats in het middelpunt van deze Woeftynen was, en zich die grote menigte, niet alleen bepaalt in dat Dal, maar ook in de daar nevens leggende Woestynen uitfpreide. * Wy mogen dan niet meer twyffelen of in de naam Armageddoon. Het Dal van Jofaphat, enz. legt een toespeling op die plaats waar in God voor Josaphat gestreden heeft. ////. Maar hoe verre strekt zich deze zinspeling uit ? Moet men: hier, alleen berusten in de overeenkomst van dezen plaatsbe-: namingen, uit hoofde van de gelykheid der geschiedenis, die en opent. Cbron. 2o. Joël 3.Openb. 16: en in de overige o genoemde::::::Prophetien staat aangetekend? Of zal het flagtveld Letter-:* lyke Dal van Josaphat zelf zyn, 2Cbron. 2o. beschreven? Of is plaatsbede plaats, 2 Chron. 20. vermeld, zoo wel een zinnebeeld van Ar:”s

mageddoon, als de geschiedenis 2 Cbron. 20. een voorbeeld was ::- -van het geen in Armageddoon zal voorvallen? overeen- •

[ocr errors]

Iets dat ons nader onderzoek nodig heeft.

‘- (a) Het kan niet ontkend worden dat in de tale Gods de Niet al- overnoeming van de eene tot de andere plaats dikwerf geschiedt, :: alleen om zekere toevallen, zonder dat daarom de plaatsen voor ming van de zelven zyn te houden; of dat de een in betrekkelyke legging, de plaats, in opzigt van andere Landen Steden, enz. met de ander over::: eenkomt. Gelyk, by voorbeeld, wanneer de Stad Babylon, als zekere de Hoofdstad van dat ryk, inkomt als een zinnebeeld van Ro::- me, als de Hoofdstad van het Antichriftifche gebied en de ver: woesting van de Eerste tot een voorbeeld wordt bygebragt om de

fchiede: verwoesting van de Twede aftefchaduwen; zoo volgt niet dat,

Lll 3, daarom de legstreek van Rome in opzigt van het Kerkland des N. T. dezelve moet zyn, als die van het oude Babylon eertyds in opzigt van de Kerk des O. T. gesteld was; om dat de rede van overeenkomst in den naam, (zoo ‘er geen wigtige redenen bykomen van het anders te moeten be-oordelen) kan gezogt worden in de zakelyke overeenkomst, die deze twee Steden onder malkander hadden; daar in bestaande: datze beide de zetel van een alge

meen gebied; beide het queekschool van geweld, bedrog, God

loosheid en afgodery zyn geweest enz.
Op die zelve wyze kan men ook eenigzins toestaan dat de re-
de waarom dat de plaats, waarin de laafte Kerkvyanden zullen
famenkomen en verdelgt worden, Het Dal van Jofapbat, de Woe-
yne aan de Zee, bet Zuiderwout, enz. genaamt wordt; om dat in
dat Dal, zoo als het 2 Chron. 2o. wordt omschreven, iets dier-
gelyks is voorgevallen, als er op den tyd des eindens in Arma-
geddoon zal gebeuren; dat is (gelyk getoont is) om dat daar in
ook de verdrukte Kerk, door Gods onmiddelyke hulp van een
gevreesde menigte vyanden, verlost en tot volle rust hersteld
wierdt; en wat al meer in de naauwkeurige overeenkomst van
Joël 3. Openb. 16. met 2 Chron, 2o. is opgeteld.
Evenwel is het ‘er verre van daan dat men hier daar in alleen
zoude moeten berusten; daar de plaats 2 Cbron. 2o. omschreven,
niet min in hare gelegentheid, als in het geen daar in gebeurd is,
een Prophetisch voorbeeld van Armageddoon moet ge-agt worden
te zyn. –
De beweegredenen zyn dezen. –
(1) Om dat de naauwkeurigheid der Goddelyke belofte van
verloffing, door Jahaziel 2 Cbron. 2o. op Gods bevel gedaan,
voornamelyk ook bestondt in de nette bepaling van de plaats,
waar in die vyanden zouden omkomen vers 16. Dat juist ook :
G

, zoo als men dat Chron. 2o. vin

die zelve wyze van Joannes is verrigt. Die toont insgelyks dat God daar in de naauwkeurigheid van zyne toezegging ook stelt, dat Hy deze flagtplaats met zynen zinnebeeldigen naam niet alleen benoemt, maar ook leert dat die buiten de Kerkstaat, op hare Grenzen, en 16oo Stadien in haren omtrek groot zal zyn, als getoont is. (2) Doet daarby de volmaakte overeenkomst, die er tuffchen de voorbeeldige geschiedenis 2 Cbron. 2o. en de Prophetische Voorzegging Joël 3. en Openb. 16. gevonden wordt; en de eerfte en eenvoudigste vraag zal moeten zyn: of er dan ook geenovereenkomft in de plaatfen, waarin die beide gefchiedeniffen moeten gebeuren, te vinden is, op dat de overeenbrenging volkomen zy? (3) Paar hier mede onze V. Aanmerking tegen %. Jungius, waar in beweerd is, dat de laafte Kerkvyanden, met de namen der oude Kerkbestokers bekleed worden, niet alleen om dat zy in zekere hoedanigheden met elkander overeenkomen; maar om dat ook de plaatsen en landen hunner woningen , zoo in opzigt van het Oude en Nieuwe Land der Kerke, als onder malkander in legging zullen gelykvormig zyn; het geen ons de deur opent, om, indien wy ook Armageddoon op zodanigen wyze konnen aantreffen, het daar voor te houden dat wy het gevonden hebben. – (4) Nu ontmoeten wy zodanige plaats in het Dal van Josaphat; die ons voorkomt in eene gefchiedenis 2 Chron. 2o. die het voorbeeld is van onze Prophetie; enwelke naam Joël 3. Ezech. 2o. Pf. : en Jef. 21. by verwiffeling voor ons Armageddoon gebruikt WOrClt. (5) Ja wy hebben getoont dat ons niets in de weeg is om Armageddoon voor het Dal van Josaphat te houden; om dat de ver, elfchtens by de eerste plaats, ook by de twede gevonden worden; het Dal Josaphats was buiten de bewoonde Kerkstaat der Joden en op haar uiterste Grenzen en mogte in grote by Armageddoonvergeleken worden. , :: Voeg hierby dat Zach. 14. Ezech. 2o. en Jef. 21. uitdrukkelyk de legstreek van deze plaats beschryven, moetende tusfchen het Zuiden en het Oosten van het Geestelyk Jeruzalem af. leggen, waar mede het Dal Josaphats volmaakt overeenstemt, beschreven. (7) Ook gaat de overeenbrenging van 2 Cbron. 2o. met de an: dere Prophetien, die op de laafte Kerkbestormers zien, verder als tot de gelykheid van h: ombrenging; om dat dien: – 3 Oul kan twyfelen of het foort der vyanden, dat tegen Josaphat optoog, de Moabiten enz., heeft het foort van de laafte Kerk ontrufters afgeschets; gelyk wy in onze V. Aanmerking tegen Jungius hebben aangewezen. . Nu moeten deze namen Moab, enz. tot deze vyanden overgebragt worden, niet alleen om zekere gemene overeenkomsten, maar ook om de betrekkelyke legging, als bewezen is; en waarom dan van de plaats, die daar bedoelt wordt, om de bovenstaande redenen, niet eveneens kon ge-oordeeld worden, zal niemant ligt bewyzen. (8) Ook hebben wy aangemerkt dat de toespeling der opgenoemde Prophetien op 2 Cbron. 2o. verder gaat als ten aanzien van de geschiedenis, die daar verhaalt wordt; en dat de Wagttoren, waar op de Kerke wagt gehouden heeft 2 Cbron. 20; 24. en wagt houden zal Jef. 21: 8. met den zelven naam benoemt wordt. (9) Let hier boven dat nog op het geen reeds gezegt is: dat Armageddoon, hoe geheimzinnig dat dat woord ook zyn mag , een , by God bepaalde plaats op der Aarde beduidt, die geen twee of meer, maar een eenige is; , die niet hier of daar, maar op de Grenze van de Kerkstaat zal leggen en in haar omtrek 16oo Stadien zal bevatten : dat dit een plaats is, aan welker kennis de Kerke gelegen legt; om dat de kragt der vertroosting van den Heiland daar opsteunt; zullende die vyanden wel tot aan de Grenzen van haar staat komen, maar niet verder; daar zal haar non plus ultra zyn; iets dat zy uit dien hoofde niet alleen weten moet, maar zelfs voor den tyd des Eindens zeker weten zal ; want hoe zal zy zich anders konnen verzekeren, dat zy in die bepaalde plaats zyn ? hoe zal zy goedsmoeds en in God gerust, haar wagt konnen uitzetten en vast verzekerd zyn dat hare bestokers niet verder zullen indringen? Zoo dat elk de deur tot onderzoek openstaat, heel anders als in het navorfchen van het Jaar der laafte Kerk bestorming; dat heeft de Vader om wyze redenen in zyn eigene magt gesteld en niet onfeilbaar :: maar de kennis der laafte vyanden en de plaats die hun laafte Kerkhof zal zyn, heeft Hy het onderzoek der beminnaars van het Prophetische woord toevertrouwt; en die mag, kan en moet voor den Tyd des Eindens gekend worden. – En al is het dat de omzigtigheid ons raad, om in zulke hoge Ontdekkingen, alleen te zeggen, dat de Vinding alleen ten – L – Ullt

uiterste waarschynelyk is; gelyk wy die wyze van doen verkie-
zen; zoo is het nogtans zeker, dat men op deze wyze genoeg
doet aan de verpligting, die men tot de Kerke heeft.
Want zoo lang er geen ontdekking geschiedt, die volkomen
zeker of meer waarschynelyk is , zoo heeft Gods Kerke aan
het waarschynelyke genoeg; , en deze waarschynelykheid zal
voor haar in volkomene zekerheid veranderen, als zy eens in
die Zielontroerende toestand is en die gevreesde hoop zal zien
aantrekken en in die plaats komen, die wy door Gods goed-
heid, of een ander na ons, maar nog voor den Tyd des Ein-
dens, beter zal ontdekt hebben. Voor den tyd des Eindens zeg
ik nog eens, om dat de toestand der Kerke , als getoond is ,
dat vordert en God ons nergens in zyn woord heeft geleerd,
dat Hy de kenniffe van die plaats voor zich bewaart en in den
Tyd des Eindens eerst openbaren zal.
(Io) Ik fluit deze bewys redenen, zoo het eenigzins ge-oorlooft
is met het gezag van andere uitleggers iets te bewyzen;met te zeggen
dat om deze of diergelyke redenen de Grote Vitringa niet ge-
twyffelt heeft te stellen dat Armageddoon in Europa zal te vinden
zyn. En hoe ver het misverstand van fommigen onder de Jo-
den ook gegaan is , zy hebben (als reeds is aangeroerd) ge-
toond dat zy het Dal van Josaphat, waar van Joël fpreekt en
dat zy verkeerdelyk voor de plaats van het algemene oordeel hou-
den, naar de Letter in 2 Cbron. 2o. gezogt en geplaast hebben
ten oosten buiten Jeruzalem.
Ziet daar Beminde Lezers de Basis, waar op myn gebouw
fteunt, welke ik onbeschroomt onder het oordeel van elk, die
ewend is Prophetien te behandelen, durf brengen; niet twyf-
elende of zy zullen met my besluiten moeten : dat Joël zoo
wel de plaats als de geschiedenis, die 2 Chron. 2o. vermeld is, in
zyn derde Hoofdstuk bedoelt en dus ook Joannes Openb. 16: 16.
die met Joël hier in gelyk staat.

xxxII.

– – – – 

– (*)Nogtans heeft het niet veel bewys nodig, dat Joël en oan-z..”.

nes die eigene en zelfde plaats, waar in de ondergang van Jola- :: Phats vyanden voorviel, niet be-oogen. , ” “ , – Joël en

[ocr errors]

– – – – Onze:

zelve Onze vorige bewysredenen brengen dit niet mede, maar voor ::” onderstellen het tegendeel. ::: ze. Daar is ook geen glimp van :: dat de onderwordt be-gang der hulpbenden van den Antichrift in Palestina by de Do::en de zee zal gebeuren; dat zal in dien tyd, zoo anders de minste zekerheid in de uitlegging der Propheten te stellen is, de weg niet zyn voor de vyanden om tot het Geestelyk Jeruzalem te komen ; nog de ware Kerke zal door deze aantogt, als ze daar ter plaatse zoude voorvallen, geen reden van ontroering en dodelyke vreze overkomen; nog uit haar Land en van haar Grenzen de nederlaag, in dat Letterlyke Dal konnen aanschouwen; zoo anders het Geestelyk Jeruzalem in de laaste tyden zich eenigzins door hare kentekens openbaar maakt en zich onderfcheidt van de navolgers van den Aardsbedrieger Mahomed, die het Land Canaä in hun bezit hebben; daar ‘er geen fchyn of blyk in het Prophetische woord is, dat zy of huns gelyken voor den tyd des Eindens van dat bezit zullen berooft worden; of dat het overblyffel der Joden voor deze laaste flagting, tot dat bezit geraken zal.

S. XXXIII.

E y) Daar blyft dan niets overig als te stellen: dat Joël en de Maar om anderen opgenoemde Propheten en dus ook Joannes, de plaats, ::-die 2Cbron. -2o. als Josaphats Dal omschreven wordt, zoo in gheï:n hunne Godfpraak bedoelen, gelyk de Propheten gewoon zyn de gele: den naam der oude Kerkvyanden over te brengen op die, die fen: in het N. Teft, en wel in deszelfs einde, de Kerkbestormen

in opzigt van de * zullen. – – – – – Kerk. Dat is, om dat in die plaats een geschiedenis is voorgevallen,

die hunner aller :: volmaakt heeft voor- en afget die

beeldt en te gelyk om plaats in de zelve betrekking
tot het Land der Stammen en Jeruzalem gelegen heeft, als Ar-
mageddoon in betrekking tot het Land der Kerke of het Geestelyk
Jeruzalem leggen zal. – –
Immers dan en niet eerder, zal hunne toespeling volledig zyn,

gelyk getoont is. – –
Het eerfte (dat is dege lykheid der gebeurtenis in het Dal Jo-
faphats)

faphats) reeds betoogd zynde, staat ons het twede (dat is de overeenkomst in betrekkelyke legging) nader aan te wyzen.

S. X XXIV.

Waar is dan de plaats, die men voor het Openb. 16: 16. op- 8. genoemde Armageddoon heeft te houden en dat zoo in opzigt waar dan van het Land der Kerke in den laaften tyd zal gelegen zyn , als Armagedhet Dal van Josaphat eertyds in opzigt van het Land der Stam-:: men gelegen heeft? van den Een vraag die niet voldaan kan worden , dan op de voor- : onderstelling dat het bepaalde Land, waar in het Geeste-: ” lyk Jeruzalem zich bevindt en ophoudt, volkomen bekend zyn. is ; het welke by gevolg van ons eerst dient aangewezen te b: worden. einOOnt, Evenwel (gelyk in onze Aanmerkingen tegen Do. Jungius, 1. reeds is gezegt) is het Godgeleerde onderzoek, welke dat den De nadenaam van ware Kerk dragen mag, onder zoo vele en verfchei- ::::: dene gezindheden, met onze stof en oogmerk niet overeen- hetgeeskomstig. telyk JeDie wy , deze onze Behandeling lezende, de toestemming: durven afvragen, zullen met ons wel willen voorzeker houden: re Kerk in dat die geen , die met de Hervorming uit Babel zyn uitge- Europagaan , die zich met den naam van Hervormde , Protestanfche of Euangelische Geloofsbelyders vereerd vinden en die zich door zulke onbetwistbare kenmerken , als het Heilige woord van God van de ware kudde des Heren opgeeft, onderscheiden van het Jodendom , Heidendom , Afgodifch Pausdom en vele anderen , die nog met den rok, die met vleefch befmet is, om hangen zyn , voor de ware Kerke zyn te houden. Met anderen , die zelf by het uitvoeren van Zyne gevreesde oordelen, Gods weg niet zullen leren kennen; die blind zyn op den middag en die dus, in het onderzoek na de kentekens van de ware Kerk, met ongenefelyke voor oordelen bezet zyn , bekreunen wy ons niet verder, als dat wy zulken de Goddelyke Genade en Verligting aanbevelen. 5 Het Land nu, waar in deze ::ervormde en Protestantfche of 2

– In welk Euan deel van

Europa die zich bevindt.

Euangelische Geloofsbelyders wonen, dat in een aaneenge-
fchakelde streek aan elkander legt, zonder dat er andere Ry-
ken, Vorstendommen of Gemenebeften , van eene andere ge-
zindheid, tuffchen infchieten, om dezes Lands deelen van een
te scheiden, zal niemand betwisten of het mag de Kerkftaat
des laaften tyds, genaamt worden , die door het land der XII.
Stammen is afgebeeld en met het zelven in alles mag vergele-
ken worden.
En dan worden wy onfeilbaar als met de hand geleidt tot
het land der Hervormde en Protestanfche of Euangelische Chris-
tenen , dat zich, gelyk in de V Aanmerking tegen gius is
getoont, op dezelve wyze als het Land :: eloften, van
het Noorden ten Ooften tot het Zuiden ten Westen in een
::::::::::::::::: ftreek uitstrekt, beginnende ten Zuiden met
onze VII. Provinciën en het naburige Engeland, lopende Noorde-
lyk en Noordoostelyk opwaards door Ooftvriesland, Bremen, Hol-
ftein, Denemarmarken en Zweden, waar door het in het Noor-
den bepaald wordt.
Een land dat in geen ander deel der Waereld, in opzigt van
de :: met het oude Palestina , zyns gelyken vindt;
en voor al niet in Europa! Het overige van dit Waereld deel,
dat aan malkander grenfcht, zyn de ryken van den Antichrift ;
de Koningen der Aarde, het Geestelyk Sinear, Egypte, Patbroos,
Edom, Moab, de Kinderen Ammons, en de Bisdommen die tot de
Dode zee behoren, dat is Italie, Spanje, Portugal, Vrankryk,
Duitschland , Bohemen , Hongaryen, Polen, Keulen, Trier,
Munfter, enz. die allen van de kenmerken der ware Kerk be-
rooft zyn.
, ‘t Zy evenwel, terwyl wy het land der Kerke dus bepalen,
verre van ons, dat wy door een liefdeloos oordeel vele ande-
re Hervormde en Protestantfche Christenen, die buiten dat be-
paalde land in Europa of elders wonen, van het geeftelyk Je-
ruzalem zoude menen uitgefloten te zyn. Neen wy hebben
deze bedenking, die tegen deze vinding kan gemaakt worden
reeds weggenomen (in onze Aanmerking tegen Jungius). De
Joodfche mannen, die in Perziën, Medien, enz. woonden, bleven
Joodfche mannen, fchoonzy niet te Jeruzalem woonden, Hand.
2. of in het land der XII. Stammen, dat hier alleen in ver-
gelvking komt, zoo zyn en blyven de Hervormde en Protes-
tantfche Christenen dieze zyn, alfchoon zy door Spanje, Por-
tugal, Vrankryk, enz. zyn verspreidt, of in de Republiek &:
– – – – e-

[ocr errors]

Geneve, in de Zwitferfe Kantons, in Hongarie, de Pals, Pruisfen, enz. zich ophouden, en van het aaneengrenzende land der Kerke onderscheiden zyn; gelykze daarom ook van de bezoeking, die over de gehele Waereld, de Kerke zal overkomen, Openb. 3: 1o. niet vry zullen zyn. Gelyk dan de laaste Kerkvyanden uit hunne Oostelyke, Zui- 3. delyke en Westelyke legging tot dit bepaalde land moeten be-:** oordeelt worden, zoo zal ook het zinnebeeldige Dal van Jofa-:#ge. pbat of Armageddoon op die wyze te zoeken zyn. legentEen onderzoekdat niet moeijelyk valt als men de toestand : : van het Dal van Jofapbat zich naauwkeurig voorsteld: dat Dail: op- begon by de hoogte Ziz, iets Zuidelyker als Zuidoost van Je-zigt van ruzalem, en nog wat Zuidelyker in opzigt van het gehele land: der Stammen ; en digt op Ifraëls en :: grenzen ; konnen-israël, met de in een dag van Jeruzalem worden bereift : het strekte zich die van langs de Dode zee, de Oostelyke en Zuid Oostelyke landzyde:” Van : , waar door Juda van het land der Moabiten :: afgescheiden Zuid nederwaards , onbepaald tot het Gebergte: er van Edom , en dus als op de grenzen van Israël Moab en E-:e. dom. Men legge nu by deze bepaling van Josaphats Dal een der naauwkeurigfte Landkaarten van Europa of Duitschland of der XVII. Provinciën open, en onderzoeke waar zich zoodanige en :: landstreek in opzigte van dat land der Kerke vinden laat ? En welke gevonden zynde met alle vereischte omstandigheden overeenkomt ; en men zal , hoe wars ook van ligtvaardige onderstellingen, met ons moeten belyden: dat met de grootste waarschynelykheid die Landstreek, door Joannes Armageddoon wordt genoemt, die :: den Rbyn en de Maas van onze grenzen Zuid ten Ooften en Zuidelyk nederwaards zicb uitftrekt, onbepaalt tot aan Lotteringen ;beginnende uit de bogt of kromte, die het Hertogdom Kleef, maak, op onze landfcheiding , by Gennep , Cranenburg en by bet Staten Fort deSchenkefcbans; : nederwaards door het Cleeffche, bezuidweften den Rhyn, door Pruiftfcb Gelder, be-ooften de Maas, door Gulik, Limburg, Trier,Luxemburg, en een gedeelte van het Bisdom Luik, beoeften de Maas. 4. Een Landstreek die ten uiterste naauwkeurig voldoet aan al-::en,

[ocr errors]

, (j) Zy brengt de vereischtens mede, die van Armageddoon :: op in de Openbaringe worden o:geven; zynde buiten de Stad 2:, be2 dat vestigen.

——-

– – – – – – ———- —

dat is buiten het geeftelyk Jeruzalem, of het land der Kerke; dat aaneengeschakeld legt ;, gelyk dat uit de opgaaf van zelf volgt ; zynde het begin midden en einde buiten het land der Hervormde en Protestantfche Geloofsbelyders te vinden. En evenwel legt het onmiddelyk op de grenzen vande Kerkftaat; f: zich met haar Noordwestelyk einde aan de Zuidoofteyke grenzen van den Staat by – Gelderland en Zutphen. Ook voldoet deze landstreek in de grootheid en omtrek van 16oo

Stadien, aan Armageddoon ; hebbende in hare lengte omtrent

45 uuren en dus in haren omtrek meer dan 1oo ; zoo dat de
ruimte van 66 uuren (die 16oo Stadien uitmaken ) die tot aan
de tomen der Paarden met bloed vervult zal zyn, gemakkelyk in
die omtrek zal te vinden zyn.
(††) De gesteldheid van het Dal van Josaphat wordt ook vol-
daan door deze afgeperkte plaats.
f. Zy legt ook even als dat Dal, in haar begin Zuid Oofte-
lyk en Zuid Zuid Oostelyk bezeide het Kerkland en loopt Zuid
ten Ooften en Zuidelyk nederwaards voort, tot de grenfch-
fcheiding van Edom of Vrankryk of Franfch Lotteringen.
//. En eindigt, even als dat Dal, aan de famenloop van E-
doms en Moabs grenzen, dat is daar de Rhyn Kreitz, tot
Duitschland behorende en Lotteringen , ftaande onder Vrank-
ryk, aan malkander grenzen. Hebbende Moab , dat is het
: ten Oosten en Edom , dat is Vrankryk ten Zuide
onder zich.

Een overeenkomst die zeer opmerkelyk is, en de vergely

king zeer bekragtigt, om datze dus de Prophetische Landbe-
íchryving niet vernietigt, maar in tegendeel begunstigt.
///. Die landstreek komt ook voegelyk met Josaphats Dal over
een, om dat dezelve tuffchen en in het midden van eene menig-
te Boffchadie en Heiden gelegen is.

// /. Ook zal er op de grenzen van het Kerkland geen Wagt

toren ontbreken, waar van de nederlaag der vyanden in dit
zal konnen bemerkt worden; het zymen die in ‘s Lands uiterste
fterke de Schenkenfchans of iewers elders daar omtrent te zoe-
ken heeft. – –

(†††) Ook ftrydt de welvoegelykheid en de ondervinding voor het geen wy bezig zyn te beweren. * – 3

/. Daar fchynt geen voegelyker landstreek, om van daar de Kerkstaat te overvallen, te konnen uitgedagt worden als deze, om dat het dezelve daar zonder voormuur, en tot op haar grenzen blood legt. – –

//. Ge

[ocr errors]

//. Gelyk de ondervindig, die :: Cap. 3: 19. te binnen brengt, geleert, heeft dat de Kerkbestokers, dien weg meermaal gekozen hebben, om in de Kerkstaat onschuldig bloed te vergieten; het Jaar 1672. is daar van een voornaam bewys. Gelyk ‘er voor Edom geen gemakkelyker toegang in Judea was als door het Dal van Josaphat, zoo is er voor Vrankryk geen wyder opening, om onze Staat te ontruften, geweest als deze landftreek.

//t. Ook fchynt ‘er geen wel gelegener plaats, ter verzameling van alle deze Heidenen, te zyn als deze; om dat de zelve, gelyk de praktyk des oorlogs altyd mede brengt , het land der medestreidende Koningen der Aarde, Moab en Edom het meeste misloopt, dat geen plaats zoude hebben als de bedreigde inval aan de zyde van Braband of elders gezogt wierdt.

Ziet daar het geen wy de Kerke van Armageddoon te zeggen hadden ! Hebben wy mis gegift, God verbetere dit gebrek, door zyne nadere verligting tot nut van zyn Zion in dezen aan ons of eenen ander in ‘t vervolg te schenken! En hebben wy, alleen door zyn onverdiende goedheid, het geluk gehadt in de ontdekking van dit, voor de vervolgers dodelyk, en voor zyn Kerke zalig schouwtoneel, zyn verdrukte Kudde in dien tyd voor te ligte; Hy pare, wanneer hare haters daar in vergaderd zullen zyn , zyn bemoedigende en voor den afval bewarende Geeft by zyne opwekking en vermaning, en geve zyn gelouterd Jeruzalem een Heerlyk

Grondwet Schending 2

JORN JAKOB ALBERT BOOR·FRIDAY, 9 OCTOBER 2015

De belangstelling om de inhuldiging van prins Willem-Alexander op 30 april bij te wonen is groot.

Van een nationaal geschenk tijdens de officiële feestelijkheden is afgezien met het oog op de economische crisis. Premier Rutte kondigde aan dat er sprake zal zijn van een sober, maar toch een groot feest.

Volgens Peter Ingelse, rechter bij het gerechtshof te Amsterdam, is de troonopvolging illegaal. Hij stelde eerder in NRC Handelsblad dat de troonswisseling gepaard gaat met een aantal juridische problemen.

Overheidsdienst

Ingelse zegt dat het koningschap een overheidsdienst is, waar iedereen op kan solliciteren. Het zou volgens de rechter illegaal zijn om het koningschap te vergeven aan Willem-Alexander. Dientengevolge is onze huidige koningin ook onwettig.

De magistraat zet uiteen waarom de grondwettelijke bepaling dat ‘het koningschap erfelijk vervuld wordt door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau’ eigenlijk onverbindend is.

Erfelijk koningschap

Het is regelrecht in strijd met het verbod van discriminatie, dat niet voor niets als artikel 1 is opgenomen in de Grondwet,” zei Ingelse. “Het is evenzeer in strijd met het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Dat verbiedt iedere vorm van discriminatie, uitdrukkelijk ook die op grond van geboorte, bij de toelating van een burger ‘tot de overheidsdiensten van zijn land’.”

Dit laatste verbod heeft volgens Ingelse een hogere rangorde dan onze Grondwet en zet daarmee het erfelijk koningschap opzij.

Bron: Nieuwsuur.nl

Grondwet Schending 3

JORN JAKOB ALBERT BOOR·FRIDAY, 9 OCTOBER 2015

Op 30 april 2013 trad koningin Beatrix af. Zij werd opgevolgd door haar zoon Willem-Alexander. Maar heeft deze koning, als Willem IV, wel recht op de troon? Daarbij draait het om de vraag of zijn overgrootmoeder koningin Wilhelmina echt de dochter is van koning Willem III.

Voor de rechtmatigheid van de troonsopvolging van Beatrix door Willem-Alexander moeten we in het bijzonder kijken naar koning Willem III: prins Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk, prins van Oranje-Nassau, Koning der Nederlanden.

Koning Gorilla

Hij leefde van 1817 tot 1890 en was de zoon van koning Willem II der Nederlanden en Anna Paulowna, grootvorstin van Rusland, zus van de Russische tsaar Alexander I van Rusland.

Deze Willem III was een beetje een vreemde koning. Hij was fel gekant tegen de constitutionele monarchie en vond dat een koning zelf moest regeren. Hij trouwde met zijn volle nicht, Sophie van Württemberg, maar leefde er dusdanig zedeloos op los, dat hij destijds door de New York Times werd afgeschilderd als ‘de meest losbandige figuur van onze tijd’. Hij kreeg later de bijnaam koning Gorilla, vanwege zijn onvoorspelbare grillige buien en boerse gedrag.

Met Sophie kreeg Willem III drie zoons. Nadat zij in 1877 was overleden, hertrouwde Willem in 1879 met de 20-jarige Emma van Waldeck-Pyrmont. Hij was toen 61 en zijn losbandige leven zou er volgens het boek ‘Geheimen van de Oranjes’ voor gezorgd hebben dat hij geen koningskinderen meer kon krijgen. In het boek wordt verwezen naar een rapport van de lijfarts van Willem III, Roessingh.

Grondwet

Toch werd Emma zwanger en in 1880 werd Wilhelmina, de overgrootmoeder van onze koning Willem-Alexander, geboren. Toen Willem III in 1890 stierf waren zijn zoons uit zijn eerste huwelijk al overleden en werd Emma regentes over de 9-jarige Wilhelmina, het enige overgebleven koningskind.

Als Willem III geen kinderen meer kon krijgen op zijn 61ste, betekent dit dat Wilhelmina de dochter was van een ander. Als mogelijke vaders worden mr. Joan Roëll en jonkheer De Ranitz genoemd. Dit betekent ook dat Willem-Alexander volgens de wet geen recht heeft op de troon. Artikel 24 in hoofdstuk 2 van de Nederlandse grondwet bepaalt dat het koningschap erfelijk moet worden vervuld door grondwettelijke opvolgers van koning Willem I, prins van Oranje-Nassau.

Of koning Willem-Alexander wettelijk recht heeft op de troon zou nader onderzocht kunnen worden door middel van DNA-onderzoek. Maar wie van het koningshuis wil daaraan meewerken? Het zal ongetwijfeld leiden tot tegenwerking van instanties en personen die juist voor de monarchie zijn.

Beatrix heeft geen recht op de troon”

In 2005 stond prinses Margarita, die vanwege haar echtgenoot in een conflict was verwikkeld met de koninklijke familie, DNA-materiaal af om via onderzoek te bewijzen dat Beatrix geen recht had op de troon. De prinses stond onder meer een haarlok, speeksel en een kledingstuk af. Het materiaal werd bewaard op een geheime locatie.

In de zomer van 2003 was na overleg met de prinses besloten een onderzoek in te stellen. Het genetisch materiaal zou aantonen dat Beatrix niet afstamt van Willem I en daarom geen recht had op de troon.

Boek: Koningskind

Grondwet Schending

JORN JAKOB ALBERT BOOR·FRIDAY, 9 OCTOBER 2015

3 april 2013 16:32 op 16:32

Nederland heeft sinds mei 2012 al 72 jaar geen wettige regering. In de meidagen van 1940 werd het de regering van destijds te heet onder de voeten en vluchtten zij naar Engeland. Hierdoor werd automatisch grondwettelijk afstand gedaan van het wettige landsbestuur. Op deze manier kreeg de bezetter een heel land in de schoot geworpen en kon er een Duitse Rijkscommissaris worden aangesteld.

Tot zijn genoegen riep de Majesteit ook nog eens op, de bezetter zoveel als mogelijk terwille te zijn en zodoende kon de topambtenarij voor de Nazi’s aan de slag. Dit was landverraad en dus strafbaar. Omdat de regering onder leiding van Wilhelmina het hazenpad koos, werd grondwettelijk de regering opgeheven. Dit vanwege het in 1940 geldende grondwetsartikel 21: “In geen geval kan de zetel der regering buiten het Rijk worden verplaatst.”

Op 6 september 1898 bij de aanvaarding van de kroon heeft Wilhelmina met haar twee vingers in de lucht het volgende aan het Nederlandse volk beloofd en toegezegd: “Ik zweer aan het Nederlandsche volk, dat ik de grondwet steeds zal onderhouden en handhaven, etc…… Zo waarlijk helpe mij God almachtig.”

Op 13 mei 1940 heeft zij deze plechtige eed aan het ‘Nederlandsche’ volk gebroken en aldus afstand gedaan van de regering. Sinds die dag wordt dit land dus onwettig bestuurd door een onwettig gezag. Iedereen kan dit begrijpen. Maar je hoort de politici in Den Haag en de staatsrechtgeleerden nergens over.

Het vestigen van een regering is pas wettig als er over gestemd kan worden. Nederland heeft niet gekozen voor de ‘Oranjes’, niet in 1813 toen Willem Frederik hier is geïnstalleerd en ook niet in 1945, toen de onwettige koningin weer pontificaal plaats nam op de troon. Een en ander is nooit bevestigd door een volksraadpleging, dus sinds die tijd is het gezag illegaal.

http://www.wanttoknow.nl/inspiratie…

RESTORE the DUTCH REPUBLIC

KINGDOM OF THE NETHERLANDS NEEDS TO BE COMPLETELY DESTROYED

with 7 comments

The Kingdom of The Netherlands is an occupied piece of land in Europe and is governed by an unelected, thus unlawful government.

This country is actually under firm control of the “liberating” forces of the Anglo-American cartel since 1945 and governed by proxy by an unlawful fraudulent family that call themselves “royal”. Right after the capitulation of the German Army in The Netherlands on May 6th, 1945 there has never been the transfer of sovereignty from Nazi-Germany to anyone in The Netherlands. There is no power vacuum even, the sovereignty is in the hands of The Crown in London through the signature of Canadian General Foulkes. No one actually did claim back our sovereignty, not even the “royal” family, as far as we know.

All so-called elections organised in this country are unlawful. No law is applicable, no judge is lawful and no lawmaker is competent. The system is ruled by itself, leaving the Dutch out of the loop, efficiently and treasonous. The Netherlands has to be started all over again, prefferably as from 1798 by liquidating the Constitution of the Batavian Republic, a jesuitic vassal of the Roman Catholic whip: The Emperor Napoleon Bonaparte.

To re-establish The Dutch Republic, following steps will be necessary:

  1. Establishment of the Interim Constitutional Council of 210;
  2. Council will install a High Commissionar for temporary management;
  3. A referendum will be launched to have the Dutch decide on the way of governement and the election of the Constitutional Council of 210;
  4. The new Constitution is to be formulated by the Constitutional Council and to be decide by the people by means of referendum;
  5. Based on the New Constitution all legislature will be amended, cancelled of renewed.

As Abraham Lincoln stated: “No law is lawful unless agreed upon by the people”.

This is very true, but it also makes The Netherlands a non-legal entity, ruled by foreign powers an run by proxies.

Only once, the Dutch had a chance to decide by referendum. Two-thirds of the voters declined on the new EU Constitution in 2005.

It was a farce.

Less than one year later the Constitution was renamed the Lisbon Treaty, a different name, but the same content.

This how some foreign cartel give proof of their absolute power over the Low Lands. The people deliberate while the decisions have already been made over their heads.

We need to kill the so-called Kingdom and vote for the Dutch Republic – the sooner the better.

Bron:

https://thedutchrepublic.wordpress.com/2014/08/14/kingdom-of-the-netherlands-needs-to-be-completely-destroyed/#more-65

Advertisements

Published by

Jakob_EGO

Jorn Jakob Albert Boor. (36) Ik heb mijn leven lang menselijke interactie, tegenstellingen en tegenstrijdigheden geobserveerd en hieruit een conclusie getrokken. Theorie, ervaring en ondersteuning vanuit de vele verscheidene vriendschappen en gebeurtenissen hebben het mogelijk gemaakt tot de kern van het menselijk bestaan en evolutie van het bewustzijn op individueel en collectieve zingeving en progressie. De verschillende specialisaties, hierarchische levels van behoeften (egoisme) en non verbale en verbale intentie's en communicatie eigenschappen (egocentrisch) zijn een fundamentele doelstelling en persoonlijke ontwikkeling die ik graag wil delen en ten dienste wil stellen zodat het de creatie en evolutie van ons natuurlijke zijnsvorm transcends in het geestelijke/spirituele zijnsvorm in ons aller belang en zoals het gedetaileerd in allerlei verscheidene historische takken van sport is benoemd en vastgelegd op feiten en profetisch onderbouwde geschriften. wijsheden en legacies. Defragmentatie van deze inzet, inzichten, kennis en opofferingen ten behoeve van ons aller belang en bestaansrecht. Via het informeren en verzamelen van kennis verwacht ik de chaos en verbroken connectie's weer samen te brengen en hiermee de macht over vrede, begrip, diversiteit en samenwerkings verbanden naar een resonerende en gebalanceerde bestaansrechtelijke fundering terug te brengen en mijzelf en mijn service van toegevoegde waarde te laten zijn. Vanuit mijn eigen ervarings deskundigheid en relatieve overzichten op globaal niveau. Creativiteit. Spontaniteit en Probleemoplossende eigenschappen en de bij behorende communicatieve vaardigheden zouden het varkentje moeten wassen. UNESCO onderschrijft een groot deel van de conclusie en bestaansrecht van deze theorie/evolutie model en symboliek voortgebracht via de grootheden en culturen en eerder bestaansvormen uit het verleden. Dit is de finishing touch en de start van een nieuw begin met rust. vrede en creatieve ontwikkelingen en rechtvaardige basis berustende op eenwording en ware identiteit van de mensheid. De overwinning welke onze wederzijdse verantwoordelijkheid in alle facetten van het bestaan vrijheid en zijn bevierd zal worden! # Het zal geschieden. # Mijn thuis is waar liefde zegeviert # Huis van Jakob / Rechtvaardigheid # Jakob 's Ladder / Vigilant. .. http://jornboor.blogspot.nl https://jakobinfo.wordpress.com @Jakob_EGO "Oil To The Fire Submitted In Respect For The Sacred Dance On Infinity. "

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s